ISAC DA COSTA (1798-1860)

 

PROMETHEUS (1819)

ZESDE TOONEEL

PROMETHEUS, I, DE REI.


I.

Waar ben ik, wat geslacht van menschen voedt dees grond?
Wat zie ik? aan den top van deze bergen
een godheid vastgesnoerd? Wat schrikbaar vonnis bond
hem aan dit foltertuig?

       (Tot Prometheus.)

                                   Mag ’k u een antwoord vergen,
o! zeg my, waar my ’t lot gebracht heeft op dees stond?
Helaas! hoe wreed is ’t nog op my verbolgen!
Hoe rustloos voel ik, my vervolgen
dioor ’t duizendoogig spook, dat leefde voor mijn straf,
en dat, vergeefs verzwolgen in het graf,
my nog van killen schrik de wereld door doet zwerven!
Laat my in ’t eind, o goden, rust verwerven!
Ik val van angst, ’k vanl van vermoeinis ner!
De poorten van de hel heroopnen zich, en geven
de schim van Argus1 de aarde wer!
Ik zie het monster om my zweven,
het volgt my waar ik std, ’t bewaakt op nieuw mijn schren……
nog ruischt de toon der rietpijp door mijn zinnen,
die eens vermogend was den woestaart te overwinnen,
maar machtloos thands! — Waar, waar voert gy my heen
oo Jupiter? Van waar die reeks van plagen
op my, die ach! uw deernis slechts verdien?
Moet eerst de laatste van mijn dagen
het einde dezer foltring zien?
Of zoo ik misdan heb te boeten,
zoo splijte de aarde voor mijn voeten,
of zij my de afgrond van de zeen tot een graf!
Uw bliksem moge mij verpletten!
De doodwond zal alleen my van mijn leed ontzetten!
’k Ben afgefolterd, ’k zal.bezwijken in mijn straf!
Bespoedig slechts het uur, bespoedig ’t op mijn smeken!

DE REI.

Hoort ge uit het hart der maagd den kreet der wanhoop breken?

PROMETHEUS.

Ik hoor den kreet der maagd, vervolgd door Junoos2 haat,
eens door Jupyn geliefd, thand door Jupyn versmaad.
Het kroost van Inachus treedt tot ons, mo van ’t zwerven,
en ’t hijgen naar een rust, die zy te lang moest derven.

I

Wie noemt mijn vader in dit oord? -
O! onderrichte my een woord,
n woord slechts, wie gy zijt, en waar my ’t noodlot voerde?
Wie zijt ge, gy wiens stem mijn ziel zoo diep ontroerde?
Die, ongelukkig zoo als ik,
mijn naam, mijn afkomst toont te weten,
en de oorzaak van dien helschen schrik,
waar Ios geest zoo wreed van is bezeten? -
Wie is er, buiten my, die dus, die schuldloos lijdt?
Gy ziet het offer van den dolsten minnennijd!
O gy, dien alles my een hemeltelg doet denken!
kunt ge Inacus wnahopig kroost
een enkel oogenblik van troost,
een enklen straal van licht omtrent haar toekomst schenken?

PROMETHEUS.

Vraagt gy my, wie ik ben? ’k verheel mijn naam u niet,
verbonden als wy zijn door eenerlei verdriet!
Gy ziet Prometheus hier, den vriend der stervelingen!

I.

Prometheus? En wie dorst u in dees ketens wringen?

PROMETHEUS.

De handen van Vulcaan, het vonnis van Jupyn.

I.

En welk een gruwelstuk kon hiervan de oorzaak zijn?

PROMETHEUS.

Ik meldde u de oorzaak reeds: mijn weldn aan de menschen.

I.

Voldoen nog met een woord den billijksten der wenschen!
Hoe lang nog zwerve ik rond ten prooi aan ’t eigen leed?

PROMETHEUS.

Ach! zwijge ik hier van eer! Wat baat u dat ge ’t weet?

I.

Verberg, verberg my niets, wat lot me ook zij beschoren.

PROMETHEUS.

Wat ik u melden zou, zoudt gy met wanhoop hooren!

I.

’t Is zulk een wijsheid niet, wier weldaad ik behoef.

PROMETHEUS.

Wel nu dan! ’t is uw wil; ik zal spreken.

DE REI.

                                                                   O vertoef
een wijl! ’k Voel Ios klacht geheel mijn borst doordringen!
Ach! mochten wy den loop dier lotsverwisselingen,
wier storm haar voor ons voert, vernemen uit haar mond,
voor dat uw godspraak hier des hemels wil verkond’.

