ISAC DA COSTA (1798-1860)

 

ALFONSUS DE EERSTE

 

VIJFDE BEDRIJF

EERSTE TOONEEL


DONA MATHILDA, Alleen.

Hoe is mijn borst beklemd! mijn geest ter nergeslagen!
O angsten, drukkender dan ’t onheil zelf te dragen!
O angsten, groeiende met ieder oogenblik!
Helaas! het minst gerucht vervult mijn hart van schrik!
De stilte beeldt den dood voor mijn benevelde oogen!
Mijn Eg is ten strijd (en welk een strijd!) getogen,
en ik, ik deel met hem in al zijn aakligheden!
De slagen van het zwaard wergalmen door mijn len!
En ieder slag dreigt my zijn val! Wat moet ik vreezen?
Zal de uitslag van den strijd, my, hemel! doodlijk wezen? -
En niemand nadert nog! — Zal my voor ’t minst geen bo
de pletterende maar mijns onheils brengen? O!
zoo maakte een snelle dood aan mijne onzekerheden
een eind! — Waar vinde ik troost, of waar wende ik mijn schreden?
Ach! mocht ik vliegen naar den strijd! Ach! mocht mijn oog
getuigen, dat mijn angst mijn minnend hart bedroog!
Waar-, waarom mocht ik mijn arm der waapnen last niet dragen?
’k Zou waken voor zijn hoofd, ik zou des vijands slagen
afweeren op mijn borst of sneven aan zijn zij!
In dit paleis geboeid, is ’t gruwlijkst, wat ik lij’!
Men nadert…… ’t is een bo, van uit den strijd gezonden!
Hoe klopt mijnhart, voor ’t geen zijn mond my gaat verkonden!


TWEEDE TOONEEL

DONA MATHILDA, EEN SCHILDKNAAP.

MATHILDA.

Mijn echtgenoot……

DE SCHILDKNAAP.

                                      Hy leeft, Mevrouw! Nooit blonk zijn moed
met schitterrende glans. Het Saraceensche bloed
stroomt, waar hy treedt, langs ’t veld, en mengt zich aan de golven
des Aves, die ’t besproeit. De trouwe Ridders volgen
den weg hun door zijn zwaard gebaand ten zegepraal!

MATHILDA.

Kan ’t zijn? en mag mijn hart dit strelende verhaal
vertrouwen? jongeling! laat my uw mond nog melden,
wat wonder medewerkt tot redding onzer helden,
dat de overmacht des Moors hun niet te vreezen zij!

DE SCHILDKNAAP.

Ja, ’s hemels gunst, Mevrouw, stond ons helden by!
De Catiljaansche stoet had dit paleis verlaten!
De vloekkreet van het volk wergalmde langs de straten.
Zy snellen langs een weg, wier eenzaamheid hen hoedt,
de pas ontscheepte macht der Mooren te gemoet.
De Graaf was middlerwijl tot aan het oord genaderd,
waar zich de menigte der Ridders had vergaderd,
verwittigd van ’t gevaar door d’ algemeene schrik.
Driehonderd krijgeren zijn in een oogenblik
rondom den Vorst vergard, gereed het al te wagen.
’t Vertrouwen dat hun deugd de zege weg zal dragen,
leeft in zijn glinstrend oog, en geeft een nieuwen moed
aan ’t volk, dat hem alom met dankbre zegens groet.
   Dus waren wy de stad ter poort toe doorgetrokken
in stille statigheid, en stapten onverschrokken
den vijand in ’t gemoet, wiens ijdele overmacht
met brandend ongeduld met uur van strijden wacht.
Men schaart zich onverwijld. Van uit het heil der Mooren
doet zich aan alle kant het dreigend ALLAH hooren.
en davert door de lucht met steed vernieuwd geweld.
Wy naadren kalm en stil, tot midden op het veld
uw Eg aan ons hoofd, het oog ten hemel heffend,
zijn boezem lucht geeft in dees woorden, grootsch en treffend:
„O hemel, die het lot der menschlijkheid bestiert!
„het zij mijn degen in den kampstrijd zegeviert,
„het zij me een eerlijk graf op ’t slagveld is beschoren;
„getuig gy welk een drift my heden aan kon sporen,
„den slag te weeren dien een moeder my bereidt!
„’k Strijd voor mijn vaders eer, voor de onafhankelijkheid
„van ’t rijk, bevrijd door hem, door zijn gebied beveiligd.
„Ik heb aan hunne zaak mijn leven toegeheiligd,
„en ’k zal voor hunne zaak verwinnen of vergaan.”
Wy heffen op dees taal een kreet ten antwoord aan:
reeds woedt des veldheers zwaard op ’s vijands dichtste drommen
wy volgen hem! de vlam des oorlogs is ontglommen!
’t Gekletter van het staal, der krijgren woest gerucht,
het nederploffen der gewonden vult de lucht.
Wie maalt de stroomen bloed, die bruischen langs de velden?
Wie meldt de menigte der reeds gevallen helden?
De aanvallers dringen aan met leeuwenkracht. De Moor
biedt hun wanhopig wer, en gaat hun woede door!
Maar wat verduurt de kracht van Don Alfonsus degen?
Waar hy dien bliksem zwaait, staat hem geen vijand tegen;
en mogelijk had de Moor, voor zijnen arm beducht,
zich reeds beveiligd door een overhaaste vlucht!
Maar Trava en zijn G, die woedend op ons vielen,
en steeds vooruit zijn in het heetst des strijds, bezielen
hun bondgenooten met den haat, die in hen brandt!
Doch wat die woeste moed vermag, hun tegenstand
(geen twijfel!) zal wledra voor eedler moed bezwijken.
Toen ik het slagveld loet, zag ’k reeds allengs hen wijken!
Verwacht elk oogenblik de tijding van hun val,
Mevrouw! ik spoed naar ’t oord, dat dien getuigen zal!


