ISAÄC DA COSTA (1798-1860)

1 6 4 8   E N   1 8 4 8

UITGESPROKEN IN DE

OPENBARE VERGADERING,

DER TWEEDE KLASSE VAN HET KONINKLIJK
NEDERLANDSCH INSTITUUT VOOR
WETENSCHAPPEN, LETTEREN EN
SCHOONE KUNSTEN, OP DEN 25STEN APRIL 1848.

   Op dat men wete van den opgang der zon en van den ondergang,
dat er buiten My geen God is. Ik ben de Heer en niemand meer.
Ik formeer het licht en schep de duisternis. Ik maak den vrede
en schep het kwaad. Ik de Heer doe alle deze dingen. — Jesaja XLV : 6, 7.

Zestienhonderd acht en veertig!
            Door geworsteld was de kamp, —
ent ten eind de schriktafreelen
            van een dertigjaar’gen ramp,
en vergaan de laatste vonken
            van den tachtigjaar’gen brand!
Vrede! Vrede! galmde Europe, —
            vrede, Duitsch- en Nedeland!
Uit de graauwe kruiddampwolken
            steeg een koestrende zon!
Nieuwe tijden zijn voldragen,
            en een nieuwe loop begon.

Achtienhonderd acht en veertig
            en de band der Staten sprong,
en de dam werd doorgebroken,
            die de Omwentlingszee bedwong!
Oorlog! oorlog! davert de aarde,
            oorlog! oorlog! schier verjaard,
lang door weeën aangekondigd,
            thands in vollen dosch herbaard!
In d’ orkaan van Februarij
            werd gebluscht de Julijzon!
en daar rezen nieuwe tijden
            en een nieuw Euroop begon.

      Te midden van ’t rumoer van omgeworpen troonen,
paleizen neêrgehaald, en aangegrimde kroonen,
’t gedeun der volkeren, in gramschap opgestaan,
den knal van glansen, uur aan uur te niet gegaan,
en ’t openbersten van den vuurberg, die de kimmen
der toekomst dekt met rook, of als van bloed doet glimmen, —
heeft Duitschland, heeft Euroop. heeft Nederland nog voor
herinneringen uit een vroeger dag gehoor?
Zoo zij ’t voor dezen galm: de vrede van Westfalen!
Geschiedkunst op dien naam wijst hemelwaart. Haar zalen
slaan open, waar vergaârd een talloos voorgeslacht
de wanden overdekt met daden, lang volbracht,
van eedle koningen, van aartsgeweldenaren,
van helden, wijzen of regenten, martelaren,
of wrekers, natiën en stammen. Isnaburg
en Munster keeren hier op de eb des tijds te rug;
onsterflijke aardplek, waar twee vuurrivieren stolden,
die in elkaâr gevloeid reeds zoo veel jaren holden,
wijd over berg en dal de gronden zengend! Ziet
de sporen van hun loop in ’t eindeloos verschiet
van wegen, dicht bezaaid met blanke beendren, — steden,
verpletterd of ontvolkt by duizend ijslijkheden;
hier Naarden, Haarlem en Ostende, of waar verwoed
de Spanjaard afstuit op een uitgevasten stoet, —
ginds, gruwzaam boven al wat ooit kronyken meldden,
den moord van Maagdenburg! maar links en rechts uw velden.
o Nordlingen! uw’ kamp, o Leipzig! en den slag
dien, Maurits! Nieuwpoorts zon u winnen hielp en zag.
Ha! op dat bloedig zand, die platgeschoten muren,
wat scheemring, weemlend van platgeschoten figuren,
krijgshoofden, aan elkaâr in stoutheid en genie
gewaagd, maar ongelijk in grootheid! daar, Tilly
en Weimar, — Wallenstein, nog wijzende op de wonde
ontfangen op geen bed van eer, maar op zijn spond
in nachtelijk geheim! en, óver hem, de Held
van ’t Noorden, in den arm der zegepraal geveld!
Hier tegen Spinola en Alva en Fernese,
het Graaflijk twintigtal, in hunnes Heeren vreeze
tot aan den jongsten snik uw krijgsdevies getrouw,
vliesridder Engelbrecht! „Ce sera moi, Nassau!”
   Maar in geheel die rij, wier schaduwen hier zweven,
wie achtbaar meer dan Gy, wie nevens u verheven,
doorluchtig Prinsenhoofd! wien na driehonderd jaar
dit Neêrland nog vereert, als d’ eêlsten martelaar
der vrijheid, die ’t u dankt? Beleid — en krachtvol Krijger
en éénig Staatsheld! diep maar ongekunsteld Zwijger
en zielvol spreker! in wiens nooit bekrompen borst
één zelden adem schept de Volksvriend en de Vorst! -
Wat vijanden, zoo koen, die hem de kroon betwisten
van Staatsbezieler en bevrijder? Maar de Christen
eert eindloos meerder nog inhem; in hem dat hart,
zoo sterk in eigen leed, zoo week voor andrer smart;
dat hart, ten worstelkamp met Karels zoon bewogen
het eerst door deernis met verdrukten, mededoogen
met bloedgetuigen van Gods Woord! Straks greep dat Woord
hem-zelven in de ziel. Ach voor die zaak doorboord,
was ook zijn laatste zucht een bede van ontferming
voor ’t volk, in allen nood, van hoogere bescherming
dan aardsche mogendheên verzekerd door zijn mond.
Gedenk, God van genade, aan dat geloofsverbond!
Gedenk het nog, kan ’t zijn, hoe ook van onze zijde
geschonden en verbeurd! Gedenk het t’ allen tijde,
’t zij Dwangzucht persende van boven ons bedreig’,
of opdage, even snood, van ondren! Neig, o! neig
het hart van Vorst en volk, om raad by U te vragen
voor d’ eisch, de schuddingen, de krankheên onzer dagen!
De wijsheid, die Uw gunst aan d’ Eersten Willem gaf,
strale op het moedig hoofd een Tweede zeegnend af!