PROMETHEUS.

Ontvouw ons, droeve Nimf! door wat gebeurtenissen
gy ’t vaderlijk gebied sints reeds zoo lang moet missen?
Gy hebt de zusteren van Inachus gehoord!
Verstoot haar bede niet, zy sproot uit deernis voort.
Een deernistraan geeft lucht aan ’t tergevoelig harte:
’t verwekken van dien traan verlicht de zwaarste smarte!

I.

’k Gevoel in my geen kracht uw reednen te weerstaan;
’t verhaal dat gy my vergt vang ’k zonder dralen aan.
Maar ach! mijn voorhoofd wordt van droefheid overtogen
en schaamte, dat ik dus my toone voor uw oogen;
en ’k bloos, schoon schuldeloos, om ’t geen my zoo ver bracht.
De kindschheid pas ontgroeid, ontwaarde ik nacht op nacht
een wondre, zachte stem, dus fluistrende in mijn ooren:
„Gelukkige, waartoe het heillot u beschoren
„ontweken? Jupiter verlangt u tot zijn bruid!
„Hy brandt van min voor u; gy, I, vlied van uit
„uws vaders watergrot naar Lernaas breede weiden!
„De koning van d’ Olymp zal daar uw komst verbeiden.”
’k Bepeinsde heel den dag het wonder van den nacht,
onzeekrer ieder stond, hoe meer ik ’t overdacht.
Was ik door de ijdelheid eens vluggen drooms bedrogen?
of daalde wezenlijk een stem van uit den hoogen,
den wil verkondigend van Jupiter? In ’t end
maakte ik mijn droeven staat aan Inachus bekend.
De grijzaart hoorde en schrikte. Een menigte van boden
verspreidde zich alom om ’t antwoord van de goden
uit Pythoos heiligdom en ’t Dodoneesche bosch
te lokken. Doch vergeefs. De taal des zonnegods
bleek duister en verward, en de eikenboomen zwegen; -
tot we eindelijk op eens ’t verplettrend antwoord kregen,
dat ons geslacht de bliksem van Jupyn
verdelgen zou, zoo ’k nog mocht wederspannig zijn;
en dat zijn hooge wil reeds voorlang had besloten,
dat my mijn vader uit zijn armen moest verstoten
en nimmer werzien mocht. Wanhopig schijden wy,
rampzalige offers van de scherpste dwinglandij.
Doch onderwerping zelfs mocht I niet meer baten!
Ik had den grijzaart naauw en zijn verblijf verlaten,
of ’k zag my dus misvormd! Mijn voorhoofd, eens zoo fier
op d’ eerbren maagdenblos, verlaagt my tot het dier.
Maar weinig nog: gezweept door angsten zonder voorbeeld,
zag ’k, Lerna in het eind genaderd, mij veroordeeld,
eens herders wenk te ontzien, die ’t honderdvoudig oog
steeds wakende op my richtte, en last had van omhoog
mijn schreden g te slaan, en me op ’t wreedaardigst kwelde.
’k Weet niet wat keer van ’t lot dat gruwzaam monster velde.
Hy viel. Maar ’t helsche beeld leeft in mijn zwak gemoed,
en spreidt me een nieuwen schrik door ’t fel verhitte bloed.
Zoo vluchte ik voor my-zelf wanhopig over de aarde,
en zoek vergeefs den dood. — welaan, ik openbaarde
u de oorzaak en den loop van mijn hardnekkig leed;
ontvouw my ’t oovrig thands, zeg moedig ’t geen gy weet.
Ik smeek, verbloem my niets uit ijdel mededogen:
ik vrees niets ergers thands, dan dat ’k dus werd bedrogen!

DE REI.

O dag van nooit beproefde smart!
hoe wordt op ieder stond mijn hart
door slag op slag van een gereten!
’k Zie goden uit hun rang in d’ afgrond nergesmeten:
ik zie de onnoozelheid verdrukt
en onder jammeren gebukt.
waar ’k nooit me een denkbeeld van kon maken!
Hoe wenschte ik, ach! Prometheus boei te slaken!
Hoe meng ’k mijn tranen aan uw klacht,
O I! Dat voor ’t minst mijn rouw uw smart verzacht’!

PROMETHEUS.

Gy treurt om haar verhaal. gy zult nog bittrer treuren,
wanneer gy weten zult het geen nog moet gebeuren!

DE REI.

Zoo spreek! wy luistren. Deel haar een uitzicht me
op ’t end, hoe ver nog af, van haar onlijdlijk wee!

PROMETHEUS.