DERDE TOONEEL

DONA MATHILDA, daarna DONA LEONORA.

MATHILDA.

O onverwachte troost, gy schenkt my ’t leven weder!
Voltooi dien zegepraal, o hemel, en verneder
den haat, die aan den rang van mijn Gemaal gehecht
de wreedste foltring schiep uit een zoo zaalgen echt!

   (Tot Leonora, die binnen treedt.)

Van op den torentrans heeft lang mijn oog gestaard
op ’t slagveld, dat eerlang ons noodlot moest bepalen!
’k Zag ’t zwaardgeflikker in den gloed der zonnestralen,
mijn oog vernam den krijg- en woede- en wanhoopkreet
der strijdren, die geen blijk my onderkennen deed,
in ’t wisselend gewoel der wapenen verzwolgen.
Zoo mocht mijn oog alleen den stand der legers volgen;
ik staar die bevend na: mijn hart richt naar den loop
der golvende banier zijn angsten en zijn hoop.
Lang stond de kans des krijgs: de Castiljaansche vanen
zag’ k beurtling deinzen voor ’t geweld der Lusitanen,
en beurrlings den grond herwinnen; als in ’t end
op een een voorval, me op dit uur nog onbekend,
het sijgend krijgsrumoer een tijd lang deed bedaren.
Aan beide kanten zag ’k het heir zich vreedzaam scharen:
de klank van ’t moordmetaal zweeg nsklaps in de lucht. -
n schrikkelijke kreet vernieuwt het woest gerucht.
De woede van de wraak schijnt thands den strijd te mengen,
het zwaard met heeter dorst des vijands bloed te plengen!
Maar toen ik tot u spoedde en van den toren week,
scheen ’t my de Saraceen, die reddeloos bezweek!

MATHILDA.

Wat heeft mijn bange ziel van uw verhaal te wachten?
Een enkel oogenblik mocht slechts mijn smart verzachten;
een enkel oogenblik stort me in nog wreder angst!

LEONORA.

Het uitstel tergt, Mevrouw, uw tedere verlangst!
Wat vreest gy, als de Moor voor de onzen is geweken?

 

MATHILDA.

Ach! ’t is ,ijn Gade licht, dien thands zijn Ridders wreken……

 

LEONORA.

Lorenzo nadert ons. Verban uw vrees, Mevrouw,
’k voorspel uit zijne komst het einde van uw rouw!


VIERDEN TOONEEL

DE VORIGEN, LORENZO.

LORENZO.

Mevrouw, de zege is ons! De Saracenen vluchten!
Geen overweldiging staat langer ons te duchten!
Uw Eg heeft den kop des dwingelands verplet!
Ons Portugal is vrij en Guimarans gered!

MATHILDA.

Alfonsus triomfeert! O vreugde zonder gade!
O zielverrukend blijk der hemelsch genade!
Spreek, bode van mijn heil, hoe is dut toegegaan?
Doe my een trouw verhaal des zegepraals verstaan!

LORENZO.

