Fabriekskinderen.

 J.J. Cremer

‘t Is winter. Een koude decembernacht houdt met kille vingers oud Hollands grijze academieveste den blinddoek voor de oogen.

Slechts een waardig trawant van den reuzengeest dezer eeuw voert strijd met den nacht en rukt er gedurig den blinddoek weêr los. Zie maar, de gazvlammen werpen van afstand tot afstand een vlugtig licht in de holle straten en ginds langs de sombere grachten.

Waartoe die kamp; waarvoor dat licht? Immers de stad ging ter ruste en slaapt.

Geloof het niet, want telkens moet ze wakker en ziende zijn, wakker en ziende om er te waken voor het onheil dat naderen kon.

En de oude stad, zij slaapt dan ook niet. Slechts bij wijlen bevangt haar een ligte sluimering, en ‘t schijnt u toe als droomde zij van heur alouden roem - even als de teedere loot van den grijzen vorst der Alpen, die zoetjes dommelt aan haren boezem, en murmelt en fluistert van de grootheid zijner afkomst.

Maar toch, hoe vlugtig ook haar sluimering zij - telkens turend over den blinddoek heen, om er te waken zelfs in den nacht, toch vermag zij het niet zoo als zij ‘t zou willen. De arme is krank!

Ja, ‘t hoofd is wel helder, zelfs klaarder dan voorheen; ja heur harte klopt wel even luide voor deugd en voor trouw als in de dagen harer jeugd, nogtans, gij ziet het wel hoe heur regter-arm als verlamd daar ter nederligt.

Luister:

Een deel van heur eêlste sappen gingen over in onzuivere vochten; in vochten die zich vormden tot een afzigtelijke wonde; een wonde die hare krachten verteert, en welligt haar voert in het einde tot de slooping van haar glorierijk bestaan.

Arme stad! Dochter van den Staat! Rigt u op, werp u aan ‘s vaders borst. Daar zijn nog zusteren die lijden als gij. Smeek hem dat hij voor u en voor haar ter hulpe kome, dat hij zijne dienaars zende met artsenij en zalve, ware het noodig, met vlijmend lancet.

 

Maar gij, novellendichter, wat spreekt ge in beelden en raadsels? Hoort ge niet reeds de stemme opgaan, die u vermaant tot eenvoud en kalmte, die u toeroept: Blijf wie ge zijn wilt?

En ja, hij gevoelt wel de juistheid dier woorden; maar ach! Koortsachtig jaagde hem het bloed door de aders. Want ziet ge - men heeft hem die wonde getoond! Van hem heeft men een woord begeerd aan den vader der lijdende stad; een smeekwoord om hulpe, om spoedige redding. Was het wonder dat hij moeite had aanstonds den juisten toon te treffen, beseffend het hoog gewigt zijner roeping. Nogtans van nu aan zal hij trachten eenvoudig te zijn, ontzettend eenvoudig.

 

‘t Is winter. Koud was decembersnacht, en ijzig koud is nog zijn vroege morgen. Zes slagen bromt de klok uit Leidens hoogsten toren. Door de Breestraat en de Hoogewoerd leidt onze weg naar een der achterbuurten der stad.

Bij het licht eener gazlantaarn zien wij, op weinige schreden afstand, een armelijke woning. Haar bouw herinnert aan Leidens glorievolle eeuw, aan de eeuw toen zijne zonen en dochters kloek waren en sterk, en streden voor regt en voor vrijheid.

Niets is er aan dien gevel veranderd; alleen zoudt ge bij dag kunnen zien, hoe de kleine in lood gevatte ruiten van voorheen, naar den eisch der tijden, door een wat grooter soort zijn vervangen. - Eertijds kon Gods lieve zon slechts luttel in die woning schijnen; maar nu…? Helaas! gij ziet het niet hoe die grootere ruiten voor ‘t meeste deel met een vettige stof zijn overdekt, hoe er velen, onachtzaam gebroken, slechts ruw met ondoorschijnend papier werden beplakt, hoe er thans in die armoedige woning, over dag, nog minder licht straalt dan weleer, en - dat is bedroevend, erg bedroevend!

Maar stil, ik moet eenvoudig zijn. Welnu, volg mij in de kleine woning. In de kamer, die wij al aanstonds door de voordeur betreden, zou een volslagen duisternis heerschen, indien niet de gazlantaarn daarbuiten, door het straks genoemde venster, eenig schijnsel naar binnen wierp. Het zwaar geronk van een man, benevens de geregelde of snellere ademhaling van eenige slapende kinderen, treft onze ooren. Juist op dit oogenblik berigt de groote torenklok het zesde uur na middernacht. In de bedsteê waaruit het naar geronk blijft klinken, verneemt ge, tegelijk met den eersten klokslag daarbuiten, eenige beweging. ‘t Is eene vrouw die zich haastig oprigt. Met een nijdig: ‘Snork toch zoo niet!’ geeft zij den man aan hare zijde een stomp op den schouder, en leent - terwijl het nare geluid een wijle verstomt, naauwlettend het oor aan den doffen klokslag uit de verte.

‘Zes!’ bromt de vrouw binnensmonds; rekt zich geeuwend de leden; stapt nu spoedig uit de hooge bedsteê, en sloft een oogenblik later op neêrgetrapte pantoffels naar een ander bedsteê.

Drie kinderen slapen er bijeen; twee jongens van tien en dertien jaren, benevens een meisje dat bijna haar twaalfde jaar heeft bereikt. In de slaapsteê der ouders kreunt vlugtig een kind van weinige maanden, waarschijnlijk nu het bespeurt dat moeder hem verliet, en in de wiege er voor, droomt een meisje van vier jaren misschien, met een droevig lachje om den mond, van mooije winkels met allerlei brood.

- ‘Toe kinders, er uit!’ roept de moeder met schrille stem het slapende drietal toe, en als zij het schamele dekkleed heeft weggeslagen, dan trekt zij den oudsten knaap bij den arm, haar Evert die, langzaam ontwakend met lodderigen blik voor zich heen ziet, terwijl zij verder op soortgelijke wijze de beide andere kinderen te wekken tracht. Die taak is geen ligte. Saartje althans weert onbewust de moederhand af die haar diepen slaap komt verstoren; wijkt naar den achtersten hoek der bedsteê terug, en kromt zich schier tot een bal ineen, met het hoofd op de knieën.

