ISAC DA COSTA (1798-1860)

 

DE PERZEN (1816)

 

ZESDE TOONEEL

DE SCHIM VAN DARIUS, DE REI, ATOSSA

DE SCHIM.

Getrouwe grijzaartsrij en steunsels van dit rijk,
my, in der jaren bloei, in ouderdom gelijk!
Wat onverwachte ramp heeft u dus overvallen?
Van waar dit naar gekerm in Suzes dierbre wallen?
Wat jammren trof mijn oog in ’t stil verblijf der dood?
Ik nam het offer aan, dat my mijn gade bood,
en rees, gedrongen door uw sombere gezangen.
De hel ontsluit zich licht om hoopen don te ontfangen,
maar laat geen uitgang vrij aan d’ eens verzwolgen buit:
my echter liet haar Vorst, mijn rang vereerend, uit
en ’k vloog, om in den rouw die u verteert, te deelen.
Gy, spreekt, en wilt my niets van wat u trof verbeelden.

DE REI.

   Op dees ontzachlijken stond
staar ’k roer- en spraakloos op den grond;
   de stem besterft my in den mond.

DE SCHIM.

In het koel verblijf der schimmen werd mijn rust door u gestoord.
’k Hoorde uw bede, en schrijlings spoedde ik naar dit onvergeetbaaroord.
En nu draalt ge en blijft beweegloos, ach, verdrijft dien ijdlenschrik!
’k Toef niet lang, de tijd is kostbaar, maak gebruik van t oogenblik.

DE REI.

   ’k Tracht vruchteloos mijn vrees te smoren,
ik zal u jammeren doen hooren,
   die heel dit volk het hart doorboren.

DE SCHIM.

Heerscht die vrees zoo onverwinbaar in dees eerbiedwaarde rij,
dierbre vrouw, eens deelgenote van mijn sponde, meld dan gy
wat dit zuchten, wat dit snikken, in ons Suze deed ontstaan?
Wees bedaard; gy weet, geen sterveling kan des noodlots wilt ontgaan:
tegen hem spant de aarde zamen met den hemel, met de zee,
om zijn leven te verbittren door onafgebroken wee.

ATOSSA

gelukkigste der vorsten toen gy ’t levenslicht genoot!
Hoogstgelukkig in de welvaart van het rijk dat gy geboodt,
dat uw troon vereerde en aanbad als den zetel van een God!
Ik benij uw zalig sterven. Ja, het eigen zeegnend lot
sloot uw oogen voor de rampen die ons thans ter nederslaan.
Slechts n woord omvat al ’t onheil: ’T IS MET PERZI GEDAAN.

DE SCHIM.

Wat geluid verascht mijn ooren? Viel dit bloeiend gewest
door het oproer onzer volken of door d’ adem van de pest?

ATOSSA.

Neen! ons leger werd verpletterd voor de muren van Atheen.

DE SCHIM.

Onder wien van onze telgen trok het Perzisch heir daar heen?

ATOSSA.

Onder Xerxes, heet op krijgsroem. ’ Gansche volk vloog met hem me.

DE SCHIM.

Toog ’t te land naar ’s vijands steden, of op de ongetrouwe zee?

ATOSSA.

’t Had zich tot een heir vergaderd, en een sterke vloot bemand.

DE SCHIM.

En hoe toog het voetvolk over naar het vijandelijk land?

ATOSSA.

Hellaas engte werd gesloten door een breede schepenrij.

DE SCHIM.

En de zee, voor Xerxes zwichtend, liet hem dan den doortocht vrij?

ATOSSA.

Ja: een Godheid was het, zeker, die hem bystond met zijn raad.

DE SCHIM.

Ja, een helsche Godheid bracht hem tot die roekelooze daad.

ATOSSA.

De uitkomst leerde ’t,welk een onheil deze poging baren zou.

DE SCHIM.

Wat was de oorzaak van die rampen, die u domplen in rouw?

ATOSSA.

Onze vloot, uit een geslagen, sleepte ’t landvolk in zijn val.

DE SCHIM.

Zoo verging dan ’t Perzisch krijgsvolk in dien strijd geheel en al?

