Dus klonk in Isrels taal en Godgewijde maat
de stem van Elihu, den jongling, uit het zaad
van Juda; en zijn lied wekte in zijn stamgenooten,
van Sions heerschappij en tempeldienst verstoten,
doch in hun ballingschap van Babels dwang bevrijd,
het zoet gevoel van hoop op een min wreeden tijd,
met sombre treurigheid verwisslend. Babels transen
weêrkaatsten d eersten gloed der morgenzonneglansen,
en Judaas Vorstenstam mocht op Sennaärs veld,
voor t eerst niet meer bespied, belemmerd door t geweld,
uit onbeklemde borst den bede- en lofzang plengen,
die de ochtendwinden voor den troon der Godheid brengen.
t Was daar, dat Elihu zijn dichterlijke stem
verhief om in den nood, met vroom vertrouwen, Hem
die Abrahams geloof nog zegent in zijn zonen,
te aanbidden; en zijn stem doorslingerden de tonen
der harp, wier melody in t licht aandoenlijk hart
het beeld te rug riep van den Koninklijken Bard!
Hy heeft geëindigd! Met den nagalm van zijn zangen
verliest het AMEN zich, waar door hy wordt
vervangen,
in t golven van de lucht. Daar heerscht een statigheid
van rust, die t hart verheft en als van t aardsche scheidt!
Dus stonden ze, in t gevoel der Godheid opgetogen!
Op eens treedt uit zijn ten Nahasson voor hun oogen,
Nahasson, de oudste telg van Davids nageslacht,
wiens zwaard in vroeger tijd met mannelijke kracht
de vrijheid staande hield van Sions heilge muren:
maar ach! zijn grijsheid moest den bittren hoon verduren
van Babels zegepraal; zijn vorstelijke hand
de ketens dragen van den vreemden dwingeland;
tot s hemels weldaad, met de keur van Judaas loten,
ook Hem verlossing schonk, zijn droeven lotgenooten
ten leidsman, door zijn deugd en door beproefd beleid!
Hy is t, die op dees stond met dubbele achtbaarheid
van ouderdom en rang, tot in het midden nadert
der ballingen, ten dienst van Sions God vergaderd.
Te lang gebogen op een borst, van smart verscheurd,
heeft thands zijn hoofd zich weêr ten hemel opgebeurd.
In t oog, waar uit sints lang de gloed der rijpe jaren
gedoofd was, laat zich thands een nieuwe glans ontwaren,
die heil verkondt; en aan de diep geroerde ry
spelt heel de houding van den krijgsman profecy!
De mannen dringen zich met rusteloos verlangen
dicht om hem, dat hun ziel zijn klanken op mag vangen.
Hy spreekt: Dit uur is t laatst, mijn broeders, van de
ellend.
die onze schouders heeft gedrukt. De Heere zendt
zijn kinders op dees dag een boô van heil, een teeken,
dat hun Zijn vaderhart, Zijn hand niet zal ontbreken,
hoe ver verwijderd van den Goddelijken grond!
Gy Juda! Hoor my en verheug u! want mijn mond
zal U een uitzicht op vernieuwde zegeningen
onthullen die t mijn oog vergund werd door te dringen.
De koelte van den slaap blies spelend over t veld:
uw rustend hoofd vergat het doorgestaan geweld,
en heel dees wereld. Ik-alléén, ik waakte,
ik treurde,
geheel ten prooi aan t wee, dat steeds mijn hart verscheurde,
sints ons de Heiden uit het Godsgebied versloeg,
verkwijnende op de sponde. Een tergende onrust joeg
in t end my uit de tent, getuige van mijn klachten,
om in een ruimer licht den morgen af te wachten,
k Treed uit. Mijn hoofd voor t eerst, door t lange leed
bezwaard,
verheft zich tot den troon der Godheid, en ontwaat
in t West een beeld van vuur, voortschietende uit het duister,
voorteeken van uw heil, mijn broeders! Van een luister
voor Juda, die reeds thands mijn ziel herleven doet.