Een klagend geween vervult eensklaps het vertrek. ‘t Is Sander, het jongste der knaapjes. Onbarmhartig door de moeder uit de bedsteê getild, staat hij half wakend half droomend, met de bloote voetjes op den killen vloer.

- ‘Stil, Sander, als vader het hoort!’ vermaant de moeder, en als zij nu hém en ook haar oudste - die inmiddels zijn bed heeft verlaten, de schamele kleêren heeft toegeduwd, dan tast zij op nieuw naar het weggedoken meisje; trekt haar bij heur hemdrokje naar voren, en beurt het kind, dat woest van zich afslaat, almede uit het bed.

Saartje, op den grond gezet, opent de oogen; zij droomde daar even dat een akelig dier haar bij de keel had; nu ziet ze… haar moeder; en de teedere handjes klemt ze inéén, en de kille knuistjes drukt ze tegen de brandende oogen, en zegt, dat het zoo tikt in haar hoofdje.

Maar de moeder hoort het niet. Toen zij Sander heeft losgelaten om het meisje te wekken, is het jongske, overheerd door den slaap, in de knieën gezakt en ligt met het hoofd tegen de muur, op nieuw in een diepe rust.

‘’t Is ook wat erg; twaalf ure naar bed!’ mompelt de moeder. Zich schielijk tot het jongske voorover buigend, schudt zij hem nogmaals wakker, doch, als nu het kind op nieuw en sterker dan straks aan het krijten gaat, dan legt zij hem haastig de hand voor den mond en ziet er met angstigen blik naar de zij van heur bedsteê, want - ruw klinkt de stem van haar man, met een nijdigen vloek: ‘Hè - mondhouwen. Zeg!’

 

Een klein kwartier later beweegt zich een schamel drietal kinderen in de nog onbevolkte straten van Leidens achterbuurt.

De nachtwacht die van zijn laatste ronde huiswaarts keert, hij kent ze wel. ‘t Zijn de kinderen van Gerrit Zwarte, den voormaligen timmermansknecht; van Zwarte die sinds een paar jaren - zoo als hij zich uitdrukt - bang voor springende knokels is geworden, en daarom zijn handen maar in de broekzakken houdt.

Daar gaan ze, die kinderen. Evert, de oudste, trekt Sander met zich voort en paait den bibberenden kleine met de woorden: ‘Kom maar, ‘t is warm daar ginder.’

Sander kan ‘t niemendal schelen; hij wil er gaan liggen, hier op die stoep, en - met het handje waarin nog de kruimels van de straks gekregen en haastig opgegeten kouden aardappel kleven, wrijft hij zich steeds en alweder langs de loodzware oogleden: hij wil niet verder - weet je, hij wil niet!

En Saartje, met opgetrokken schouders en de armen in heur boezelaar gerold, gaat ze haar broêrtjes op eenige schreden haastig vooruit. Bij iederen voetstap dien ze doet tikt het haar sneller en sterker in ‘t hoofdje; dat heeft ze eergister ook gehad; maar nu is ‘t erger, veel erger; ze zal maar doorlopen, nóg harder, dat ze eerder in de warmte komt.

Saartje is ginds om den hoek reeds verdwenen. Evert kan met Sander, dien hij stevig vasthoudt, niet zoo haastig voortgaan.

Eensklaps ontsnapt er een nare kreet aan zijn mond; met pijnlijk gebaar trekt hij ijlings de hand terug, waarmeê hij Sander heeft voortgetrokken. Het arme slaapdronken kind had hem kwaadaardig gebeten, gebeten in de hand die tot loopen hem dwong, terwijl hij slapen wilde, niets anders dan slapen.

- ‘Leelijke rakkert!’ schreeuwt Evert en…

Doch neen, wij vervolgen hier niet. Arme zwakke, onwetende schapen! We zouden u beschuldigen, wij, terwijl we slechts deernis met u hebben en slechts medelijden voor u vragen. Ha! Of we niets meer voor u wilden!

 

En waarheen zal het nu?

Zie, een steenen vinger, hoog zich verheffend boven de daken, hij wenkt uit de verte.

En daar - gij betreedt er een der vele werkplaatsen van den grootschen werkman, kloekste zoon van den geest dien we noemden.

Wondere spruit van genie en verstand, bedeeld met ontzettende kracht en rusteloozen ijver, geboren den menschen ten welvaart en zegen - stil, wie fluistert daar zacht: en vaak ook ten moordenaar?

Zie, in de voorhoven van deze zijn werkplaats, daar stoken de dienaars een vuur van bedwelmende hette. Uit vlugtigen sluimer ontwakend, rekt hij en spant hij zijn leden en spieren. Krachtig heft hij zijn ijzeren armen omhoog, en - wanneer hij ze heft, dan grijpen zijn vingers in stang en in drijfwiel; dan stampen zij voeten op kammen en staven. Dan wielen en keeren ontelbare raders; dan snort het en gonst het en bonst het alomme, en trilt er zijn stem als met dondrenden klank: voort raderen, voort; schept haastig den menschen uit ruwe wol een kostlijken draad ten koesterend dekkleed. En ‘t snort en het dreunt en bonst er nog sterker. En altijd die stem:

Voort raderen, voort!

 

Ik weet niet waar Saartje gebleven is. Een groot doch somber gebouw is zij binnengegaan; een steilen trap heeft zij beklommen en, hijgend naar den adem, is zij verdwenen in een der zalen van de uitgestrekte stoom-wolspinnerij.

Evert, die zijn broêrtje in de eenzame straat heeft achtergelaten, moet haar spoedig al gevolgd zijn; ook hem ontdekt gij niet meer.

Zijt gij een vreemdeling in dit verblijf, dan ziet gij in den aanvang slechts weinig. Wel flonkeren er, in afwachting van den naderenden morgen, een menigte gazvlammen, doch het licht wordt gedurig onderschept en gebroken door een aantal gevaarten, die, zich onbewust, hun gestadigen arbeid verrigten. Zijt voorzigtig dat uw kleed niet gevat wordt door een der vele machine-raderen, die u bij den naauwen doortogt van weêrszijden bedreigen, en - let op den grond, dat uw voet niet haakt in de breede pees die ginder die groote schijf in beweging brengt. Die schijf, ‘t is het hoofdrad der trommel van den schrobbelmolen, der machine die de vastgepakte wol in losse en platte vlokken te voorschijn brengt.

