ISAńC DA COSTA (1798-1860)

 

DE PERZEN (1816)

 

NEGENDE TOONEEL

XERXES, DE REI.

XERXES.

Wee my! wee my! ’k heb u verloren,
geliefde hoop van beter tijd!
Gy die my ’t grievendst leed, o noodlot! hadt beschoren,
ik zie te welm, dat ge onverbidlijk zijt.
Mijn afgematte knieŽn trillen,
en wat mijn jagende angst moest stillen,
’t herzien van dit paleis beknelt mijn hart nog meer.
O, waartoe moest naast mijn verpletterd heir,
Jupiter! uw bliksem my slechts sparen?

DE REI.

Der Perzen bloem,
der Perzen roem
is heengevaren.
Dees kermende aarde vraagt haar eer.
zy vraagt haar spruiten weÍr.
die gy, o Vorst met Pluto za‚mverbonden
gaaft weg te maaien aan den dood.
Ook Ektbataan ziet zich geschonden
door ’t jammerlijk verlies der helden uit haar schoot
vergeefs beroemd door leeuwen moed en krachten.

XERXES

Helaas! wat stof tot eindeloooze klachten!

DE REI.

Vorst van dit eenmaal machtig rijk!
Zie ’t thands verneÍrd, vertrapt in ’t slijk.

XERXES.

En ’t heeft aan my zijn val te danken
   My, wien dees grond het leven gaf,
   zich zelv’ en mijn geslacht ter straf!

DE REI.

Wy bieden u slechts jammerklachten
   en tranen aan voor welkomstgroet:
heft onze stem zich tot de wolken,
wy vieren de uitvaart uwer volken,
   waar ons ’t geteisterd hart van bloedt.

XERXES.

Ja, heft een luiden kreet naar boven!
   Hy dringe my door ’t rouwend hart!
Zoo ’k my van alles zag berooven.
   uw zang vernieuwe in my de smart!

DE REI.

Gy zult, gy zult een doffen rouwzang hooren
   Wy zijn gereed
te melden wat gy hebt verloren,
   en al ons leed:
en hoe de God van krijg en zegen
in vreemde lucht des vijands degen
   deed zamenspannen met de zee
   om ons te domplene in wee.

XERXES.

Mijn vrienden! houdt niet op te klagen!
Gy moogt my vrij naar als onheil vragen.

DE REI.

   Waar bleef, waar bleef uw trouwste raad,
   Alpist, de steun van dezen Staat,
   die fiere krijgsman die in de aderen
’t bloed onverbasterd draagt van zijn doorluchte vaderen,
die met zijn duiszenden uw krijgstocht heeft verzeld?
   Ligt hy daar meÍ op ’t bloedig veld,
   den vijand tot een zegeteeken?
   Waar bleven Psammis, Datames,
   en Suzas en Pharandaces?
   Waar al de grooten deze streken?
Waar bleef Susiscanes, de roem van Ekbataan?

XERXES.

   Die zijn vergaan! die zijn vergaan!
Ik zag hun menigte op de rotsen
   van Salamis zieltogend botsen
en sterven op dat strand, geverwd van Perzisch bloed.
   Is ook Artembares gebleven?
Pharnuchus, door ontembren moed,
   Sebalces, door zijn rang verheven?
Masistras, Memphis, Tharubis.
   en de uit een vorstenstam gesproten
Lilťus? Treft ook hun gemis
   u by den dood van zoo veel andre Grooten?

XERXES.

Wat reeks van helden voert uw taaal my voor den geest?
   Helaas! ook dezen zijn geweest.
Het oog gewend naar die gehatemuren,
waar al ons onheil uit ontsproot,
   zijn zy gedood.
   Ik kan het denkbeeld niet verduren,
het hart krimpt me in, mijn gantsche lichaam beeft,
terwijl de stem my in den gorgel kleeft.

DE REI.

En Xanthes, de overste der onverschrokken Marden?
   En die, van krijgen onverzaad,
zich tegen moeilijkheÍn en lijfsgevaar verhardden,
   de ruitrenhoofden, Cigdabaat,
Lithymnas, Arsaces? Zaagt ge ook die helden vallen?

XERXES.

