ISAC DA COSTA (1798-1860)

AAN BILDERDIJK

BY HET AFSTERVEN VAN ZIJN’ ZOON

JULIUS WILLEM.


   Ja, TRANEN ZIJN ONS DEEL OP AARD,
En wat de weg des levens baart,
is distel voor den voet, en voor de lippen alsem!
Hier treffen slagen, waar wy tren,
hier groeien jammren rondom heen,
en d aarde die ze teelt, teelt ons leed geeen balsem.

Dit klonk uw lier, doorluchte Bard,
zoo vroeg reeds aan de wrangste smart,
’t hardnekkigst lijden, prooi gegeven!
Dit klonk die lier, wier melody
steeds somber, maar steeds groot en vrij,
de waarheid in den toon der Pozy deed leven.

Gy wachttet sints uw eerste jeugd,
van geen ontluisterde aarde vreugd,
dan die geboren wordt uit moed en plichtsbetrachting!
Gewapend tegen ’t grimmig lot,
met onbeperkte hoop op God,
en met de toovermacht der Dichtkunst tot verzachting!

Ach! ’t was geen aardsche tegenspoed,
die zulk een steun, die zulk een moed
in d’eedlen boezem kon verwrikken!!
Des noodlots toorn verzelde uw schren!
Gy zaagt haar dreigende om u heen
met onverzette blikken!

Maar ach! een ijsselijker slag
dan al wat jammer heeten mag,
trof uw in ’t leed vergrijsde haren!
Een slag, o God!… O! had mijn bloed
den eisch van ’t ijzren lot geboet,
het had gestroomd, om hem uw hoofd te sparen!

Vergeefs ontzag het brandende Oost,
ontzag de storm het dierbaar kroost
dat aan den boezem snelt, te lang van hem gescheiden!
De dood staat van haar prooi niet af
en de akelige toon van ’t graf
vervangt het welkomstlied, wiens galmen hem verbeidden.

Wie zal, wie kan het thands bestaan,
de bittre, hartverscheurbre traan,
die op de wangen brandt der ouderen, te drogen?
Wie spreekt hier ijdle troostren uit,
verzwolgen in het smartgeluid,
waarin de spraak verstikt by ’t onbescheiden pogen?

Neen! wieuw zielsgevoel vertaat
stort hier geen machtelooze maat
om de overstelpte borst aan ’t foltrend wee te ontscheuren.
Zijn lier, omfloersd met treurend zwart,
geeft slechts den doffen toon der smart
en wat zijn hart vermag, is met het uw te treuren!

Van U alleen, o God komt troost!
Gy geeft, en Gy herneemt het kroost,
waar ’t ingewand aan kleeft, die ziel in leeft der ouderen!
Is niet van U en ramp en vreugd,
en ’t aardsche lijden zelfs der deugd?
Verlicht niet Gy den last van de afgetobde schouderen?

Van uit Uw alomvattend Hof,
waar ’t alles juicht in Uwen lof,
slaat Gy Uw droeve kinders gade;
en uit de diepste kolk der smart
verheft Uw hand wer ’t zinkend hart,
en de Englen loven Uw genade!

Der troostelooze moeders zucht
zal niet versmelten in de lucht,
maar voor Uw glansrijk aanzijn stijgen!
De kreet des vaders om zijn zoon,
dringt door, o God, tot voor Uw troon,
en doet de hemelvreugde zwijgen!

De geest des afgestorv’nen leeft!
De geest des afgestrv’nen zweeft
naby het kwijnend moederharte!
Zijn geest omzweeft dat achtbaar hoofd,
in leedverduring afgesloofd,
en lenigt, ongezien, zijn smarte.

Ja, heilbo van Gods oppermacht,
zal hy in schaduw van den macht
u ’t uur verkondigen, dat onzen boei moet slaken;
den heildag, die het gantsch Heelal
in d’nen God vereenen zal,
en in der schepslen heil des Scheppers werk volmaken.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden op: 3 juni 1997.