En er naast, dat andere werktuig, dat is de kaartmachine die immer de vlokkige wol blijft ontvangen, ze kaart en verdeelt in haar ijzeren binnenst, en vallen laat in donzige plokken.

En die plokken of rolletjes wol, zoo lang als een arm, zoo dun als een pink, en zoo ligt als een veder - wáár of ze blijven? Zie, vele losse raderen wentelen heen en weêr, en voeren ze toe aan den grofmolen daar; zij lasschen ze snel aan de plokken of draden die haast zijn versponnen, snel, ongelooflijk snel: zevenhonderd malen in één uur, negenduizend malen op den langen dag.

Doch die losse raderen hier, zie, ze zijn van een ander fatsoen dan de grootere dáár, die er wielen en snorren om hunne assen.

Niet waar, ge zoudt zweren dat het menschen waren, heel kleine menschen die staan op hunne voeten als wij; met armen en handen, zeer zwakke handjes; met aangezigten als die van ons, maar flets van kleur en slap van vormen; aangezigten waarin oogjes blinken als een laatste vonk in den bleeken aschhoop. Gij zoudt zweren dat het menschen waren, akelig kleine en arme oude mannen en vrouwtjes, die gaarne hijgend zouden neêrzitten bij den warmen haard en de dorre handen uitstrekken naar een versterkende bete. Niet waar, gij zoudt zweren dat het natuurgenoten waren, arme ontzenuwde wezens van gelijken aanleg, met dezelfde behoeften als gij; maar gij bedriegt u, zie slechts hoe ze wielen en keeren: negenduizend malen op den langen dag voortgejaagd door den werkman die - grootsch als zijn oorsprong, doch gesard door zijn duivel, steeds woedender brult:

Voort raderen, voort!

 

Doch gij vertrouwt ons niet, hoe langer gij tuurt op die kleine raders - want gij gevoelt wel dat het raderen zijn, - toch ziet ge klaar, onbedrieglijk zeker, dat zij - geschapen tot redelijke wezens, nog met het kleed der menschen zijn bedekt.

Immers, in ‘t midden van die bontvale rij - het helderst door een der gazvlammen verlicht, daar ziet ge Saartje, het kind van Gerrit Zwarte, het arme kind dat de koorts heeft, dat zich reppen moet ongelooflijk snel en gestadig. Gij herkent het arme meisje wel, al schrikt gij terug nu ge haar droevig figuurtje in ‘t volle licht te beter kunt zien.

Een hoofd, een gansch hoofd is zij kleiner dan uw dochtertje, dat in dit uur gezond, ja met rozen op de wangen, op ‘t zachte kussen te droomen ligt en zoo oud is als zij.

Gij schrikt terug bij het beschouwen van dat foos en flets gezigtje, met dien wijden mond en die onnatuurlijk glinsterende oogjes. Gij wendt den blik van haar af, en uw oog blijft gevestigd op het jongske aan hare zijde. Tien jaren oud, gelijkt hij een kind van zeven lentes - wat zeg ik, een kind van zeven barre winters te zijn. Telkens en telkens werpt hij een lodderigen blik op den grofspinner, die aan gene zijde van den molen zijn werken bespiedt; en - angstig rept hij gestadig de handjes, want ziet ge, al tweemalen heeft hij van hem een duchtigen tik met den rolstok gehad, hier op den schouder, erg valsch! erg valsch en gemeen!

En aan deze zijde van den tweeden molen, ziet gij dien krommen knaap er wel staan? Zijn hoog en breed voorhoofd doet u vermoeden dat zijn geest iets meer behoeft dan een werktuigelijken arbeid voor zijne handen.

Arme onderdrukte geest! Wat kan hij meer doen dan tellen, altijd tellen: Zie, zóó veel plokken gelascht geeft ééne minuut: en zestig malen dat getal maakt omstreeks een uur; en als hij diezelfde som straks driemaal verkrijgt dan is de schoft of laveitijd nabij; dan mag er het kind… Doch neen, zijn rust er te nemen dat mag hij dan niet; dat uur is voor zijn kwelgeest, den spinner. Immers, de groote machine, zij weet van geen rusten; immers de plokken die zij aanhoudend laat vallen, ofschoon ze niet aanstonds verwerkt zullen worden, ze moeten geraapt en op hoopen gelegd. En straks, als de spinner weêr aanvangen zal, dan is er de taak van den knaap schier verdubbeld; want ziet ge, de voorraad van gansch een uur moet worden ingehaald op het nimmer vertragende werktuig, het werktuig dat altijd plokken voortbrengt; wel honderd in ééne minuut.

Maar toch die lavei, zij gunt er den kleine een uur van minder gestadigen arbeid. Dat uur is hem welkom, het uur van negen tot tienen. Ziet ge, hij heeft een goede moeder, en die moeder heeft hem voor zijn ontbijt een koekebak gegeven, een heele-cents koekebak; dien kan hij nu opëten en hij smaakt zoo lekker. Wat weert zich die arme kromme knaap om zijn geel-graauwen poffer - waarvan de wetenschap leert dat hij slechts één vijfde voedende deelen bevat, zoo zuurachtig klef, en zoo krakend van kalk of van krijtstof, naar binnen te slokken.

Doch gij zult het begrijpen: daar zijn de kinders van Zwarte en nog anderen, die hebben zulke goede moeders niet als hij; ze zien hem aan met begeerige blikken, en Heintje Pink heeft gister gedreigd: dat Jaapje de helft er van meê heeft te geven, of dat hij hem anders… Maar Heintje ziet een anderen kant uit, en het arme Jaapje greinst van genot nu hij het ziekelijk mengsel naar binnen heeft: Te tellen, dát heeft hij geleerd, te deelen nog niet.

En ginder nabij de fijnspin-tafels, waaraan voor ‘t grootste deel de meisjes haar arbeid verrigten, daar staat Heintje Pink die Jaap en zijn koekebak heeft vergeten. Zijn luid geschreeuw kunt ge niet hooren door het alles overstemmend geraas der machines. Terwijl hij de wol in het kaartwerktuig bragt, hadden zijn kleine vingers te zorgen meteen dat de altijd grijpende tandjes er binne, gezuiverd werden van de vezelen wol die er kleven en groeijen in het geöliede ijzer. En - ‘t was voor de derde maal in weinige weken dat die nijdige haastige tandjes hem knepen het vleesch van zijn schrompele vingers; en Heintje, hij schreeuwt en hij kromt van de pijn, en de meisjes die van nabij zijn gejammer aanschouwen, ze trekken voor ‘t meerendeel haar oude gezigtjes in lagchende plooijen.

