ISAÄC DA COSTA (1798-1860)

OP EEN AFBEELDSEL VAN PRINS WILLEM

Hoe menigwerf gemaald, hoe meinigmaal bezongen,
   van Vader Willems beeld heeft Neêrland nooit te veel,
’t zij weder, telkens versch, verbreid op dankbre tongen,
   of door rechtaarde kunst heboren op ’t paneel.
Aanschouw het hier opnieuw, dat oog, zoo goed, zoo schrander
   dat Prinselijk gelaat waar ’t eelste Ridderbloed
gevierd van eeuw tot eeuw door Duitsch- en Nederlander,
   in leeft, by stout beleid en stillen martlaarsmoed.
Aanschouw hem in dat Delft, pas door hem uitverkoren
   ten Vorstenzetel, neen! ten eerebed en graf!
Ziet gy den hoftrap, voor den bloeddoop reeds beschoren
   waar hy voor God en ’t Land zijn jongsten adem gaf?
Daar klimt vriendlijk af, de borst vervuld van vrede. —
   daar stort hy, laag belaagd door moordpistool en dolk,
in ’t eind den moord in d’ arm, met de onvergeetbre bede
   voor eigen zielsbehoud, en voor Gods arme volk.
Wien hier zijn aanblik roert, het antwoord op die woorden,
   dien doodsnik, die triumf, zij een verheven traan,
een traan, die sprekende voor Maas- en Amstelboorden,
   aan Rome, aan heel Euroop, deze uitspraak doe verstaan:
„’t Waar mooglijk, dat dit land, op d’ Oceaan gewonnen,
   „in d’ Oceaan verdween of onzer stroomen slijk!
„’t Waar mooglijk dat dit volk, na vijfmaal zestig zonnen
   „te rug viel tot het peil der eeuw van Oostenrijk,
„maar mooglijk nimmermeer dat Neêrland Neêrland bleve,
   „voor ’t minst gedachtig nog hoe Neêrland Neêrland werd,
„en dat niet van dit hoofd de lof en liefde leve
   „in ’t binnenst heiligdom van Kerk en School en hart.”

            1856.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 25 mei 1997.