’t Zijn viermaal vijftig jaar. — Oranje had zijn leven
aan ’t diep geworteld werk groothartig prijs gegeven;
zijn bloed, zijn goed, zijn zaad! Twee nieuwe Wrekers treên
veroovrend in zijn plaats! Een kroon van vijftig steên
lankt Utrechts Unie van hun zwaard. Hun zegepralen
voltooid, of stuit veeleer, de vrede van Westfalen.
De Maagd van Neêrland hief haar hoofd op, en zag rond!
Wat zag zy? enkel puin op uitgeblaakten grond
door Spanjes steeds op nieuw als opgeschoten horden?
Of wel — den lavastroom reeds vruchtbaar veld geworden?
Neen! onder ’t barnen zelf van ’t tachtigjarig wee
een Staat volwassen, en reeds Mogendheid! de zee
ontzagvol deinend voor den donder van die vloten,
die ’t ijs des Noordpools haast hadden doorgestoten,
maar straks langs zeekrer weg der Oceanen kloof
doorsnelden, om Filips zijn Portugeeschen roof
te ontscheuren, ook in de Oost geen Spanje te gehengen,
de Javaas Paradijs een nieuwe wet te brengen.
De Maagd van Neêrland hief het hoofd op; ja! zy zag,
lang nog vóór d’ eersten straal van Munsters vrededag,
de wereldhandel met zijn honderden haar steden,
voor ’t stormen onvervaard des oorlogs, ingetreden;
Antwerpen, Lissabon, Venetië, aan het IJ
verplaatst, dat sints omgord met zijn vierdubble rij
(het Raadhuis volgde eerlang) van prinselijke grachten,
de wonderen dier eeuw nog zegt den nageslachten —
den zegen van een grond, die d’ armen voedzaam brood,
de arbeid overvloed, den balling ’t welkom bood!
De Maagd van Neêrland looft. Gods wateren besproeien
haar zevenvoudig erf, en al haar velden bloeien
in schaduw van de rots der vreeze van Zijn naam!
De krachten des Vernufts gaan met dien bloei te zaam:
de kunst, die ’t water keert of d’ uitweg aan zal wijzen;
de kunst, die ’t klei bezielt, die ’t marmer op doet rijzen; -
Het doek van Rembrandt, forsch en somber; ’t bruischend lied
van Keulens Zangzwaan met zijn vlammend koloriet,
zijn vollen orgeltoon. Maar ook de Wetenschappen
beraamden hier alreeds haar stoute reuzenstappen,
om nieuwe werelden te ontdekken of te ontleên
in d’ ether boven, in den waterdrop beneên.
Een trits van Scholen, bron en brandpunt van beschaving,
(ook zy, by krijgsalarm geplant!) stort licht en laving
aan al wat kennis zoekt op ’t aardrijk wijd en zijd,
die kennis bovenal, die van de zonde vrijdt.
De Kerk van Christus slaat dees tijden dankend gade,
en geeft haar Koning de eer, — Zijn Vrijmacht, Zijn genade!
Neen! roept ze, Uw gangen zijn als de onze niet, o Heer!
uw wegen boven de onze èn hoog èn heerlijk, meer
|dan boven dit ons stof en d’ aardklomp, waar we op weemlen
de glans en majesteit van Uwer heemlen heemlen!
Wat menschlijk overleg zou hebben toegedacht
aan vredesjaren, lang en koestrend en zacht,
dat voert uw wijsheit uit door tusschenkomst van schokken,
die uit de sombre wolk den malschen regen lokken!
   Hoe nu? de krijg voortaan niet vreeslijk meer den mensch?
Geen kalme vrede meer zijn uitzicht en zijn wensch? —
’t Zij ver! Maar ’s menschen geest, verslingerd aan deze aarde
heeft vaak ook deze gaaf en wat haar weldaad baarde,
gemisbruikt en miskend, de rust verkeerd in lust,
ten doodelijken slaap zich-zelven ingesust,
of wel den stroom des bloeds, die vrij en frisch moet bruischen,
bevriezen laten of vermoddren in zijn buizen.
Neen, meer! des menschen ziel in eigen wil verstrikt,
in ’t zondenet verward, moet somtijds opgeschrikt
van Boven, om den God der heerlijkheid te vreezen,
te zoeken! Is dan ’t hart nog vatbaar voor genezen,
dan zijn die schuddingen behoudend, zelfs de krijg,
het zij der volken of de geesten, op dat zwijg’
begoochling, — opengaan gewetens, — afgoôn vallen,
Gods Woord zijn werking doe door ’t kruis, — den duizendtallen
der opgeschrevenen ten leven, tot een stof
van aller eeuwen loop doordaverende lof!
Dan eerst, als van haar ban deze aarde zal bevrijd zijn,
de menscheid aan den Heer, die haar herschiep, gewijd zijn,
geen zee meer wezen zal, waaruit de zonde welt,
Geweld en Onrecht in hun eeuwgen boei gekneld, —
dan eerst zal ’t vrede zijn, waaraan geen wormen knagen,
dan eerst, naar den raad van ’t hemelsch welbehagen,
geen strijd meer nodig. — maar Gods heil te zien, de lust,
en in alle eeuwigheid Zijn werk te doen, de rust.

