ISAÄC DA COSTA (1798-1860)

BY HET AFLEGGEN VAN UITERLIJKEN ROUW

              OVER ONZE ONVERGETELIJKE

                     HANNA.

Neen, over haar geen rouw meer, teêr geliefde!
   die, steeds zoo diep in hart en huis betreurd,
slechts door haar dood die ingewanden griefde
   waaraan haar jeugd zoo schokkend werd ontscheurd.
Slechts voor een tijd betaamden deze kleederen
   de moeder, voor wier geestesoog zy staat,
in ’t vergezicht der hemelsche gelederen,
   met haar van God verwaardigd wit gewaad.
Wy hebben tot aan ’t voorhof van die oorden
   ons kind, mijn dierbre! aanbiddend begeleid.
Wy vingen op de honigzeem dier woorden,
   waarmeê zy in de vreugd trad, haar bereid.
Wy zagen haar den jongsten adem gevend,
   in een bevriende hand de hand geklemd,
en met dien Naam haar op de lippen zwevend,
   wiens macht den koning der verschrikking temt.
Zoo blijf’ de traan steeds wellen, — van geen alsem
   maar zachten daauw doortrekt zy ons gemoed!
En leken blijf’ de wonde, — daar is balsem,
   herinneringen! in uw bitter zoet!
Herinn’ring aan die stem meê, die zoo teder
   aan ’t vaderlijk Daarheen! haar zang verbond!
Vernemen wy op aard die stem niet weder,
   zy stijgt tot God thands van op hooger grond.
Me d’ angel van den dood is weggenomen
   de rouw, die niet verpoost. Wy gaan tot haar.
Maar zal ook zij niet eenmaal wederkomen
   met Koning JESUS en de ontelbre schaar?

            October 1855.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 25 mei 1997.