   Met mijn ontelbre duizendtallen
   zijn zy door ’t eigen lot verrast.
   Ach! al die uitgelezen braven
   zijn onder bergen doŰn begraven,
van ’t eerbewijs beroofd, dat zulke helden past.

DE REI.

Rampzalige offers van den toorn der hemelingen!
   Uw neÍrlaag stort ons allen neÍr.
    Van enkel ramp zien we ons omringen;
daar is voor ons geen redding meer
Met de allerijsselijkste plagen
heeft ons des noodlots hand geslagen:
en, laat zijn woeden eindelijk af,
’t is onmacht om nog grooter straf
by wat wy lijden uit te denken.
Wanhopig vlieken wu den dag,
die onzen roem, die al ons heil moest krenken,
en voor de Grieksche vloot denPers verzinken zag.

XERXES.

   O welk een heir heb ik verloren!
   Wat diepe val was my beschoren
   en heel dit uitgestrekt gebied!
   Van al de pracht waarmeÍ ’k mijn scharen
   ten verren oorlog deed verga‚ren
in deze pijlbus ’t al,wat my de hemel liet.
   herinnert my de harde rampen,
   waarmeÍ gy allen hebt te kampen,
en die gy wijten kunt aan uw misleiden Vorst.
   Kweekt, kweekt de wroeging in mij borst!
   Laat sombre rouw- en zoengezangen
hier uit uw mond mijn wanhoopkreet vervangen!

DE REI. — EERSTE KEER.

Herinnering aan beter tijden!
   Hoe foltert gy d’ ontstelden geest!
Te midden van het vreedste lijden
   gevoel ik wat wy zijn geweest.
Ik kan het denkbeeld niet verjagen
   dat onophoudelijk om my zweeft:
de welvaart die mijn oogen zagen,
   en die ’k helaas! heb overleefd.

EERSTE TEGENKEER.

Tot aan het blaauw der hemelstreken
   Reikte onzer Perzen oppermacht:
door Godenhulp en ’t zorglijk kweken
   van eedle Vorsten op gebracht.
Haar breede takken hingen over
   op heel dit aangebeden land,
en onder schaduw vanhun lover
   was ’t hoogst geluk in onzen band.

TWEEDE KEER.

Houd thands, o Pers! het hoofd gebogen,
   uw eens zoo fier gedragen hoofd.
De gunst der Goden is vervlogen:
   uw eer, uw bloem is u ontroofd.
Wat zoudt ge. droeven, thans nog pralen?
   met een u ongetrouwen Vorst,
die voor een ijdel roembehalen
   uw gantsche welzijn wagen dorst?

TWEEDE TEGENKEER.

Vraag, kinderes, moeders, echtgenooten!
   aan uw te diep verneÍrden heer
uw dappre vaders en uw loten,
   uw jeugdige ega‚s nimmer weÍr,
Zy rusten in den schoot der zeeŽn
   of in ’t met bloed gedrenkte zand,
en zijn bevrijd van al de weeŽn
   van hun rampzalig vaderland.

DERDE KEER.

Trekt, Grieken! onze muren binnen
   gy, gunstelingen van het lot,
die onze krijgren mocht verwinnen!
   verplet hen treurig overschot!
Wat staat ons thands niet nog te wachten,
   na ’t geen dees dag ons heeft verkond?
Wat hoop nog kan ons leed verzachten?
   Wat, balsem storten in de wond?

DERDE TEGENKEER.

Gy, die in tempels en altaren
   gehoond door krijgsmansovermoed,
uw wreekte in ’t bloed van onze scharen!
   is nog die schennis niet geboet?
Of zijn wy zelve te misdadig.
   en is voor ons geen deernis meer?
Voor ’t minst, o Goden! ziet genadig
   op onze onoozle telgen neÍr.

XERXES.

Wat Godheid geeft my ooit mijn dierbaar lager weÍr?

SLOTZANG.

Staak, o Vorst, het nutloos kweken
   van uw tomeloze drift:
wil veeleer den Hemel smeken
   met gebeÍn en offergift!
Laat ons onheil dit u leeren,
   u en ’t laatste nageslacht:
Wie een Godheid durft trotseeren
   wordt ten wissen val gebracht!


INHOUD „De Perzen”

Achtste tooneel


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden op: 2 januari 1997