Arme, verstompte, gevoellooze meisjes. Zwakke, ellendig verdorvene kinders! Hoe - kinderen? Neen! Toch was het voorzeker een optisch bedrog; want hoor, nu het uur is verstreken, nu klinkt met verheffing van stem en nog sterkeren klank weêr het woord van den vreeselijken werkman:
Voort raderen, voort!

 

Doch gij toefdet daar lang genoeg en wilt een ander tafereel.

Welnu, een net steenen huisje staat voor ons open. In het ruime voorhuis wordt gij aangenaam getroffen door den zoeten roomgeur, die het vervult, en de helderheid van maat en vaatwerk, dat u als tegenlacht.

Gij bevindt u in de woning van een echt Hollandschen melkboer.

‘t Is er vroeg dag in zoo’n huis. Hij de bewoner der beide boven-voorkamers, Willem baron van Hogenstad, Jurist aan de Leidsche academie, hij had daar ook op gerekend. Gisteren avond heeft hij met Koen op diens kamer Mathesis gewerkt. Na éénen heeft hij turend en turend op een hellend vlak, dat vlak al grooter en grooter zien worden, akelig groot, en het vlak heeft hem opgeslokt, in ééns, zonder dat hij er iets van bemerkte.

Koenraad moet wel zijn best hebben gedaan om Willem weêr wakker te krijgen, doch het is hem niet gelukt. Toen Willem omtrent zes uur in den morgen de oogen heeft geopend, toen lag hij op de canapé, met een kussen onder ‘t hoofd en een deken over zich heen gespreid. Ha! Koen had best gezorgd; maar - op z’n eigen kast, in z’n eigen bed, daar zou ‘t nog beter zijn. Weinige minuten later is Koenraads huisploert wakker geschrikt van het hevig toetrekken der huisdeur.

Willem, diep in den kraag van zijn overjas gedoken, vervolgde intusschen haastig zijn weg naar de straks genoemde woning van de melkboer. Omstreeks aan ‘t einde van de smalle straat gekomen, die hij ter bekorting van zijn weg had gekozen, heeft hij een zonderlinge vondst gedaan. Daar lag een knaapje, ellendig gekleed, met het hoofdje rustend op den kleinen arm, en dien arm gekromd op den scherpen rand van een lage stoep.

Wat waren zijn wangen koud. - Was hij dood? Neen, zijn ademhaling ging vrij geregeld. Maar wat te doen met dat kind: Hem meênemen! Waarachtig! Zoo’n arme drommel!

Ha! Dat was een goed besluit; het moest wel voortkomen uit een onbevangen edelaardig gemoed. ‘t Was niet het gevolg der berekening, omdat geen andere hulp er nabij was. Neen, meênemen! Waarachtig dat was het eerste, en ‘t bleef zoo.

Bravo, zoon van Minerva! Gij zijt er één van het echt oud Hollandsche bloed. Bravo, Willem van Hogenstad, nu toont ge dat ge van adel zijt, niet slechts van den adel die telt de kwartieren in ‘t wapen, maar van dien dieperen adel der ziel… Doch stil, ga niet voort of hij smijt u naar ‘t hoofd dat gij DE KLAPLOOPER zijt.

Een half uur later staat de zwaarlijvige echtgenoot van Baks, den melkboer, op den drempel van een der mooije kamers, die haar voornamen student tot zit- en studeerkamer dient. Zij kan ‘t zich ter wereld niet begrijpen hoe menheer zoo’n vuil schandaal van de straat meê naar boven heeft gedragen. Goddank, ze houdt van helder en netjes, weet je, en nou leit daar op de andere kamer zoo’n smerig sesjet in menheers ledikant, en de hemel mag weten wat voor ontuig hij meê in huis heeft gebragt.

‘Wil j’is kijken?’ fluistert van Hogenstad, terwijl hij de jufvrouw wenkt hem in de achterste kamer te volgen, en haar tegelijk - half ironisch, half ernstig - een knipoogje geeft.

- ‘Kijken! Wát zou ik kijken!’ prevelt de jufvrouw, terwijl zij met krakenden tred den jonker volgt, den jonker, die op zijn teenen loopend, haar naar het ledikant in de andere kamer is voorgegaan en nu het groen damasten gordijn ter zijde schuift.

- ‘Hoe vin je dat, hê?’

- ‘Hoe ik dat vind…? Mag ik reis vragen, hoe uwes Mama dat zou vinden?’

- ‘Heb je wel eens op straat geslapen, jufvrouw Baks, met ‘en stoep tot je kussen…?’

- ‘ Lieve hemel, ikke!’ roept de jufvrouw; ‘ik ben Goddank ‘en fassoenlik-manskind, maar je weet waar zu’k gespuis van afkomstig is,’ - en zij wijst mat haar vleezigen vinger op den armen Sander, die in Willems ledikant zoo kostelijk te slapen ligt, ‘van ‘t repalje weet je, uit de febrieken; van ouwers die zuipen en luijeren en d’r eigen onmondige vleesch voor den kost laten zorgen, zie je, weet u menheer, van zu’k repalje.’

- ‘Zoo, jufvrouw Baks.’

- ‘Ja van volk dat z’n eigen vader en moeder voor ‘en glas jenever aan de galg zou helpen; maar ik wil je reis wat zeggen, menheer, als je van ‘en ouwer mensch ‘en goeije raad wilt aannemen, pas op dat je je vingers niet brandt; ‘t vuilmaken van je eigen boel en ‘t gebabbel in de straat wil ik daarlaten, maar met je dat verwaarloosd en liederlijk sesjet heel christelijk aan te trekken, ga je vlak buiten je boekje. Als we ‘t avond of morgen zoo’n zuiplap in de deur krijgen, die mijn of m’n man ‘en maling schopt, omdat we z’n kind van ‘t febriek hebben afgehouwen, dan bent uwes responsabel; iederman blijft baas over z’n eigen kinders; als uwes Mama…’

-‘Wil je klaar zetten, jufvrouw Baks!’