’t Is u bewust, Mevrouw, hoe de aanaval onzer Ridderen
bij d’ allereersten schok der Saraceen deed sidderen,
en hoe hy daadlijk reeds, verbaasd van zoo veel moed,
met onuitwischbre schand zijn stoutheid had geboet,
zoo Travaas woede niet zijn arm met zijn vertrouwen
gesterkt had, en zijn voet op ’t veld van eer werhouen.
Maar toen Alfonsus zwaard zijn krijgren wijd en zijd
ter ner velde en vervolgde, en de uitslag van de strijd
naby scheen met de vlucht van Travaas bondgenooten,
toen heeft de wanhoop hem n middel nog ontsloten,
de laatste poging van zijn moed en krijgsbeleid!
Zijn krijgren, in ’t gevecht te ver uit een verspreid,
vergart hy in n wenk tot dichtgesloten drommen,
en stelt zich aan het hoofd die machtige kolommen,
en rukt op de onzen aan met onverdeelde kracht.
Wy staan een oogenblik voor Travaas overmacht
verbaasd — Op ’s Vorsten spoor in nieuwe woede ontstoken,
heeft onze vuist weldra dit oogenblik gewroken!
Nu was der strijdren bloed van wezij’ felst ontgloeid,
nu was de strijd ten top van hevigheid gegroeid;
als op het onverwachtst, waar hy het schrikbaarst blaakte,
een treffender tooneel der krijgsrumoeren staakte,
en aller oogen op n punt gevestigd hield,
Don Egas, in ’t gevecht nog met het vuur bezield
der jeugd, en in ’t gewoel der dringendste gevaren
gereed om met zijn bloed zijn kweekling te bewaren,
had Travaas wakend oog getroffen. De oude haat,
waarme zijn snoode ziel de reinste deugd belaadt,
juicht dat zy in het eind Don Egas mag ontmoeten!
Hy vliegt, om in zijn bloed haar heete dorst te boeten,
en roept, eer dat de held dien aanval nog vermoedt,
hem woedend toe: „Versmoor, oproerige, in uw bloed,
„en klaag uw Hendrik ’t lot, aan wie hem eert, beschoren!”
De stem des dwingelands drong in Alfonsus ooren:
reeds is hy toegesneld, reeds is de slag geweerd,
en ’t zwaard, dat Egas dreigde, op uw Gemaal gekeerd.
Zijn hart ontbrandt in drift: „ Uw straf hoort my, verrader!”
dus galmt hy vurig uit: „Gy, schimmen van mijn Vader,
„te lang ontheiligd door zijn overmoed! Zijn val
„verzoen’ dit uur uwe asch en de eer van Portugal!”
Hy spreekt, en heeft met een den tweestrijd aangevangen,
van wiens beslissing ’t lot der legers af zal hangen,
Lang wiefelt de oorlogskans: lang vindt des wrekers hand
in ’s vijands grijs beleid hardnekkig tegenstand.
Nu waagt hy ’t uiterste, om ’t uiterste te trachten,
en tilt het zwaard om hoog, en zamelt al zijn krachten,
en klieft de koopren helm, en met hem ’s dwingelands kop!
De galm des zegekreets heft zich ten hemel op,
de kreet der woede van den vijand galmt hem tegen.
De wanhoop van den Moor is nu ten top gestegen.
Hy wil in blinden moed zich wreken en vergaan!
De trouwlooze Afgezant voert zelf hen op ons aan:
’t is vruchtloos: ’s vorsten staal heeft ras zijn borst doorstoten,
en alles is gedaan! Zijn woeste krijgsgenoten
verliezen met zijn dood hun redeloozen moed,
en vlieden over ’t veld, bedekt met stroomen bloed.
Uw Egas moeder zelf zoekt vruchteloos door te breken
om d’ echtgenoot, wiens lot zy pas vernam, te wreken:
de stroom der vluchtenden vervoert haar met geweld!
   De Ridders middlerwijl vergaderd op het veld,
bin hulden aan uw Gemaal voor zoo veel deugdbetooning:
de lucht herhaalt op eens hun kreten: LEEF DE KONING!
Het is die naam voortaan, waaronder Portugal
zijn redder en ’t geslacht zijns redders eeren zal!
De stad wergalmt dien naam, van blijdschap uitgelaten,
’t snelt alles samen door haar vrijgevochten straten,
om d’ aangebeden Vorst den eersten groet te bin.
Gy zult weldra, Mevrouw! hem in deze oorden zien.
Elke oogwenk toevens tergt zijn ongeduld!

   (Men hoort het gejuich der menigte van verre.)

                                                                         Hy nadert.
De kreet van ’t juichend volk rondom zijn schren vergaderd,
verkondigt ons den Vorst!


VIJFDE TOONEEL

DE VORIGEN, DON ALFONSUS, DON EGAS
Gevolg van Portugeesche Edellieden.

MATHILDA.

                                               Wees welkom aan mijn hart,
verwinnaar van ’t geweld, en temmer van mijn smart!
Des hemel elste gunst heeft u der min behoun.

