ISAńC DA COSTA (1798-1860)

AAN DE WEL EDELE HEEREN

MR. W. BILDERDIJK EN

MR. D. J. VAN LENNEP.

Aan de eedle twee, wier oog mijn wankle schreden
   op ’t glibbrig pas de Dichtkunst gadeslaat,
tot Hollands eer door beider voet betreden,
   biedt heir mijn hand in Nederlandsch gewaad
den grootschen zang van d’ oorlogshaften dichter,
   wien Melpomeen haar eersten lauwer schonk,
wiens naam en roem, als kunst- en vrijhadsstichter,
   nog in den vloed der eeuwen niet verzonk;
den grootschen zang, roemruchtig zegeteeken
   op vreemd geweld en dwingelandenwaan,
door d’ eigen arm, die ’t vaderland hielp wreken,
   Gevestigd eens, om nimmer te vergaan.
Maar wien, wien durft mijn lante ’t bloemtjen wijden.
   onsierlijk kroost van d’ eersten zonnegloed?
Aan ’t hoog vernuft, den glans van onze tijden,
   in ’t heiligdom der Dichtkunst opgevoed;
wiens stoute veer, in d’ opgang van zijn jaren
   een Sophocles in ’t Hollandsch lied herschiep,
die op den klank der onweÍrstaandbre snaren
   den outerdienst van d’echten smaak herriep?
En hem, die meÍ in vaderlandsche streken
   zoo menig spruit der Grieken heeft herplant;
wiens kindschheid reeds de Roomsche luit deed spreken,
   niet wagg’lend in de meesterlijke hand;
wien de eigen gloed het hart wordt ingedreven
   door Latiums en Hollands dichtrengoŰn?
Het is aan U, door zoo veel roem verheven,
   door ’t fijnst gevoel voor ’t hemelsch kunstenschoon,
dat geestdrift voor de kunst, wellicht vermeten,
   een gunstig oor, voor wat ze voortbracht, vraagt.
Wat zeg ik? Neen: niet aan de puikpoŽten,
   waar de oude vest des Amstels roem op draagt,
verstout ik my dees ruwen zang te heiligen,
   op dat hun naam, op Pindus aangebeÍn,
de teere vrucht der jonkheid mocht beveiligen,
   of als een gift, hun grootheid waardig; neen!
Wier milde zorg geleerdheids eÍlste schatten
   ontdekt heeft aan ’t verlangen van mijn jeugd,
en in dien les den kostbrer wist te omvatten
   van ’t ware goed, van wijsheid, recht en deugd;
dien biedt mijn hart dees versch gelezen bloemen
   van Griekschen stam, ofschoon verbasterd, aan.
Vermocht mijn tuin op geurig loof te roemen,
   of ga‚rde ik eens op de ingerende baan
laurier en palm, den prijs van dichterzangen,
   ik sierde er u den achtbren schedel meÍ.
Wilt dan dees bla‚n, toegefelijk ontfangen,
   em met dees bla‚n, de oprechtste hartebeÍ.
Bloeit, bloeit nog lang om kennis te verspreiden,
   om Hllands eer te staven, om de bloem
der jonglingschap op ’t eenzaam spoor te leiden,
   dat naar de bron van Wijsheid voert en Roem!
Brengt hen te rug, der Dichtkunst gouden dagen,
   op NeÍrlans grond, als Griekens, thans weÍr vrij!
En word’ haar dank u beiden opgedragen
   van na- tot nageslacht, zoo vurig als van my!

         1815.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 3 juni 1997.