Lieve hemel, wat zette ie vreeselijke oogen op.

- ‘Jawel, menheer; twee kadetjes, niewaar?’

- ‘Zes kadetjes en tien krentebroodjes, jufvrouw Baks.’

Gruns watte oogen! - ‘Koffij- of theewater, menheer?’

- ‘CHOCOLADE-WATER, jufvrouw Baks!’

Jufvrouw Baks maakt regtsom-keert, en als ze langzaam wegschommelt, dan mompelt ze bij zich zelve: Om zoo’n vuil opraapsel ‘en fassoenlik mensch nog te schandaliseren ook. Ze zou wél… maar d’r kamers en ‘t lieve geld. Je moet al wat doen in de wereld!

En terwijl ginder in de fabriek de grofspinner vloekt, omdat hij één der raderen mist aan zijn molen, slaapt de arme kleine Sander zoo rustig voort op het kostelijk leger van zijn weldoener.

Toen Willem de kamer van Koenraad verliet, toen heeft hij gerekend nog een paar zoete uurtjes op zijn bed te zullen doorbrengen; maar nu - zijn slaap is gansch en al geweken. Hij heeft het ook druk gekregen. Om de waarheid te zeggen, toen hij het ongelukkige perceeltje op zijn kamer had, toen is ‘t hem bij een nadere beschouwing niet meêgevallen. ‘t Begin was niets geweest; maar om nu vol te houden!

Boeh! Wat een morsig boeltje. Doch een student weet zich te redden; met behulp van een mes heeft hij het kind, dat dubbend en slapend niets anders dan: och en ajasses gezegd had, de armelijke kleêren van ‘t lijf getrokken; heeft verder den steenkouden bloed haastig een ouden wollen overjas om de droevig tengere leedjes geslagen, en, na hem vervolgens op zijn bed te hebben gelegd, heeft hij de dekens over hem heen getrokken, hoog-op tot aan den neus, nog hooger tot aan de ooren; zo’n arme weêrlich!

‘t Was geen wonder, dat de jonge baron die vunze kleêren van het ventje met de tang in de kagchel wierp.

Fluks een paar turven er op gelegd en toen het boeltje in brand gestoken, zag hij alras hoe de vlammen eensklaps zoowel van boven als van onder uit de kagchel sloegen. Ja, jufvrouw Baks heeft gelijk. Als je zo’n ouwe winkel opruimt, dan krijg je een vlam en een rook van geweld; maar, ‘t is heel gaauw gedaan; ‘t heeft niets te beduiden.

Een groot uur later ontwaakt de arme Sander uit een diepen slaap. Eerst tuurt hij geeuwend een wijle suf voor zich heen; maar dan, dan spalkt hij de oogen open, al wijder en wijder; steekt zijn hoofdje buiten het ledikant en werpt een onbeschrijflijk angstig verbaasden blik in het keurige slaapvertrek, waarin hij getooverd is.

Een angstig geween roept eensklaps den jonker.

Bij het zien van den voornamen heer, die hem haastig nadert, duikt het schreijende kind vreesachtig terug en verbergt zijn hoofd in het kussen.

- ‘Zoo, kleine slaper, ben je al wakker,’ zegt Willem met zijn vriendelijk welluidende stem, en laat er aanstonds op volgen: ‘Zeg, lust je een boterham?’

Dat laatste woord werkt magtig. Een boterham? Ja, ja die lustte hij wel, en, terwijl hij door de tranen heen een tweeden blik op den vrager werpt, doch ook aanstonds zijn oogen weêr neêrslaat, glijdt een naauwelijks hoorbaar ja hem van de lippen.

Ik weet niet of gij zoudt gelagchen hebben, indien gij Willem op nieuw met het altijd vreesachtige knaapje hadt zien tobben en sollen; wanneer gij gezien hadt, hoe hij hem tilde van ‘t bed, hem dwong de voeten te steken in een paar wollen kousen, die nog veel langer dan zijn geheele beentjes waren; hoe hij de dunne armpjes door de mouwen van den ouden overjas trok en die mouwen, ter vrijmaking van de handjes, meer dan ter halverwege opsloeg; toen hij het arme zoo wonderlijk toegetakelde manneke in zijn zit- en studeerkamer op de canapé deed plaats nemen, hem overlaadde met vet geboterde broodjes en krentebollen, en verder onthaalde op een enormen kop van de fijnste waterchocolade. Ik weet niet wie er zou gelagchen hebben om de inderdaad overdreven goedheid van den student, maar zeker, zeer zeker zijn lieve moeder niet; zij zou een traan hebben weggepinkt; zij zou… Doch genoeg, de zoon denkt het allerminst om zich zelf; hij heeft slechts oogen voor het arme schaap, het knaapje dat zeker één van die ongelukkige fabriekskinderen is waarvan men hem wel eens verhaalde, één van die ongelukkige wezens die geboren worden met den vloek dat hun ligchaam - niet een tempel, maar een ellendige kerker zal zijn voor den geest, den geest, die sprank van het eeuwige, van het ideaal: die sprank der Godheid zelve.

Nu Willem zoo’n schepseltje van nabij ziet, nu is het hem onbegrijpelijk dat hij vroeger, als er sprake was van hun rampzaligen toestand, dat hij dan zoo koud is gebleven.

Maar, zóó zijn de menschen, ze moeten zien om te gevoelen; ze lezen in hunne nieuwsbladen van de duizende slagtoffers der mijnen en van de honderdduizenden in den bloedigen krijg. Ja, ‘t heet dan verschrikkelijk, maar ook aanstonds, aanstonds plooit weêr een lach hunnen mond, want daarnevens - in het nieuwsblad daar worden ze vergast op een aardig avontuur. Ja, zoo zijn de menschen, zoo zijn wij, wij menschen! We moeten zien van nabij, we moeten hooren en tasten; maar wij schuwen de ellende en houden haar gaarne van verre.

Ei zie dan en luister nog even. ‘t Zal nu zoo akelig niet zijn, misschien zelfs om om te lagchen.

- ‘Ben jij ‘en prins?’ klinkt het zachtjes van Sanders lippen, en het jongske, wiens vreeze na het kostlijk onthaal voor een groot deel was geweken, werpt een schuwen blik op zijn gastheer, doch slaat de oogen ook aanstonds weêr neêr.