ALFONSUS.

O zaligende stond, die me u wer deed aanschouwen!
die de aaklighen verdrijft der zorg dien u verteert!
gy ziet me in zegepraal als Koning wergekeerd;
maar weet hoe min die glans my kan gelukkig maken!
Het is slechts aan uw zij’, dat ik nog heil kan smaken!

MATHILDA,

Wat somberheid trekt uw gelauwerd voorhoofd saam?
Uw moeder?…… (ach! mijn mond noemt bevende dien naam!)-
Is Travaas gade u nog de bron der bangste zorgen?

ALFONSUS.

Wat heeft mijn hart voor u, mijn zielsvriendin, verborgen?
’k Ontveins niets voor het oog der liefde! Ja, dees stond
bestemt het lot van heel mijn leven, door den mond
dier moeder, zoo geducht! — Na dat zy met haar benden
in ’t eind genoodzaakt werd zich tot de vlucht te wenden
heeft ze in haar nederlaag, met d’ eigen moed bezield,
zich in een burcht verschanst, vervallen, helf vernield,
om met haar zwakken stoet verslagen oorlogslieden,
van alle hoop ontbloot, nog wederstand te bieden!
Ik deed haar onverwijld den vrijen aftocht bin -
en wacht elk oogenblik den zendling hier te zien.
Daar is hy-zelf! wat lot zal my zijn komst verkonden?


ZESDE TOONEEL

DE VORIGEN, DE SCHILKNAAP.

ALFONSUS.

Welnu!

DE SCHILDKNAAP.

             Ziedaar, mijn Vorst, het antwoord, u gezonden!

   (Alfonsus leest den brief, hem overgeven, met zichtbare ontroering.)

MATHILDA.

Hoe is zijn oog ontroerd!

EGAS.

                                             Hoe is mijn ziel begaan!

ALFONSUS.

Gerechte Hemel! ’t Is met alle hoop gedaan!
Verneemt, verneemt met my het vonnis van een moeder!
den laatsten slag van ’t lot, steeds op mijn hoofd verwoeder!
„De roover van mijn kroon, de moorder van mijn G,
„tot overmaat van smaad, biedt my nog lijfsgen!
„’k Verfoei den hoon dier gunst, en ga een rijk verlaten,
„dat ik van dezen stond, zoo fel als u, zal haten:
„maar baan my-zelf een weg, zoo ’t zijn moet, met mijn bloed!
„Mijn vloek, ziedaar uw straf, ziedaar mijn afscheidsgroet!”
Verpletterende wraak! werd daartoe dan mijn leven
gespaard? O! had me uw hand op ’t slagveld eer doen sneven,
mijn moeder, en uw haat getriomfeerd op ’t lijk
van uw rampzaalgen zoon!

MATHILDA.

                                               Ach! dat die wanhoop wijk’,
geliefde, voor de smart, die my ter dood zal voeren.
Hoe! kan mijn teederheid uw boezem niet ontroeren?
Is zy, die tot uw val geen gruwel heeft gespaard,
u meer dan ’t leven van eene echtgenoote waard?

EGAS.

Mijn Koning! uwe hand heeft voor de zaak gestreden
des hemels, en uw deugd een moeders vloek verbeden!
Geniet den roem der zege, en, schuldeloos, vergeet,
wat zich haar razernij nog tegen u vermeet!

ALFONSUS.

Neen, aangebeden vrouw! neen, edelste aller vrinden!
de wond van deze borst zal nooit verzachting vinden!
Het lot, wiens toorn ik lij’, vereeuwigt zich dees dag!
Ga, sterveling, leer van my wat al de glans vermag
van rang en grootheid! Op den koningstroon gezeten,
is ’s overwinnaars borst van rouw van een gereten,
en rein van hart en hand draagt hy des booswichts straf!
OO henmel! ’k onderwerp me, aan wat uw gramschap gaf!
Ik weet het, ook de deugd kan hier rampzalig wezen!
Uw liefde spaart ook haar een heil meer uitgelezen!
Maar ach! vehoor de be die hier mijn boezem stort!
Indien een moeders vloek door u gehandhaafd wordt,
behoed, na zoo veel smart, mijn aangebeden Gade!
behoed mijn Portugal, bevrijd door Uw genade!
’k stond jaren droefheid door, met beiden lotgemeen;
maar treff’ dees laatste slag Alfonsus hoofd alleen.


Slot van ’ALFONSUS DE EERSTE’


Inhoud ’Alfonsus de Eerste’
Vierde Bedrijf


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden op: 11 januari 1997