Uw ongeduld heeft thands geen uitstel meer te wachten.
Gy, I, geef gehoor, en wapen u met krachten!
Gy zult van my verstaan hoe en tot welk een tijd
gy ’t offer nog moet zijn van min en minnenijd!
Het Oosten roept u ’t eerst. gy zult uw schreden wenden
naar ’t woeste Scythi, wier onbeschaafde benden
geen vaste haardsten, maar slechts tenten, met hen rond
gedragen kennen, en verplaatst op ieder stond.
Zoek geen gastvrijheid daar, maar schuw hen na te komen.
Trek door dit aaklig oord in allerijl, de stroomen
der zee langs, die ’t bespeolt, tot aan Hybrites vloed.
Treed daar den oever op, tot waar die stroom den voet
des Causcasus ontspringt, die de aarde met de kimmen
tot n te voegen schijnt. Gy moet dien overklimmen,
en keeren u naar ’t Zuid. Hier wordt door de Amazoon
naby Thermodons vloed u teedre hulp gebon,
en de enge zee getoond, die gy moet overvaren,
en die aan ’t nageslacht de erinn’ring zal bewaren
dat gy door dezen weg het andre werelddeel
bereiktet! — Gy verschrikt, ’t geen ’k spel schijnt u te veel!
Onnoozle, kent Jupyn of deernis of genade?
Om u versmaadde hy in dartle lust zijn gade;
maar om dier liefde wil u hulp of troost te bin……
wacht dit van hem niet, die gewoon is niets te ontzien!

I.

O goden!

PROMETHEUS.

                  Io, moed! en wil die wanhoop smoren!
Gy eischtet dat ik sprak. Gy hebt nog meer te hooren.

DE REI.

Helaas! is nog de maat dier rampen niet vervuld?

PROMETHEUS.

Niet vr het tijdstip, dat gy straks vernemen zult.
Gy, goden, die my haat! ach! ware ik nooit geboren,
of in de wieg gesmoord! Maar neen! ’t was mij beschoren
te leven tot een spel van uwe heerschappij!
Doch, ik, ik-zelf, wat draal ’k? Waartoe niet zelve my
ter ner geslingerd van dees rotsen tegen de aarde,
en ’t lot te leur gesteld, dat my uw wreedheid spaarde?
……………………

PROMETHEUS.

Hoe dus vervreemd van geest? Wat zwakheid spoort u aan,
het op u rustend leed door zulk een stap te ontgaan?
Wat zoudt gy, die u dus door wanhoop laat vervoeren,
indien ge u, zoo als ik, aan ketens vast zaagt snoeren,
waarvan geen dood my redt, die eeuwig leven meot,
ja, eeuwig lijden, zoo my ’s dwinglands val niet hoedt?

I.

Zijn val? Wie waagde ’t ooit hem naar de kroon te steken?

PROMETHEUS.

’k Voorspel, ik zie den tijd, die u en my zal wreken.

I.

Wie rukt de koningstaf uit een zoo forsche hand?

PROMETHEUS.

Zijn eigen roekloosheid, een dwaze huwlijksband.

I.

Heeft hy de gade dan, die hy zich koos, te vreezen?

PROMETHEUS.

Zijn eigen kroost zal eens de schrik zijns vaders wezen,
zoo hy mijn boei niet slaakt, en dus zich-zelf behoedt.

I.

Wie anders brak dien los?

PROMETHEUS.

                                         Een held van uit uw bloed.

I.

Is ’t mooglijk? Van mijn kroost hebt gy uw heil te wachten.

PROMETHEUS.

Van ’t kroost uit uwen schoot na dertien nageslachten.

I.

’t Is duister voor mijn geest, wat wy uw mond voorspelt.

PROMETHEUS.

Welaan! u zij de keus, wat wenscht gy dat ik meld’,
of d’ afloop van uw reis, of d’ afloop van mijn plagen?

DE REI.

Ontzeg ons niet, kan ’t zijn van beiden te gewagen!
haar hebt ge ’t beloofd, vergun aan onze be
het ander: n gevoel treft ons om beider wee!

PROMETHEUS.