- ‘Ik? Wel nee!’ lacht Willem, uit zijn gemijmer ontwakend, ‘maar - áls ik het was, zou je dan wel altijd bij zoo’n prins willen blijven?’

- ‘Ja wel,’ zegt Sander.

- ‘Waarom?’

- ‘Om ditte!’ zegt de jongen en likt nog eens langs den rand van den grooten chocolade-kop.

- ‘Hadt je dat nooit geproefd?’

Het ventje grinnikt als of hij wil zeggen: dat kun je begrijpen. ‘’k Docht eerst dat het mosterd was,’ zegt hij iets later.

- ‘Mosterd?’

- ‘Ja, die haalt moeder in een potje, en ‘s middags als we van ‘t febriek kommen, dan krijgen we aardappels met zoo’n beetje mosterd in ‘t water.’

- ‘Niets anders?’

- ‘Ja, soms wel een scheutje azijn. Vader en moeder eten meestal spek, maar da’s gallig voor de kinders zeit moeder.’

- ‘Beesten!’ roept Willem.

Neen, Sander, schrik maar zoo niet; dat geldt niet u of een van uw’s gelijken; hoor maar, hij vraagt u weêr vriendelijk:

- ‘En hoe heet je vader?’

- ‘Dat weet ik niet,’ is het antwoord.

- ‘Maar jij, hoe heet jij?’

- ‘Sander Zwarte.’

- ‘En wat doet je vader?’

- ‘Hè, hè,’ grinnikt de jongen: ‘moeder zeit zuipen.’

- ‘Maar wat is hij van zijn ambacht?’

- ‘Ambacht?’ grinnikt het kind… daar had hij nooit van gehoord.

- ‘Waar verdient hij zijn centen meê?’

- ‘Dat doen wellui,’

- ‘En hoe oud ben je al, ventje; ben je al zeven?’

- ‘Ikke,’ zegt het jongske, ‘ikke ben tien.’

Ongelooflijk! Zoo’n worm! ‘Dus moet je zeker in de fabriek werken?’ vraagt Willem op nieuw.

Angstig kruipt het jongske inéén. Die vraag, ze had hem eensklaps aan zijn pligt, aan zijn vreeselijk lange dagtaak herinnerd; aan den spinner die hem zijn loon onthouden, aan den vader die hem ranselen, een de moeder die hem geen eten zal geven, en bevende zegt hij: ‘Maar ‘k had ook zoo’n slaap, en gister avond toen ik dertien of veertien uur gelascht had, toen dreigde de spinner dat ie me zou kielhalen, als ik weêr stond te hangjassen, zeidie:

- ‘Kielhalen!’ herhaalt de student met zaâmgetrokken wenkbraauwen; ‘kielhalen, wat is dat?’

- ‘Ja, dat weet ik niet,’ herneemt de jongen, en - angstig rondziende, als vreest hij dat iemand hem beluistert, vervolgt hij: ‘maar ze zeggen dat ie achter z’n bast ‘en emmer met water het staan; en als nou ‘en slecht kind - zoo zeit ie - z’n luije oogen niet open wil houwen, dan douwt ie ‘em even met ‘t hoofd in den emmer: ten minste als ‘t opperste menheer van ‘t febriek d’r niet bij is; maar ‘t zal niet waar wezen; hè zoo koud!’

 

Ja koud, ijzig koud, om van te rillen!

 

- ‘En ga je ook school?’ vraagt Willem weder, na een oogenblik van sombere stilte.

Zie - tegenover het jongske tot wien de vraag was gerigt, daar staan in de breede en nette boekenkast - slechts weinigen achter een groene gordijn verscholen - de bronnen en schatkamers van wijsheid en wetenschap, van deugd en van regt, van beschaving en godsdienst: daar staan de klassieken die getuigen hoe voor tientalle eeuwen ‘s menschen geest reeds krachtig streefde naar het schoonste ideaal: des geestes eeuwige volmaking. Daar staan ze, de wetten der Oude Romeinen die reeds de zwakken beschermden tegen der moordenaren staal; daar staan ze in de bontste mengeling dooreen, die wijzen en geleerden, die Godvruchtigen en zedemeesters van vroeger en lateren tijd, en het is alsof ze luisteren, aandachtig luisteren naar de antwoorden van dat kind.

Neen, naar school gaat hij niet.

Naar school kan hij niet gaan, want dertien, veertien, ja vijftien uren moet hij werken - staande werken, op éénen dag.

Naar school gaat hij niet, want het dagloon zou dan minder worden en voor vader en moeder te schadelijk zijn.

Boeken? Neen, boeken heeft hij nooit gezien.

Ja! Als dát daar tegenover hem, boeken zijn, dan weet hij ‘t wel: dat zijn bijbels; moeder heeft er ook zoo een, en ze zeit: ‘en dominés bedrieger.

Wat een dominé is? Dat weet hij niet. Of, ja, die woont in de kerk.

En wat de menschen zondags gaan doen in de kerk? Dat kan hij niet zeggen; want hij is er wel in geweest, maar heeft toen geslapen.

En waar het boord van gebakken wordt? Dat weet hij niet.

En dat de tafels en stoelen van het hout der boomen gemaakt worden, dat weet hij evenmin; ja zelfs nooit heeft hij gehoord vanwaar de wol afkomstig is, die reeds bij duizende ponden door zijne handjes ging; noch heeft hij vernomen dat van dezelfde draden, die hij laschte, een kleed wordt geweven, zoo als er nu een - zoo warmpjes om zijn leedjes sluit.

 

Hebt ge dat gehoord, groote mannen van den ouden en nieuwen tijd? Niet waar, dat was een droevig examen in de aloude en wijd vermaarde academiestad. Mij dunkt, ik zie de gulden rugtitels verbleeken op de werken van uwen geest; ik zie ze huiveren en inéénkrimpen de vruchten van uw hart of verstand; gij wenscht dat de gordijn der breede boekenkast u scheide van dat ongelukkige voorwerp, van het voorwerp dat u driest in het aangezigt slaat en u kermende toekrijt:

‘ Gelogen! dat de mensch een heer der schepping zou zijn.

‘ Daar is geen vrije wil.

‘ Daar is geen regt in de wereld, noch een regtvaardigheid die haar bestiert.