Zestienhonderd acht en veertig!
            en doorworsteld was de kamp, —
en ten eind de schriktafreelen
            van dertigjaar’gen ramp,
en vergaan de laatste vonken
            van den tachtigjaar’gen brand!
Vrede, vrede! galmde Europe —
            Vrede! Duitsch — en Nederland!
Achter graauwe kruiddampwolken
            stijgt een koesterende zon!
Nieuwe tijden zijn geboren,
            en een nieuwe loop begon!

Achtienhonderd acht en veertig
            en de band de Staten sprong, —
en de dam werd doorgebroken,
            die de Omwentlingszee bedwong!
Oorlog! oorlog! davert de aarde,
            oorlog! de oorlog, schier verjaard,
lang door weeën aangekondigd,
            thands in vollen dosch herbaard!
Onder ging de zon van Julij
            in den loeienden orkaan!
en daar rezen nieuwen tijden
            en een nieuw Euroop brak aan!

   ’t Was vrede, wat Euroop sints tweemaal negen jaren
(zij ’t mooglijk blozend soms!) zich voornam te bewaren,
als waar ’t een talisman en waarborg van behoud,
geroemd, gevierd, gekust, — toch! in ’t geheim mistrouwd.
’t Was vrede, zwoel en zwaar, als wen by zomerdagen
een straal, van tijd tot tijd, en doffe donderslagen
het onweêr spellen aan de zwoegende natuur,
en dan op nieuw de lucht verheldert, maar het vuur
des dampkrings mensch en dier belaadt me dubble zwaarte.
’t Was vrede, maar die vrede een waggelend gevaarte,
met elken nieuwen steen zijn storting nader by!
Dan, neen! zoo lang de staf van Frankrijks heerschappij
gevoerd wordt door het Hoofd der wakkere Orléannen
geen nood! Dus meent de vrees zich-zelven te vermannen.
Die vrede (Algiers alleen meldt nog van krijgsgeweld!)
broedt menigten alom, met klimmende angst geteld,
slechts hier en daar gedund door koene landverhuizing,
en voorts, by zwermen, met van onrust zwangre zuizing
verstikkend opgetast in vesten, Babelhoog.
’t Is spanning, dreigende als de spanning van een boog!
want aan die menigten, om werk en brood verlegen,
benijdt het werktuig, aan des menschen plaats gestegen,
den arbeid en zijn loon. De Maatschappij gevoelt
haar evenwicht gestoord. Haar lichaam kwijnt en woelt
bij beurten! ’t is de plaag van kankrend pauperisme,
onredbaar evenzeer voor breinloos Communisme,
als voor Bespiegling, die in fijn geweven taal
verdoving, sussing, maar geen heeling brengt der kwaal.
   Verlichting middlerwijl vervolgt haar loop veroovrend
ook zy ontdekkend meer dan heelend, en meer toovrend
dan stovend, — zy, die naam en schittring al te vaak,
eenzijdig en ontrouw, ten dienst leende aan de zaak
van heilloos Ongeloof, natuur of menschvergodend,
of ’t menschdom openlijk tot vleesch — en stofdienst noodend, —
hoe ’t zij, de volken eer vervreemdend van den God,
de ontkenning van Wiens woord en éénig goed gebod
van ouds de welbron was van ’s werelds diepste ellenden!
   ’t Was vrede! vrede, wien te storen of te schenden
geen Mogendheden meer bestonden in dees tijd,
maar onder wiens fluweel, of donzig moschtapijt
de brandstof tot een kamp broedde in verborgen holen,
een kamp veel schrikbrer dan met Hunnen of Mongolen,
als de aarde teisterden in dagen lang verleên, —
de krijg (verhoed hem nog, God van weldadigheên!
en keer den vloed die wast voor reeds geschokte dijken!)