ATOSSA.

Tuig’ dit Suzes doffe rouwkreet en haar leggestorven vest!

DE SCHIM.

Onze roem is dan verloren met den steun van dit gewest?

ATOSSA.

Bactri verloor de hoop zelfs van het volgende geslacht.

DE SCHIM.

O mijn Xerxes! welke krijg’ren heeft uw waan ter dood gebracht?

ATOSSA.

Hy ontkwam (zoo zegt men)’t onheil, van een zwakken stoet verzeld

DE SCHIM.

En wat middel voert hem weder in dit land waarnaar hy snelt?

ATOSSA.

Hy bereikte reeds ’t gevaarte dat Euroop aan ons verbindt;
’t lijdt geen twijfel dat hy thans reeds zich in veiligheid bevindt.

DE SCHIM.

Heil’ge orakels van de Goden! in mijn zoon werdt gy volbracht.
Op zijn schedel borst hun gramschap. Aan een later nageslacht
hoopte ’t zorgelijk vaderharte dat die straf beschoren was; -
maar wie ’t wraakvuur tergt des hemels, slaat de bliksem dra tot asch.
Wat onperkbren vloed van plagen heeft uw onbezonnen hand,
o mijn Xerxes! doen ontspringen voor dit aangebeden land!
Ach! de moed van ’t jeugdig harte had u ’t heldere verstand
met een duistre wolk omneveld, toen ge een gruwelijken band
om de Hellespontsche golven, als hun meester, durfde slaan.
Toen ge een’ God waagde aan te randen in zijn mooit verstoorbrebaan,
en de vlakte aan zijn waatren dekte met een kielenrij
waar uw leger over heen toog naar den grond van de overzij,
al den Goden in Neptunus tot een nooit verzoenbren smaad.
Licht misleide! neen, gy zaagt niet, dat de rijkdom van uw Staat
binnen kort ten prooi kon liggen aan uitheemsche plonderzucht.

ATOSSA.

Haatlijk ras van laffe vleiers! al die rampen zijn de vrucht
van de heerschzucht die uw omgang in mijn Xerxes wortlen deed,
toen uw mond in ’s vaders lofspraak hem zijn werkeloosheid verweet,
hem de vrede leerde haten, en, de hand aan ’t oorlogszwaar
dag aan dag den schat vermeerdren dien mijn eg had vergard.
Gy zijt de oorzaak van zijn dwaasheid, gy zijt de oorzaak van dien tocht,
die den val van onze grootheid in des legers nerlaag wrocht!

DE SCHIM.

Zoo is dit grootsch ontwerp met schand ten eind gebracht!
Een schrikbaar voorbeeld tot voor ’t verste nageslacht,
eens noodlots. als nog nooit op Suzes burgren woedde,
sints de Opperste der Gon der volken macht en hoede
den deugden van n’ Vorst vertrouwde. ’t Was een Meed
die ’t eerst dees streken voor zijn scepter knielen deed:
zijn kroost, zijn edel kroost, dien vader waard in wijsheid,
verving in ’t rijksgebied zijn afgeleefde grijsheid,
en sterkte dag aan dag den vaderlijken troon.
Hem volgde Cyrus op, de liev’ling van de Gon,
wien ’s helden deugd behaagde en hartelijke beden.
Dees deed door krijgsbeleid de rondgelegen steden
de macht erkennen van zijn onafweerbaar staal,
maar schonk zijn volk de vrucht van zege- op zegepraal,
een duurzaam vredeheil. Naauw meester van dees staten,
verloor zijn zoon het licht. ’t Rijk werd ten prooi gelaten
aan de eerzucht van een Maag, wiens schaamtelooze voet
den troon betreden dorst van dit doorluchtig bloed,
tot Artaphernes en zijn moedige eedgenoten
(door loosheid of geweld) des dwinglands val besloten.
Zoo schonk my ’t gunstigst lot de koninklijke kroon
en zegen aan mijn volk, ik-zelf, ’k was me gewoon
aan ’t hoofd te strijden van mijn dappre legerbenden,
maar nooit, door zucht naar roem de rust van ’t land te schenden.
Mijn zoon vergat de les die ik hem stervend gaf,
en stichtte uw onheil. Neen, nooit dreigde zulk een straf,
(gy weet het, dierbren, wien een vroeger eeuw zag bloeien)
wat vorst den troon bezat , de Perzen uit te roeien.

