LIJT, SONDER SPIJT.

Kapt vry een Ael in tween, hy sal noch efter springen,
Hy sal met alle macht de leden omme-wringen,
Hy trotst, oock even dan, hy tert den harden noot,
Hy leeft, gelijck het schijnt, ten spijte van de doot.
Ghy, als een hooger macht wort tegen u gedreven,
Soo lijt’et met gedult; waer toe het tegen-streven?
Sijght neder in het stof, en toont een Duyghsaem hert,
Want die onwilligh lijt, die lijt te meerder smert.


Ingezonden op: Thursday 19 July 2001