‘ Daar is…’

 

Doch wij grijpen de gordijn en schuiven haar voor de breede boekenkast, en tegelijk voor dit droeve tafreel.

 

Nogtans onze taak is daarmeede niet ten einde gebragt. Wij hebben nog twee tafreelen.

Het eerste ziet ge in een schoon doch fantastisch licht; het tweede in het diepe zwart van den nacht, wanneer slechts één enkele sterre er breekt door de voortgezweepte wolken.

En dat eerste tafreel.

Zie, in dat schitterende kunstlicht, lieflijk als het schijnsel der maan, hel als de zon, blinkend als goud en zilver dooréén gemengeld, daar ziet ge, te midden van een lagchend plantsoen, een jongeling; gij herkent hem terstond; ‘t is de wakkere edelman, die zich toerust met de kennis om later te waken voor de regten der menschheid; ‘t is Willem van Hogenstad.

Aan zijne zijde staat een teêr doch aardig jongske, dat netjes en helder in de kleêren, te midden van den rijkdom en pracht eener te voren niet gekende natuur, de oogen telkens met de uitdrukking der dankbaarste verrukking en der innigste gehechtheid tot zijn weldoener opslaat.

Dat jongske is het arme fabriekskind, het kind van Zwarte; het knaapje dat door de magt van het geld gered werd uit zijn ellendigen staat, en opgevoed en onderwezen zal worden, om mensch te zijn, waarachtig mensch!

‘t Is wel jammer dat zulk een kunstlicht zoo spoedig voorbijgaat. Het schoone tafreel is verdwenen. Wij staan in het duister, in ‘t nachtelijk zwart.

Hoort ge daar ginder - dáár in dien donkeren hoek, dat klagende stemmetje wel. Het kermt om - water… water! Ontelbare malen hoort ge dat: water! En dan, als werd het stemmetje moê van altijd datzelfde woord, dan kreunt het: Dorst, dorst!

Ouders! Hoort ge uw kind dan niet. Moeder Zwarte, weet gij ‘t niet dat uw arme Saartje, met brandende lippen en tong, naar een teuge smacht, en te zwak is om ‘t zelve te krijgen?

Maar de moeder, zij slaapt; en de vader, hij ronkt. Vóór het te bedde gaan heeft de beschonken man gezegd, dat hij die fratsen wel kende en - als ze te lui was voor dér werk, dat ze zich dan, even als Sander, ook maar door zoo’n sinjeur moest laten oprapen; dat gaf nog betere rekening. En de moeder heeft gemeend dat het zoo erg niet zou zijn, als ze maar eens goed warm kon worden; en zij heeft het bibberende meisje met een rok, waarvan zij zich bij het te bedde gaan ontdeed, wat beter toegestopt. Toen de moeder dat gedaan heeft, toen was het dat er een klein, een heel klein sterretje tusschen de zwarte wolken doorblonk.

Maar nu, nu is ‘t weer nacht, pikduistere nacht; want ook de stormwind heeft de gazvlam uitgedoofd, die er nog brandde niet verre van Zwarte’s woning.

En daar slapen de ouders, die, al ware het uit lage zelfzucht alleen, te waken hadden bij het bed van hun doodzieke kind. En dat kind, het kan niet meer zeggen dat ze dorst heeft; heur lippen zijn als verschroeid; heur mondje is vuur van binnen; in haar hoofdje bonst en giert en dreunt het. Dat doet de koorts, de heete verslindende koorts. Zoo’n arm verzwakt schepseltje is niet in staat om die koorts te doorstaan.

En - niemand hoort er haar telkens stiller en doffer gekreun. En niemand ziet er het klamme zweet daar parelen op het dof gezigtje; en niemand hoort er - neen! Niemand hoort er, na zes uren strijds, dat laatste, dat allerlaatste zacht pijnlijke snikje, het snikje dat klinkt als een dankbaar zoetvloeijend… verlost!

En daar buiten, daar buldert de stormwind als met dondrenden weêrklank: Vermoord! vermoord!

En dát, dát is nu die wonde der arme academiestad.

Zij is afgrijselijk! Gij begrijpt het nu wel, dat het een dringend verzoek is om artsenij, waarmeê de boodschapper zich belastte.

Een verzoek? Neen, een smeekschrift; want hij is de eerste boodschapper niet; hij dringt slechts tot spoed.

Vermoord! Vermoord! buldert de wind. En ja, die erme fabriekskinderen, ze worden vermoord naar ziel en naar ligchaam.

In een nieuwen vorm gaf ik u die oude, maar des te vreeselijker waarheid. Slechts wat ik zelf gezien of gehoord, of ook door ooggetuigen heb vernomen, gaf ik u weêr in vlugtige trekken. En dat mijn verhaal u niet heeft voldaan, dat gij het ‘niet mooi’ hebt gevonden, zie, dat zou mij verheugen, indien ik u maar getroffen had; indien ge maar diep gevoeldet, dat daar ginder natuurgenooten, zwakke kinderen, armelijk gekleed en ellendig gevoed, 13-14-15 uren daags moeten werken in een klein bestek, ja - somtijds nog bovendien den ganschen langen nacht waarop de zondag moet volgen.

En een groot deel van die ongelukkige schepsel, ze zijn de kostwinners voor hun luije onbarmhartige ouders, ze zijn… Doch immers, ik heb ze u geschetst, naar waarheid geschetst al sprak ik u niet van de verregaande zedeloosheid die hen almede besmettend omringt; en gelooft gij mij niet: welnu, bezoek de Leidsche fabrieken; gij zult zien en, zoo uw harte al aanstonds niet bloedt, dan, dan zult ge toch voorzeker - weêrgekeerd in uwe woning, bij het aanschouwen van uw lief en bloeijend kroost, moeten uitroepen: Groote God! Bestaat zulk een ontzettend kwaad in ons dierbaar Nederland, in het land welks grootsch verleden van vrijheid spreekt en van regt voor allen! Goede God, wordt er dan niets gedaan in ons lieve vaderland voor die honderden, ja duizenden van rampzaligen, die er vermoord worden, ja vermoord! En al zijn die ellendige ouders ook verschoonbaar, ja onschuldig zoo ge wilt, onwetende, ontzenuwde wezens als ze veelal zelven van jongs af waren; en al zien ook velen der febriekanten, met deernis neder op de ellende die hen omringt; al geven u vele brave regtschapen mannen onder hen de opregte verzekering, dat ook ZIJ zoo vuriglijk wenschen die armen eenigzins te kunnen opheffen uit den deerniswaardigen toestand waarin zij verkeeren, zij fluisteren u toe: ‘Wat we willen, wij kunnen het niet; ééne is er die ‘t ons belet, en haar naam is: CONCURRENTIE!’