Gy, wie uw deernis noopt den balling niet te laten,
hoe wreed hem ’t lot vervolgt, hoe fel de gon hem haten,
wat zoude ik ooit uw be ontsproten uit een zucht
van weldoen, afslaan? neen! En gy, schep eindlijk lucht,
beklagenswaarde maagd! wy zijn aan ’t eind gekomen
der rampen, die uw jeugd, uw onschuld overstroomen.
Ik meldde u langs wat weg gy uit dit werelddeel
’t naburig Azi zult intren, een tooneel
van nieuwen schrik. Hier hebt ge Phorcys kroost te mijden,
wien beide zon en maan ’t weldadig licht benijden,
het menschdom hatend, en van wederzij verfoeid
door al wat sterflijk is. Een nest van slangen broeit
op ’t hoofd wiens aanschijn moordt. Wacht,wacht u haar te naderen!
Vermijd de reuzen ook die ’t oevergoud vergaderen
der Arimaspias.. Met n oog uitgerust
amt hun misvormd gelaat de moord- en plonderlust.
Gy, waan geen vreemdlingrecht by deze monsters heilig!
Nu opent zich voor u een landstreek meerder veilig.
U buigt de Egyptenaar zijn schedel, zwart geblaakt
door ’t zonvuur, waar geen wolk een frisschen droppel slaakt.
Heil, heil u, wen de Nyl zijn zegenende golven
zal rollen voor uw oog! Het lot, zoo lang verbolgen
bevredigt zich; de grond, waarop gy d’ eersten troost
erlangt, is uw gebied, is ’t erfdeel van uw kroost!
Ziedaar hetgeen me ’t lot veroorlooft u te ontdekken:
en moog’ die godspraak u een nieuwen moed verwekken!
Of twyfelt gy, en heeft mijn taal nog duisterheid?
Spreek! waar ik helpen kan, vindt me I steeds bereid.

DE REI.

Heb dank, doch duld met een dat wy nog meer verwachten!

PROMETHEUS.

Van ’t geen ’k heb toegezegd, kunt gy u zeker achten.
O telg van Inachus3! ten teeken dat mijn mond
hier ’t echte vonnis van het strenge lot verkondt,
zal u mijn kennis zijn van reeds vervlogen tijden,
’k Zal hier heel d’ omvang niet van uw langdurig lijden
herhalen! Dat ge slechts het uur herinn’ren mocht,
toen gy Thesproti en Dodones bosch4 bezocht!
Gy zaagt, terwijl gy vloodt, de godgeheiligde eiken
hun takken neigen naar den grond en tot u reiken,
en murmelen u toe: heil gade van Jupyn!
Maar ach! dit kon geen troost by zoo veel jammren zijn.
Uw angst verdubbelde; de wanhoop gaf u krachten;
gy vloodt langs ’t strand der zee, die volgende geslachten
benoemen zullen naar den naam die gy nog draagt,
en ijldet naar dit oord! — Gy ziet, bedroefde maagd,
dat ik uw noodlot ken! — ’k Weet wat gy hadt te lijden,
en nog te lijden hebt; maar ’k spel u beter tijden.
Daar waar de Nyl zijn vocht aan ’t zilte zeenat mengt
daar snelt der goden Vorst u in ’t gemoet. Hy wenkt:
nu gaan uw smerten zich in louter vreugde keeren
Zoo ver de Nyl zich strekt, zal uw geslacht regeeren.
Een fiere heldenstam zal spruiten uit uw schoot,
en bloeien de eeuwen door. Een’ hunner zal de nood
met vijftig dochteren naar Argos wederbrengen,
om aan zijn broeders bloed niet zijne niet te mengen.
Vergeefs! In Argos zelf vervolgt een vijftigtal
van minnaars ’t huwelijk, dat hen verdelgen zal.
Want hier, hier moet de nacht geen minvlam zien zien ontbranden,
maar tuigen mannenmoord, gepleegd door vrouwenhanden.
Slechts ne, ne enkle maagd ontziet haar echtgenoot,
en toont zich vrouw, en waard haar afkomst uit uw schoot.
Met haar geredden g zal ze Argos rijkskroon dragen,
en hy, wiens heldendeugd heel ’t aardrijk zal gewagen,
dat hy verlossen moet van monsters zonder tal,
die me uit een foltering van eeuwen redden zal,
moet spruiten uit dit bloed. Ziedaar den wil der goden,
en ’t geen ik melden mag; en meer is my verboden!

I.

Gezegend tijdstip, spoed aan!……
Maar wat bedriegelijke waan
gelogenstraft door de angst, waarvan ’k my voel bespringen!
Neen, zelfs in d’ afgrond van het graf
hoop ik geen eind aan dees mijn straf!
Verheugt, verheugt u, hemelingen,
in ’t geen onschuldige I lijdt,
en gy vooral, neem wraak, onzaalge minnenijd!
’k Bezwijk niet, neen! noch ben bestemd te sterven!
Ik ben bestemd van smart tot smart,
van foltering in foltering te zwerven,
en enkel wanhoop is de toevlucht van mijn hart!
                   (Zy vertrekt.)

