ISAC DA COSTA (1798-1860)

ALFONSUS DE EERSTE

 

EERSTE BEDRIJF

EERSTE TOONEEL

DONA MATHILDA, DONA LEONORA.

LEONORA.

Hoe! steeds verdiept, Mevrouw, in zorgen zonder baat!
Het uur des nachts voert u geen troost; de dageraad
verrascht uw slaaploos oog in steeds vernieuwde tranen
Wij zien op uw gelaat den glans der jonkheid tanen
on nevelen van smart! Gy, eedle deelgenoot
der trouw, die heel een volk, door moed en braafheid groot,
aan de afkomst toedraagt van den held, die ’t deed herbloeien.
gy, wier aanminnigheid zijn boezem deed ontgloeien
in lefdem, waar hij sints geheel zijn lust in vond.
gy, treuren zonder end waar ’t al u heil verkondt!
We eerbiedigen, Mevrouw, de smart, die gy doet blijken,
maar ’t zachte vrouwenhart pleegt eerder te bezwijken
voor ingebeeld gevaar en dreiging van het lot.
Zoo smoor die bange vrees, wier foltring u ’t genot
der kalme zielrust voor licht eeuwig kan verstoren!
De vaderlijke kroon is uw gemaal beschoren,
en ras verrijst de zon, die u begroeten zal
als wettige Gravin van ’t juichend Portugal!
O! laat geen knagende angst u zulk een hoop verbittren!
De dag, door ons verbeid, zal onbeneveld schittren.

MATHILDA.

Mijn Leonoor! helaas! hoe dikwerf heeft mijn hart
zich zelf de weekheid niet verweten van zijn smart?
Onwillig baadt mijn oog in tranen: zucht op zuchten?
beklemmen my de borst, als stond me een slag te duchten,
niet af te keeren en verschrikkingsvol. ’k Aanbid
de deugden van een G, die heel mijn ziel bezit!
De kroon, waarmeˆzijn hand my eenmaal moet versieren,
is dierbaar aan mijn hart; maar waan de flonkervieren
der vorstendiadeem niet machtig om mijn wond
te heelen! ’t Is die min, die my aan hem verbond,
wier zorgen dus mijn borst, en rusteloos, bezwaren.
Ach! ieder oogenblik verdubbelt de gevaren,
waaraan mijn angstig oog Alfonsus bloot ziet staan!
Bedriegelijke tijd, wiens voorspoed my den waan
van onverstoorbaar heil, zoo onbeddacht, deed kweken,
uw uitzicht is van my voor eeuwig afgeweken!
Mijn Leonoor, uw trouw herinnert zich dien tijd,
toen heel mijn aanzijn, aan de zoetste hoop gewijd,
niet vatbaar dan voor vreugd, geen kommer kon vermoeden
aan mijn Alfonsus zij. ’t Noodlottig uur moest spoeden,
dat my heel de ijslijkheid mijns noodlots opensloot.
Sints drukt me een looden zorg ter ner: mijn oog verstoot
den slaap, geen troost, hoe lief, vermag mijn moed te sterken
’k Doorzag met killen schrik wat heerszucht kan bewereken!
En waar ik de oogen wend, of waar ik toevlucht zoek,
’t vertoont zich overal als of des hemels vloek
gereed staat op het hoofd van mijn gemaal te daen!

LENONORA.

Wat laat ge dus, Mevouw, uw sombre geesten dwalen
in ’t uitzicht op een smart, die gy u-zelve baart!
Waar is die donkre wolk, van jammeren bezwaard,
waar ’t voogevoelig hart een onwer uit kan spellen!
Laat af door ijdle zorg uw teedre jeugd te kwellen,
of leer my wat de bron van zoo veel angsten zij!

MATHILDA.

Een vreemdling oefent hier Graaf Hendriks heerschappij,
en de erfgenaam van ’t rijk, door goddelooze boosheid
verraderlijk verdrukt in doffe werkeloosheid.
ziet, in zijn toorn geboeid, door die hem ’t leven gaf
zijn heiligst recht vertren op ’t vaderlijke graf!
Alfonsus lijdt dien hoon, en ik, ik zou niet beven?

LEONORA.

O! dat dees schrikbare angst uw boezem moog begeven!
Hoe! daar heel Portugal den blijden dag verbeidt,
waarop de Trava zelf uw G ten troon geleidt,
Gelukkig in den glans, die van zijn kruin zal stralen……

MATHILDA.