de onoverzienbre krijg der Armen en der Rijken.
   Parijs, de polsslag steeds van Frankrijk en Euroop,
spelde in dees laatsten tijd der krankte een nieuwen loop.
Napoleons gebeent vond by zijne Invaliden
de aloude geestdrift nog wellicht! De Franschen bieden
in ’t eind geen hulde meer zoo daavrend aan dat lijk,
noch aan de gloriën van ’t machtig Keizerrijk,
zoo aangebeên weleer. ’t Is de oude Revolutie,
die thands de harten trekt, — de Auroor der Constitutie,
wier vlekken men vergeet, wier weldaên alles prijst,
wier weêrglans de oogen boeit, en die als jong verrijst.
Een Staatsman, rijk omstraald van dichterlijke glorie,
staat op, en kiest zich-zelf de veder der historie,
om Frankrijk, om heel de aarde, een groote heerlijkheid
te melden, schoon in draf van gruwlen toebereid.
Hy zingt: den moed, den kamp, den dood der Girondijnen,
den stalen burgerzin der starre Jacobijnen!
Hy zingt: de donderkracht der stem van Mirabeau,
de stoutheid van Danton, de smarten van Vergniaud,
Jean Jacques ideaal, de diensten van Voltaire,
de woede van Marat, de deugd van Robespiere!
Heel Frankrijk luistert toe (reeds trilt de troon!), hy spreekt:
„De Omwenteling! — min het bloed, dat de aarde heeft doorweekt!
„De Omwenteling! min de schuld der woede van haar vrinden!
„ziedaar wat de aarde rust en grootheid zal doen vinden!
„De heilvolkaan die, heeft ze vroeger vuur gebraakt,
„thands — tot beregening met enkel vrede ontwaakt!”
Vermeetle, die den storm al spelend dus ontketent,
en, reeknende op den mensch, geen driften mederekent,
geen zonde! — ach! al te zeer dien kunstenaar gelijk,
die, ingespannnen op het brengen in praktijk
eens werktuigs ingericht op eeuwig zelfbewegen,
zich de eischen van de wet der slijting had verzwegen.
Beklagenswaardige veel meer nog, voor wiens oor
de stem des Levenden in d’ Eeuwgod ging te loor!
Ach! die op d’ eigen grond met martlaars en propheten
van ’t kruis, den Bijbel van uw moeder hadt vergeten!
   Maar Lamartine spreekt, en Frankrijk luistert toe!
Lichtzinnig weggesleept, of diep bewogen? hoe
het zij, de zee zette op, en ’t werd een hoorbaar ruischen
der waatren, ’t is eerlang een onheilbarend bruischen!
En ziet! één nacht, één uur, één ogenblik. één schot!……
gevallen is de slag! geworpen is het lot!
De stam der Orléans, de troon der barricaden,
by barricaden òf verloren òf verraden,
is weggevaagd, en by het siddren van den grond
een Fransch Gemeenbest op nieuw aan de aard verkond!
   Geheel Euroop ontfangt den schok; de kreet der volken
gaat op, gemengd van schrik en gramschap tot de wolken.
De kracht der legers zwicht, de band der Staten springt.
Sicielje is ver reeds van Itaalje, Itaalje wringt
van Oostenrijk zich los. Heel Duitschland door ontladen
zich bliksemschicht op schicht, van Holstein tot aan Baden,
van Keulen tot Berlijn; ja — ’t wonder steeg ten top, —
de stille wateren van Weenen bruischten op!
Straks of ’t een Keizerrijk of een der Republieken
zal zijn, vraagt Duitschland zich by stervende fabrieken,
geschonden Overheên, en sloten afgebrand.
Eén legerkamp weldra wordt half het Vasteland
terwijl aan de overzij Repealers en Chartisten
hun echo mengen aan den roep der Communisten. —
Maar Neêrland (zie ’t, o God, met zeegnende oogen aan!)
houdt aan zijn Koning vast, en de oude Oranjevaan!