DE REI. — KEER.

Met recht, o sterveling! met recht
schuwt gy geen ongelijken echt!
De leifde stort in onafzienbre rampen,
als zy verbinden wil hetgeen het noodlot scheidt.
Ge erkent u machteloos om tegen dit te kampen,
en wien by u zijn gunst een troon heeft toegezeid,
slaat op geen herdersmaagd een blik van tederheid!

TEGENKEER.

Rampzalige I, ach! uw lot
sproot uit de liefde van een god!
Wie dacht haar ooit gedoemd tot zulk een lijden,
om wie der goden Vorst verliefde zuchten slaakt?
En wie, wie zou haar thands die hooge gunst benijden
daar Junoos minnenijd zoo vreeslijk om haar waakt,
en voor de onnoozle maagd een hel van de aarde maakt!

SLOTZANG.

Slaat nooit op ons, o goden, de goden ner!
Zij ons g bestemd van uit het rijk der zeen!
Ons nedrig hart verlangt niet meer,
en siddert om de bron van Ios ween!

PROMETHEUS.

En echter zal die trots zich eenmall diep vernederen!
Dat hart zal beven, dat geen liefde kan vertederen,
geen wanhoopkreet doordringt. Gy werkt uw eigen vol,
vrijmachtbre Jupiter! De vloek uws vader zal
zich een vervullen! Ja, de grijze godenkoning,
verstoten door zijn zoon van uit de hemelwoning,
meot zich gewroken zien, wanneer die zelfde zoon
door eigen overmoed zal tuimlen van den troon!
Uw donder moge nog verschrillijk om ons grommen:
eens zal zijn schrikgeluid in uwe hand verstommen!
Uw bliksem moog nog de angst verspreiden over de aard:
voor al dien praal van macht is ’t Noodlot niet vervaard!
De kroon wankt op uw kruin; gy zult uw gruwlen boeten!
Onmijdbaar is uw val, of ’k zie u verpletten moet?
Met vlammen, ijslijker dan heel uw bliksemgloed,
bestormt hij uw Olymp. Zijn hoofd reikt tot de starren;
hy trapt van krijgsdrift, en doet d’afgrond opensparren!
De bergen daavren, en de zee ontspringt haar bed!
En gy, gy stort ter ner! Van zulk een slag ontzet,
ziet Pluto5 u vol schrik ’t gebied der hel betreden;
terwijl het menschdom juicht, dat eindlijk zijn beden
verhoord zijn door dat Lot, dat eenig ’t Al regeert,
en dat de goden zelf, als ’t hem behaagt, vernert!

DE REI.

Wat waanzin, laat, laat af dus Jupiter te tergen!

PROMETHEUS.

Wat zou ik dees mijn wensch den dwingeland verbergen?
’t Is waarheid, wat ’k verkond’! Daar leeft een hooger macht,
uit wie de zijne daalt!

DE REI.

                                   Maar nog, nog heeft hy kracht
u om zoo stout een taal op ’t ijslijkst te kastijden.

PROMETHEUS.

Mijn dood vermag hy niet, en ’k heb geleerd te lijden.
Vernere zich wie wil voor dwinglandentrots,
Prometheus kent geen vrees; zijn boezem is van trots,
wanneer het rechten geldt die hy niet mag verzaken! -
Maar ’k zie Mercurius diet eenzaam oord genaken.
Wat of zijn komst ons brengt? — De bode van Jupyn,
den Oppervorst der gon, zal hy niet lang meer zijn!


Aantekeningen:

1 Argus = reus met honderd ogen over het hele lichaam. Door Hera als wachter bij Io geplaatst, welke door haar in een koe veranderd was. Hij werd door Hermes gedood. Hera plaatste al zijn ogen op de staart van de pauw, welke haar lievelingsvogel was.

2 Juno = vrouw van Jupiter, dochter van Saturnus en Rhea. Koningin der goden en beschermster van het Romeins gebied. De maand juni is haar geheiligd.

3 Inachus = zoon van Oceanus en Thetys, vader van Io. Mythisch stichter en eerste konig van Argos.

4 Dodonesch bosch = Hier in lag het orakel van Zeus. Het geruis van de bladeren en bekkens be paalde te toekomst.

5 Pluto = ander naam voor Hades, god van de onderwereld.


INHOUD „Prometheus”

Vijfde tooneel

Zevende en laatste tooneel


E-Mail: J.R. van Wijk
Ingezonden op: 23 januari 1997