Onnoosle!…… doch ook ik moest eens zoo argloos dwalen!
gy kent de Trava en zijn echtgenoote niet!
Zy willig afzien van het vorstelijk gebied?
Zy-zelven Hendriks kroost ’s rijks erfgenaam verklaren,
of dulden dat het heersch’, waar zy eens meester waren?
’k Erken ’t, de Trava’s list en huichlend gelaat
ontveinst met de eigen kunst zijn heerschzucht en zijn haat;
maar nooit gelukte ’t hem Alfonsus te misleiden!
Wie meldt de ontwerpen al, steeds uitgedacht door beiden,
(Graaf Hendriks Weduw en den Voogd van Protugal!)
om hem op ’t wettig huis te storten in zijn val?
Naauw had Don Hendriks dood de teugels dezer Staten
aan ’t moederlijk bestier der rijksvoogdes gelaten,
tot eens mijn Eg zelf, met mannelijke kracht
zijn rechten oefnen mocht, of zy, terstond bedacht
haar kroost, haar eigen kroost van de oppermacht te weeren,
en met geroofd gezag zijn volken te regeeren,
deelt door een tweeden trouw de schendige voogdij
een vreemden krijgsman me, heerschzuchtig, trotsch, als zy,
wines listig staatsbeleid en oorlogsfaam haar sterken
in ’t gruwelijk ontwerp, dat zy hier uit wil werken.
Sints was Alfons steeds het voorwerp van haar haat,
de haat, o hemel! van een moeder! Men bestaat
in ’t eerst den heldenmoed van ’t jeugdig hart te stremmen,
en houdt hem, brandende de vuist on ’t zwaard te klemmen,
in laffe rust geboeid, op dat hy dus het bloed
waaruit hy d’oorsprong nam verloochnend, het gemoed
des dappren Portugees zich zou afkeerig maken,
en, diep vervallen, uit die sluimring nooit ontwaken.
En mooglijk waar die list, waarvan gy gruwt, gelukt,
had niet de braafste held hem aan ’t verderf ontrukt;
Don Egas, steeds gereed zich voor zijn Vorst te wagen,
dorst met standvastigheid zy zich by den Voogd beklagen.
dat grooten Hendriks zoon dus vreemd bleef aan het staal,
en voert zijn kweekeling ten strijd, ten zegepraal!
Van daar is ’t, zoo mijn G een oorlogsroem mocht winnen,
wiens grootheid zijn naam vereeren doet en minnen,
en by den Saraceen nog siddering verspreidt.
En thands, daar heel het volk en de adel zich bereidt,
hem plechtig ’t hoog gebied zijns vaders op te dragen,
thands poogt men steeds dien dag op ’t kunstigst te vertragen,
en voelt aan alle kant om zich in de oppermacht
te staven; wat ik zie, is my van hun verdacht!
Alfonsus midderwijl, wiens fier en moedig harte
geweld en onrecht haar, verkwijnt als ik in smarte.
Aan ’t welzijn van zijn volk, aan zijn geheiligd recht,
aan de eer zijns Vaders met geheel zijn ziel gehecht,
had hy sints lang de smet, die op hem kleeft, gewroken,
werd niet zijn gramschap nog, hoe fel in ’t bloed ontstoken,
werhouden door den naam, dien zijn vervolgster voert,
En nu, mijn Leonoor, (’k zie u als my, ontroerd!)
Is ’t zwakheid, zoo ik leve in zorgen, tranen, klachten?
Wie weet wat wreede slag mijn liefde staat te wachten?
Aan wat verschrikklijk lot ons huis is blootgesteld?
De Staatzucht kent geen wet, waar ’t overmeestring geldt!
Ja, mooglijk (’k ijs van ’t woord, dat ik hier uit ga spreken!)
durft ze in Alfonsus bloed haar snoode ontwerpen wreken!

LEONORA.

Wat siddring grijpt my aan, op ’t hooren van dees taal!
Ach! ’k deel thands in uw angst, Mevrouw…… Doch uw Gemaal
schijnt met zijn trouwsten Vrind zijn schreden hier te richten;
licht dat uw treurigheid voor hun gesprek zal zwichten:
’k verwijder my.


TWEEDE TOONEEL

DON ALFONSUS, DON EGAS, DONA MATHILDA.

MATHILDA.