Het beeld vertoonde een leeuw, vol jeugd, vol kracht, vol
moed,
en glinstrend als de zon, pas uit het nat herboren.
De gouden diadeem, voor t koningshoofd beschoren,
blonk op zijn fiere kruin, en in zijn klaauw de staf,
dien God ten blijk van eer aan Zijn gezalfden gaf.
Ik zag het, en mijn geest verhief zich boven de aarde:
de lucht bezielde zich, die om my henen waarde,
en lispelde my toe in zachte melody:
Gedenk, gedenk
aan Jacobs profecy!
de schepter zal
van Judaas stam niet wijken!
Ik zag en hoorde; ik zag het vuurbeeld weêr bezwijken.
Maar sints dat oogenblik is t leven in mijn bloed
vernieuwd; ik aâm geen lucht, maar Godelijken gloed.
Mijn lustloos kloppend hart gaat van orakels zwanger!
Ontvangt ze, Davids bloed! k weêrhoude my niet langer!
De Geest der Godheid grijpt my aan! De Tijd verdwijnt
van voor mijn oogen, en t Toekomstige verschijnt:
Een hemelsche, onbevlekte
glans
gloeit aan den Westelijken
trans,
en spreidt zijn stralen over de aarde!
Daar, waar de zon haar
loopbaan stuit,
daar rijst een grond
de golven uit,
waar s hemels gunst geen zegening aan
spaarde
De dun gewiekte balsemlucht,
wier lieflijke adem
hem bevrucht
zal helden t hart doen zwellen.
Wien dien betreedt,
diens edel bloed
zal zich in t fier
en vroom gemoed
tot duizenden vermenigvuldigd tellen!
U is hy, Juda! Aan uw
kroost
de harde ballingschap
ten troost,
door de Almacht Gods beschoren!
Hier wordt de koninklijke
staf,
dien God U tot een erfgoed
gaf,
met d ouden roem herboren,
De volken zullen haar
vereeren!
De Vorsten zullen zich
verneêren
voor zoo veel macht en majesteit!
t Ontzag zal van hun
zwaarden blikkeren,
de rijkskroon op hun
schedel flikkeren,
geschraagd door eer en dapperheid!
Beschermheer onzer trouwe
Vaderen!
die glorie zal Uw heemlen
naderen,
en vreugd verspreiden aan Uw hof!
Gy! schaduwen van Davids zonen,
herkleed in t afgelegde stof!
om zweeft die glorierijke troonen;
herinnring aan Uw oppermacht,
en beeldtnis van het rijk, dat ons met Silo wacht
Maar hoe! de dagglans is verdwenen!
De grommende aarde scheurt van éénen!
Daar stroomen zeeën menschenbloed
Daar rijst een vlam van helschen gloed!
en honderdduizenden vergaan! Het zijn
Uw telgen,
o Juda! Dweepzucht zwaait haar zwaard,
en blaast haar vlammen over de aard,
om de oude Godsdienst te verdelgen!
Haar trouwe kinderen verstikken in den nood;
zy kiezen ballingschap en dood,
eer dat hun hart zal verzaken!
Waagt iemand thands de profecy te wraken?
Waant iemand Juda thands van Gods belofte ontbloot?
De schepter zall van Judaas stam niet wijken!
Één broeder moog voor d anderen bezwijken!
De één zwaaie d ouderlijken
staf!
die, aan zijn plichtbesef geheiligd,
vinde op het pad der Trouw zijn graf,
of zwerv, door ballingschap beveiligd,
met God in t hart, de wereld rond!
In beiden leeft de kiem, waar Helden-,
waar Vorsten-grootheid uit onstond.
O! doet die kiem van glorie gelden!
gy Judaas Koninklijk geslacht!
Wie U miskenn, wie U veracht;
laat nooit hun trots uw oog verblinden!
Maar laat de lang gewenschte dag,
die Siloos komst begroeten mag,
u trouw aan God, en aan Uw afkomst vinden!
Ingezonden op: 12 juni 1997