DIE UYT GODT GEBOREN IS EN DOET GEEN SONDE; WANT ZIJN ZAET BLIJFT IN HEM.

De seylsteen en het stael zijn, op bedeckte gronden,
 Beyd’ onder een verplicht en over handt gebonden;
Al scheyt hen eenigh dingh, de geest die treckt’ er in:
Geen scheytsel tusschen bey, en scheyt haer soete min .
Wat kan de werelt doen? — daer zijn bedeckte wegen
Waer door den hemel selfs komt over ons gesegen:
Weest vrolijck, vroom gemoet, noyt scheyt’er eenigh slot
Den geest van sijn begin, de ziel van haren God.


Ingezonden op: Thursday 19 July 2001