   En wederom een stap gevorderd tot de ontknooping.
Het einde werd voorzegd. Met de algeheele slooping
van ’t rijk der duisternis, Uw rijk aan de aard beloofd,
Verlosser, Leeuw en Lam! der schepping Hoop en Hoofd!
De Christen weet dat eind, maar ook de weeën, ’t lijden,
ten teeken meê voorzegd van ’t rijpen dezer tijden!
Hy weet, dat eer de zon zijns vredes op zal gaan,
een Mensch der zonde aan ’t hoofd der wereld nog moet staan.
Hy voelt by iedren schok van ’t woelend Anarchisme
de wegen toebereid van ’t gruwzaamst Despotisme.
De Christen wacht, maar loopt die tijden niet vooruit.
Hy weet, dat elke dag, die nog den voortgang stuit,
elk uur, elk oogenblik van uitstel voor onze aarde
by God zijn oogmerk heeft, voor ons zijn doel, zijn waarde,
zijn vragen en zijn strijd, zijn roeping en zijn plicht
Ook hy, schoon op een hooger vergezicht,
gaat voor het volksheil uit naar beetring, naar hervormen,
ja zoekt, te midden juist van dezer tijden stormen,
de stem te erkennen van behoeften, waarheên, recht.
Zij voor dien eisch aan de eeuw zijn bijstand niet ontzegd!
Toch mag hy het haar geest niet in ’t beginsel deelen,
noch voor die dubble leus zijn afkeer ooit verheelen:
„gelijkheid van nature en Oppermacht van ’t Volk!”
   Gelijkheid, ijdler spook dan ’t schijnbeeld van de wolk!
u zoeke, wien het lust, waar de opgewroete graven
hun lijken leveren den gieren en den raven, —
op ’t puin van wereldsteên, in assche neêrlegd,
of, liever, met de ploeg tot enkel niet geslecht!
Nooit dáár, waar heerlijkheid, beweging is of leven!
Niet by dier zonnen heir, die aan de heemlen zweven,
niet by het grasgebloemt, door ’s wandlaars voet betreên,
niet (hoe veel minder nog!) in ’t samenstel dier leên
van ’t lichaam, die, bestemd elkander te onderschragen,
elkander dienst te doen, elkanders last te dragen,
hun roeping door ’t verschil vervullen. — Wie u roemt,
gelijkheid! roemt den dood. Maar wie u waanzin doemt,
hy late een andren eisch, dien onze tijd doet hooren,
te meerder ruimte toe, en wacht’ zich dien te smoren!
Toenaadring eischt Gods orde en dezer tijden nood.
Toenaadring (waar ze ontbreek’) van vorst en volk, van groot
en klein, van arm en rijk, van standen en belangen!
God wilde ’t onderscheid van gaven, rijkdom, rangen, —
maar ook dat onderscheid beheersch’ Zijn Woord en Wet,
Zijn Wijsheid! en ook hier is ’t voorbeeld ons gezet
in de ordning der Natuur, waar zich twee krachten paren
die, strijdig slechts in schijn, het Wereld-al bewaren
van in te storten of, verspat, uit één te slaan……
Eén zelfde wijs beleid stoot vàn zich en trekt aan!
Dus ook de maatschappij in t’ tijdperk ons verschenen.
Waar Orde op afstand plaatst, moet Liefde op ’t naauwst veréénen.
   Ga, Staatsman! ken uw tijd! doe elke vordring recht
op vereenvoudiging, op vrijheên, nog ontzegd!