                             Wel nu, mijn dierbre, brengt ge in ’t end
vertroosting aan een hart, der vreugd sints lang ontwend?
Of heeft uw Eg nog die sombeheid te vrezen,
die op uw voorhoofd heerscht! en meldt my heel uw wezen
’t verschrikkelijk besluit, dat in uw boezem broedt,
als onherroepelijk aan? O! schenk mijn terheid moed!
He deernis met een angst, de plaag van beider leven,
waarvan mijn hart door u, of nimmer wordt onheven!

ALFONSUS.

Geliefde, heeft die vrees, en my en u onwaard,
zoo diep geworteld in uw geest? Verbeelding baart
der liefde van een vrouw, die zoo als gy kan minnen,
bezorgdheid zonder perk, door liefde te overwinnen.
Ja, dierbre, veel te lang tegeert heir de overmoed
eens vremdlings, die op de asch, op de eer mijns Vaders woedt,
wiens lage heerschzucht, op mijn rechten dol verbolgen,
mijn moeder eigen kroost leert haten en vervolgen!
Te lang zucht Portugal naar vorsten, harer waard,
en de Adel schaamt het zich het eerlijk oorlogszwaard
te voeren tot den dienst des dwinglands! Op heden
zal ik mijn recht en rang en afkomst, lang vertreden.
handhaven, en welhaast staat hy d’ ontroofden staf,
met hoe veel kracht geklemd, den zoon van Hendrik af!

MATHILDA.

Hoe, is ’t dan waarheid, is mijn onheil niet te keeren?
Zoo stelt de onzaalge zucht voor grootheid en regeeren
dus roekloos met uw bloed ’t heil van uw gade bloot?
Ga, koop de diadeem voor een oneedle dood!
Wat is my, zonder u, haar glans, mijn rang, mijn leven?
Of zal de Trava thans haar needrig overgeven,
die jaren lang het doel van zijn verwoedheid was?
O! staak dit wreed besluit, ’k bezweer het u by de asch
diens Vaders, die op my, op my alleen gaat wreken!
Neen, hy verbiedt u niet te zwichten voor mijn smeken,
hy eischt niet dat ge uw bloed dus zonder vrucht vergiet……

ALFONSUS.

Verg alles van mijn min, maar verg mijn oneer niet!

MATHILDA.

Uw oneer? dierbre, neen! ik draag in vrouwlijke aadren
geen zoo verbasterd bloed van oorlogshafte vaadren,
dat ik mijn echtegenoot lafhartig wenschen kon!
Ja, riep u krijgsmanplicht ten oorlog, ’k overwon
met mannelijken moed al de angsten die ik lijde:
ik zou met eigen hand u wapenen ten strijde!
Maar hier, waar ’t snoodst verraad on ’t Grafelijk gebied
geen laagheid, geen geweld, geen gruwelen ontziet,
bestaat ge in blinden moed die wreeden uit te dagen,
om in hun razerzij het uiterste te wagen:
hun troon moet door uw dood met dubble vastheid staan,
of hun gevloekte haat u met hen doen vergaan!
Of zou zijn deerenis denzon van Hendrik sparen?
Of mangelt het zijn woede aan vuige moordenaren,
wier laagheid met uw bloed zijn gunsten winnen mag?
Afgrijsselijk verdriet! ik vloek den dag,
die me in het leven riep, om eindeloos in zuchten
te kwijnen, en voor ’t lot van ’t dierbaarste te duchten!

ALFONSUS.

Mathilde, een Hemel hoedt de brooze menschlijkheid!
Zijn liefderijke zorg baat meer dan ons beleid.
Vertrouw dien zoo als ik. Ik heb mijn reicht en leven
met onverwrikte hoop in Zijne ho gegeven,
en sneve ik, ’t is voor de eer van ’t bloed, waaruit ik sproot!
Ik, Egas kweekling, ik, Mathildaas echtgenoot,
ik zou om ijdle vrees de stem der plicht versmoren?
Of, wa ’t my niet genoeg, voor de Oppermacht geboren,
hier, in mijn wettig erf, te leven, onderdaan,
onmachtdig zlefs mijn volk in d’ oorglog voor te gaan?
En echter ’k droeg dien hoon, en offerde aan en moeder
(gevoelloos voor mijn liefde en ieder dag verwoeder)
de drift, die zonder haar mijn hand gewapend had.
Neen, ’t is te lang geduld, dat men uw eer vertrad,
mijn Vader! reeds te lang heeft my uw schim verweten,
dat ik in laffe rust uw grootheid heb vergeten!
Uw arm heeft dezen grond de Saraceen ontroofd,
uw vuist de Gravenkroon gevestigd op uw hoofd!
en ’k laat een vreemdeling hier ongestoord regeeren,
uw krijgsgenooten door zijn bittren trots verneren,
ik dulde uw Portugal zijn gunstelingen ten buit,
of dat hy met den Moor een laffe vrede sluit’,
(wiens duizenden uw arm zoo dikwerf heeft verslagen)
om veiliger uw volk zijn ketens te doen dragen!
Neen, ’k eisch nog op dees dag de erkenning van mijn recht,
en’t zij de kracht van ’t zwaard er de uitkomst van beslecht’,
het zij men door verraad mijn nerlaag wil verwerven,
ik zal voor ’t minst niet meer als onderworpeling sterven!
Of, gaat mijn drift te ver? is ’t heerschzucht, die my spoort,
wanneer mijn boezem nog in droefheid schier versmoort,
dat ik een vijandin moet temmen in een moeder?
Heb ’k nog haar niet voldaan? Spreek, eedle Wapenbroeder
eens vaders, dien uw deugd te rug voert voor mijn hart,
is ’t eindelijk lang genoeg, dat men mijn gramschap tart?

