’T NEEMT TOE, MEN WEET NIET HOE.

Laest ging ick in den hof, daer schreef ick op een linde,
Ick sneę in een pompoen den naem van mijn beminde; .
Het schrift was eerstmael teer, men sag daer anders met
Als dat het groen gewas beschreyde mijn verdriet;
Maer als ick naderhandt hier weder quam getreden,
Doen stont’et uytgepuylt al wat ick had gesneden;
Dies riep ick overluyt: dus gaet’et met de Min.
Daer komt een groote wond oock van een kleyn begin.


Ingezonden op: Thursday 19 July 2001