DE REI.

Ach! meld veeleer wat raad ’t geledene vergoedt,
of ’t kwaad kan stuiten dat zoo ijslijk op ons woedt.
Wat baat het, of uw taal ons, felbezorgden grijzen,
de deugd der vaadren op dit uur poogt aan te wijzen?

DE SCHIM.

Geen Pers stoor immer met een Godverwaten arm
de rust van Griekenland door ’t staal, al hadt ge een zwerm
van stijdren, grooter nog dan ’t leger waar we om klagen.
Hun grond zelf is in staat den vijand te verjagen.

DE REI.

Hoe! de onbezielde grond biedt onzen krijgren weer?

DE SCHIM.

Die ’t zwaard ontvluchten mocht, valt van gebrek ter ner.

DE REI.

Nog is ons, voor het minst, n leger bijgebleven.

DE SCHIM.

Helaas! dit derft weldra op d’ eigen grond het leven.

DE REI.

Heeft ons de zaalge hoop bedrogen, dat het me
te rug toog over ’t nat van Hellaas enge zee?

DE SCHIM.

Slechts weinig zal de ro van ’t straffend noodlot sparen.
’t Orakel spelde ’t my, wiens echtheid wy ontwaren
in ’t onheil dat ons drukt. Verblind door wanhoop ,liet
mijn zoon dat leger na in ’t vijandelijk gebied,
daar, waar Azopus vloed zijn beroerde wateren
in ’t rijk Beti door hem bevrucht, doet klateren.
Daar opent zich voor hen een onvermijdlijk graf;
hun dolle plonderzucht tot een gerechte straf,
wier hand zich niet ontzag de Godgewijde altaren
en ’t beeld der Goden in hun woede niet te sparen.
Maar heel den tempelraad te rooven, en in ’t end
de heil’ge tempels zelf, door hen alleen miskend,
ten offer aan de vlam te geven. Ja, de Goden,
door zulk een hoon getergd, verpletteren die snoden
met ner- op nerlaag. Want nog hangt een zwangre wolk
het overschot op ’t hoofd. Een ijsselijke kolk
van bloed breekt op den dag der Dorische geweeren
Plataans vlakten uit. Het nageslacht zal leeren.
wanneer ’t den moord verneemt van dien verschrikbren dag,
dat zich geen sterveling zoo stout verheffen mag.
Der menschen trotschheid maait een oogst van bloed en tranen
voor alles wat zy zaaide.o! Laat de Perzianen,
Atheen en ;t gansch tooneel van de ondergane schand’
gedachtig, nimmer wer den bloei van ’t vaderland
voor ’t lokkend uitzicht op veroveringen wagen.
Er leeft een Jupiter, die hovaardij verlagen
en ’t kwaad, door haar gesticht, ten goede keeren kan.
En nu, dat Xerxes naakt geliefde rei! verban
den hoogmeod uit zijn hart, die menschen tergt en Goden:
zijn afgematte geest heeft wijzen raad van nooden.
Gy, teedre en dierbre G! breng uw bedroefden zoon
een kleeding naar zijn rang. Door d’ onverduurbren hoon,
die al zijn hoop verwoest, in ’t harte diep gebeten,
heeft hy het vorstlijk kleed uit rouw van een gereten.
Nu hangt het achteloos aan flarden on zijn lijf.
Voor alles, dat uw stem die woeste drift verdrijv’.
Door haar slechts kan de rust in Xerxes borst wer dalen.
Vaart wel: ik keer te rug in Plutoos sombre zalen.
Gy, dat die felle ramp u njet in wanhoop stort’!
Geniet van dag tot dag dien levenstijd zoo kort,
waarin ge op ’s noodlots gunst u nimmer kunt verlaten:
in ’t rijk der dooden zal geen rijkdom meer u baten!


INHOUD „De Perzen”

Vijfde tooneel

Zevende tooneel


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden op: 2 januari 1997