EGAS.

Graaf, sints uw eerste jeugd vertrouwd werd aan mijn zorgen,
heeft nimmer u mijn mond de waarheid nog verborgen,
en ’k zou noch jonglingsdrift, noch heerschzucht hier ontzien,
om u in zulk een tijd een trouwen raad te bin.
De nagedachtenis van uw doorluchten Vader,
en ’t dierbaarste belang van Portugal te gader,
vereischen dat uw hand de teugels klemm’ van ’t rijk,
en wettelooze macht voor uw gezag bezwijk’.
Gij hebt de plicht voldaan, verschuldigd aan een moeder:
thands ziet het rijk in u zijn Vorst en zijn Behoeder!
Verlos het van den dwang, dien ’t van zijn voogden lijdt,
en toon ’t door uw bestier uit wien ge ontsproten zijt!

MATHILDA.

Vereent zich ’t al dan, om mijn droefheid te vermeren?
Gy ook, getrouwe held, zult dan den slag niet keeren,
die me in mijn Gade dreigt?

EGAS.

                                       Stel u gerust, Mevrouw;
de dag, die thands verrijst, is u geen dag van rouw:
zy is voor u en hem een bo van heil en glorie!

ALFONSUS.

Neen, dierbre, wanhoop niet de hemel schenkt viktorie,
waar Egas en het recht zich scharen aan mijn zij!

MATHILDA.

Zoo sta zijn gunst uw moed en mijne zwakheid by!


DERDE TOONEEL

DE VORIGEN, DON LORENZO D’ AGANIL.

LORENZO.

Een afgezant, Mijn Heer, van d’ Oppervorst der Mooren
vraagt toegang en gehoor.

ALFONSUS.

                                     Van my? ’k Heb nooit te voren
den Saraceen gekend, dan met de hand aan ’t zwaard.
’k Ontveins niet dat zij komst my hier verwondring baart.
Geleid hem herwaarts.

(Lorenzo vertrekt)

(Tot Egas, die vertrekken wil.)

                           Blijf, mijn Egas, mijn vertrouwen
zal nooit uw vriendschap vreemd aan mijn belangen houn

MATHILDA.

Ik store uw onderhoud met d’ Afrikaner niet:
En voer uit uw gezicht mijn doodelijk verdriet.

(Zij vertrekt)


VIERDE TOONEEL

DON ALFONSUS, DON EGAS, OMAR.

OMAR.

Opvolger van den held, wiens nagedachtenis we eeren
wien ’t schittrendst voorbeeld leerde op mannen te regeeren,
en die met heel dit rijk zijn roem uw erfdeel ziet,
als ’t welzijn van zijn volk, De Moorsche Koning biedt
u, schoon nog in ’t bezit van ’t Graafschap niet gehuldigd,
den broedergroet reeds aan, uw rang en deugd verschildigd.
Mijn Koning, schoon heel ’t land en de omgelegen zee
zijn krijgsmacht tuigen kan, bemint een eerbre vre;
en zoo reeds sedert lang uw beider onderzaten
in ongestoorde rust d’alouden haat vergaten,
die vriendschap was zijn hart, uit achting voor uw kroon,
steeds onuitspreelijk zoet. Moge asl Graaf Hendriks zoon
de teugels van ’t gebied met eigen hand zal voeren.
geen wreevlig staatsgeschil die eendracht ooit beroeren……

ALFONSUS.