zoo ver die eisch niet strijdt met Wet en Woord des Heeren!
Dat Woord — het kan u veel en groote dingen leeren
van volksplicht beide en recht, van volksstem, invloed keus!
maar geen gemeenschap met een lasterlijke leus!
Hoe hoog de hoogheid rees van d’ Eeuwgeest en zijn tolken,
de Machten zijn uit God! — en de Oppermacht der volken?
Historisch is ze een waan, den Christen is ze een ban,
waarvan geen menschlijk woord een land ontheffen kan.
   Neen, Neêrland, op geen ban wilt Ge u een Grondwet stichten,
maar de oogen allereerst naar ’s hemels bogen richten, —
dan, vorschend nederslaan op uw historierol,
een rol, van zoo veel heil, van zoo veel wondren vol,
als Godt hier wondren deed in ’t midden van uw plassen,
en vastigheên gebouwd in schuddende moerassen: —
een vrijheid, bloei en roem, als zelden de aarde zag,
by ’t hemelsch Waarheidslicht, hier schittrend als de dag! —
voor Godsdienst, vrede en recht, en tegen aartstirannen,
Oranje ’t puik, door God, van vroome vrijheidsmannen! —
Neen! Neêrland! zonder Hem, die u dees weldaân wrocht,
(hoe de Eeuwgod smale op spott’) geen Staatswet onderzocht!
Maar als uw Vaadren weêr met al uw duizendtallen,
voor d’ onbevlekten troon aanbiddend neêrgevallen! —
die in Zijn hand het lot van Staat en Maatschappij,
het hart, het recht, de macht der Machten houdt, — is Hy
de God van Isrel en der Christnen! — Zijn er troonen
geveld? zy werden ’t niet, dan om aan de Aard te toonen,
dat, waar een hooger raad der volken toorn gehengt,
die kracht geen recht bewijst, maar slechts een straf volbrengt.
   O Koning! by den galm der doorgebroken tijden
treedt Gy, — met dat voor — God — behoefte — en — schuld-belijden,
van ouds den Vaadren zoo gezegend, vorstlijk voor!
En dring’ die stem heel ’t land als met bazuinkracht door!
zoo keere op u (het eerst!) uw hart, uw huis, uw wegen,
de aan ’t vragen naar Zijn wil steeds vast verbonden zegen!
Euroop zie op uw kroon verdubbeld neêrgedaald
den glans, die nooit getaand, uw krijgszwaard heeft omstraald.
’t Zie, — by uw Vorstenmoed, die aller moed steeds wekte, —
uw blik, die steeds zoo wis ’t beslissend punt ontdekte
waar zich de zegepraal op ’t slagveld grijpen liet,
voorspoediger dan ooit gericht op ’t Staatsgebied,
om met dien blik, dien moed, niet twijflend te onderscheiden!
waar handlen wordt vereischt, voorkómen, of verbeiden!
wat losgelaten moet, — omdat het God gebood!
of, naar de Oranjeleus, gehandhaafd tot den dood!
   Tot in den dood? o! dat met Neêrland Nassau leve!
Maar welk een stikdamp ook den tijdloop nog omgeve,
wat toekomst ons bedreig’, daar is voor Nederland
een roeping, voor Oranje een aangewezen stand
te midden van den schok, waarby de troonen trillen.
Ja, vrijheid zal het zijn voor die Gods waarheid willen
ja, vastigheid voor die Hem vasthoudt! Loope ’t Lot
zijn banen! geen ding zal ons tegen zijn — met God!