Hoe! Zou zij de moordenaresse dier arme kinderen zijn, zij de schoone kloeke vrouw die de leuze der vrijheid in hare banier voert? Ja, zij is het! En de schoone vrouw, die zich baadt in de wierookgeuren die men haar toezwaait, ze zondigt bedwelmt, door dien geur. Haar leuze van vrijheid, zij voert ze hoog, schaamteloos hoog. ‘Vrijheid! Ja vrijheid voor allen en alles!’ gilt ze in dollen overmoed: ‘Wie zal er den ouders het regt over hunne kinderen ontnemen; wie zal ze gelasten hunnen arbeid te verligten of hen ter schole te zenden; wie - wie zal MIJ MIJ beletten…’

Zwijg, schoone waanzinnige vrouw. Weet gij ‘t dan niet hoe de Staat - en regtvaardig - der arme gevallene, die uit schaamte haar kind vermoordde, de vrijheid ontneemt, Goddank, slechts zelden heur leven? Ha! Voor die ongelukkige den kerker en voor u de dartelste vrijheid; gij die boeleert met den gouddorst en duizende kinders vermoordt, zonder blozen vermoordt naar ziel en naar ligchaam.

Neen! Ik zeg het u, de ure zal weldra slaan, waarin men u kerkeren zal, ja kerkeren in de banden eener zegenrijke wet!

Doorluchtige Vorst! Grootmagtige wetgevers in den Staat! Ziet, daar valt de smeekbrief neêr voor uwe voeten.

Nogmaals, ten laatste: de kranke stad en hare zusters, zij snakken naar redding en artsenij. Gij vraagt den boodschapper niet waar het kruid is te vinden, het kruid dat hulpe kan geven. Gij weet het wel: Daar ginder, aan gene zijde van den Oceaan, daar bloeit en daar tiert het op Engelands bodem; daar behoedt een schoone zegenrijke wet die arme, arme fabriekskinderen voor den ellendigen toestand, waarin zij hier verkeeren. Dáár zijn hunne werk-uren minder in aantal; daar gaan ze ter schole en worden ze onderwezen, drie, ja vijf uren per dag. En de onderwezen kinderen worden bekwame werklieden, en de nijverheid, zij bloeit er; en ik bid u, waarom zouden wij bij onze overzeesche naburen, ja zelfs bij het grootste deel ook der minder ontwikkelde Staten van Europa ten achter staan? Maar wat spreek ik van artsenij te zoeken in den vreemde; uwe wijsheid zal het weten te vinden op eigen bodem, naar eigen behoefte. Neen, ik vraag u niets meer dan eene wet in het belang dier ongelukkigen. Het tafreel, dat ik schetste van den edelen knaap met het jongske aan zijne zijde, het was in een kunstlicht geplaatst. Dat beeld zou een uitzondering kunnen zijn; een toekomst voor die armen kan het niet worden. Die minvermogende kinderen, ze moeten werken en zij zullen en kunnen het indien gij u hunner ontfermt: ja ze zullen meer doen dan nu, immers nu zijn ze verlamd en ontzenuwd, en de ervaring heeft elders geleerd, dat te veelvuldige arbeid der industrie nádeelig wordt, terwijl meerdere rust en onderwijs voor die kleinen haar krachtig verheft.

O, Doorluchtige Vorst! En Grootmagtige wetgevers in den Staat! Gelooft ze niet de valsche boodschappers, indien ze komen mogten, die u zouden verhalen, dat de hulpe, die wij van u afsmeeken, een onnoodige is. - Zij zouden liegen!

Maar neen, komen zullen ze niet; want ik zeg u: Zij, zij zouden metterdaad de ellendigen zijn, die de schoone vrouw tot ontucht en kindermoord verleidden. Die boodschappers, ja, ze zouden verbleeken, indien gij hen krachtig betichttet dat zij dus inderdaad de moordenaars onzer arme fabriekskinderen zijn. Neen, daar zal er geen komen, die u driest in het aangezigt zal werpen dat daar geen moord geschiedt in den vollen zin des woords.

Ik bid u, laat mij begaan met hem die het wagen zou durven; ik vraag hem dan zacht: Zeg, ongelukkige, hebt gij dan dat eene kamertje vergeten, het kamertje met de reinigings-machine van het ruwe katoen, waarbij het kind in slechts luttele jaren zijn rampzalig leven der win - ‘t klinke zachter - der sleurzucht ten offer brengt? Zie - zie, dan verbleekt hij en sluipt hij weg.

Maar ik weet het, daar zullen, daar kunnen geen boodschappers komen, om tegen mijne zending te getuigen. Hoor maar, hoor! De arme stad zij kermt te luide en steent van de pijn.

Doorluchtige Vorst! Edele en Grootmagtige wetgevers in den Staat! Ziet: aan uwe en mijne kleederen, waaraan de handjes dier kleinen werkten, kleven droppelen bloeds; je de droppelen bloeds der arme in Nederland vermoorde fabrieks-kinderen. O! toeft dan geen oogenblik langer, zendt de hulpe die Gij gebieden kunt; dat heeft haast, groote haast. Doet de stad herrijzen uit haren nood, en hare zusteren met haar; en dan, dan zal er een stemme suizen door uwe zielen: Wél u, dat gij heb zaâmgewerkt - niet tot leniging, maar ter voorkoming van ellende en jammer; wél u, dat gij der Nederlandsche Nijverheid een schoonere toekomst hebt gewaarborgd; en wél u, wél u bovenal, dat Gij die armen daar ginder - en nu zonder geld - naar ziel en ligchaam gered en WAARLIJK HEBT LIEFGEHAD.

 

‘s-Gravenhage, 23 Febr. 1863.

 


Ingezonden door Annemarie Bouter (annemarie.bouter@pi.net)
HTML: Marc van Oostendorp, voor het
Project Laurens Jz. Coster