Mijn Heer, voor dat de zee uw rijk van ’t onze scheidt,
belove ik nooit een eind aan onze oneenigheid,
Of heeft uw Oppervorst het heilig recht vergeten,
waarme de Europeaan dees landstreek heeft bezeten,
tot waar hem de Oceaan zijn grens heeft aangeduid?
En, maakte zich uw volk ons vaderland ten buit.
wanneer ’t met de overmacht van duizend duizendtallen
van de overkant der zee ons op het lijf kwam vallen? -
Het lot des oorlogs heeft ons uit ons erf verjaagd!
de wapens in de hand wordt dit wer opgevraagd!
Neen, hy kent de inborst niet der fiere Portugeezen,
die wanen mocht dat zy den last des oorlogs vreezen!
En eert uw Vorst in my Graaf hendriks erfgenaam,
hy verg’ van my geen daad, die ik me als krijgsman schaam!

OMAR.

Mijn last strekt zoo ver niet, om over ’t recht te spreken,
dat tusschen u en ons den oorlog kon ontsteken.
Een dringender belang voor u en uw nageslacht
heeft my in ’s Konings naam, Graaf, hier voor u gebracht.
Als bondgenoot, als vriend, zond hy me in dees gewesten
om ’t wanklend gebied in uwe macht te vesten.
Uw Vader (wel is waar) heeft heel zijn levenstijd
ten dienst der vijanden van onzen Staat gewijd:
maar weten we ons op ’t veld met leeuwenkracht te weeren,
wy kunnen ook de deugd in vijanden vereeren,
beschermen, wreken zelfs, en by den Saraceen
wordt schittrende oorlogsroem, in wien ook, aangeben!
Sints lang reeds zijn mijn Vorst de schandelijke lagen
bekend, waarme verraad uw eerste jonglingsdagen
aan alle kant omgeeft. Men spaart noch list, noch bloed,
zoo slechts uw ondergang een vloekbre heerschlist boet!
Mijn Vorst vermag u thands gereede hulp te bieden.
Een vloot, die ’ Noordlijkst deel van Spanje moest bespieden,
kruischt dicht naby dees kust: verlangt ge in nen dag
u in bezit te zien van ’t Grafelijk gezag?
Ik wapen tot uw dienst die dappre vlotelingen,
dat ze onder mijn gelei in deze vesten dringen;
gy-zelf verklaart u Vorst, en zonder tegenstand
vermeestert gy de stad, en met haar heel het land!
En wy, wy vergen niet voor deze dienstbetooning,
dan dat gy Portugal in leen houdt van den Koning!

ALFONSUS.

O stoutheid zonder maat! Ik, leenman van uw Vorst?
ten loon van ’t eerloos feit, dat gy my voorslaan dorst!
Ga, vlied naat ’t schendig hof van die u heeft gezonden,
om hem mijn antwoord — neen! mijn woede te verkonden!
Zeg hem, dat ik mijn recht van geen verraders ho,
en dat, schoon anders niet mijn handen waapnen zou,
dees dag, dees dag alleen, mijn haat zal doen ontgloeien,
om hem en heel zijn huis voor eeuwig uit te roeien!

OMAR.

Zoo loont met ’s Konings gunst met smaad……

ALFONSUS.

                                                   Vertrek, mijn Heer,
ik wel geen enkel woord van zulk een gruwel meer!


VIJFDE TOONEEL

DON ALFONSUS, DON EGAS.

EGAS.

Bedaar, en laat de zorg voor dierbaarder belangen
uw verontwaarding, geliefde Vorst, vervangen!
Geen oogwenk dien verzuimd, waar list en Staatszucht waakt,
en hartstocht en verdriet voor ’t grootsch ontwerp verzaakt!

ALFONSUS.

Neen, hoe my ’t lot vervolgt, getrouwste mijner vrinden,
vrees niet dat ge ooit mijn moed zult nergeslagen vinden!
Aan vorstenplicht gewijd, aan de eer van mijn geslacht,
schenkt, wat ik lijden mag, mijn boezem nieuwe kracht.
Kom, gaan we, ’t hoog besluit is eindelijk genomen!
En moet der burgren bloed in deze wallen stroomen,
mijn hand is schuldeloos. Dees dag getuigt mijn val,
of voert Graaf Hendriks zoon ten troon van Portugal!


Inhoud ’Alfonsus de Eerste’

Tweede Bedrijf


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden op: 19 juli 1997