Zestienhonderd acht en veertig!
            doorgeworsteld was de kamp, —
en ten eind de bloedtafreelen
            van den langen oorlogsramp!
Met aanbidding, met ontzetting,
            zag de Maagd van Neêrland om!
Hoe ze als opwaakte uit een droombeeld,
            hoe de aanbidding hooger klom! —
’t Had geschuimd op al die waatren,
            ’t had gedonderd en gestormd!
maar by ’t kraken der kartouwen
            was het Handelsvolk gevormd!
en het nestjen was behouden
            van de Oranjen-Halcyon
op het hobblen van de baren,
            by het koestren van de zon!
en het Hollandsch visscherscheepjen,
            onder vlaag op vlaag behoed,
was de haven ingeloopen
            zinkend, - maar van overvloed!

Achttienhonderd acht en veertig!
            en de band der Staten sprong, —
en de dam werd doorgebroken
            die de Omwentlingszee bedwong!
Legioenen volksvertreders
            zijn gewapend opgestaan!
Troonen vielen, Vorsten vloden,
            schatten smolten en vergaan.
Dreigend blikt op ’t aardrijk neder
            ’t rood der ondergaande zon!
’t Menschdom vraagt zich, welk een toekomst
            by dien blik haar loop begon?
O! die toekomst — door den Christen
            wordt zy glorievol verwacht!
„Als de God der eere dondert
            „en den dag verkeert in nacht,
„antwoordt onder de onweêrsgalmen
            „diep van uit het heiligdom,
„by een koor van hemelpsalmen,
            „’t jongste woord Zijns Woords: Ik kom!


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden op: 12 mei 1997. (Gewijzigd 13 juni 1997).