ISAÄC DA COSTA (1798-1860)

                           TER

       ECHTVIERING

                           VAN

MR. ISAAC CAPADOSE

                            EN

Mejonkvrouwe A. G. VAN HOYTEMA.

                     3 JUNIJ 1857.

   Nog ruischen ons in ’t hart de hooge Pinksterzangen!
En waagt het de aardsche harp die galmen te vervangen
met tonen, liefde en echt en bruiloftsvreugd gewijd?
’t Gaat samen. Ook de vreugd der aarde heeft haar tijd,
haar recht, haar heiligheid. De feesttoon, die wy slaken
viert aan dees huwlijksdisch geen luchtige vermaken,
uit stof en ijdelheid te zaam geweven, neen!
maar weldaân van Gods liefde, in doel en oorsprong één.
Was ’t geen de Pinkstergaaf bracht aan een lijdende aarde
niet mede een liefdeband, die volken samenpaarde
voor eeuwig blijvend heil? En is ook ’t bruiloftfeest
geen hoogtijd Gods, die hart aan hart, en geest aan geest.
en ziel aan ziel verbindt? tot hooger eind voorzeker
dan deze wereld kent by ’t schuimen van haar beker.
Ja, echt- en pinksterfeest zijn aan elkaêr verwant.
In beide spreekt een beeld, in beide ligt een pand,
in beid leeft een kiem van hooger zaligheden,
dan nog het deel kon zijn in ’t versch geschapen Eden.
   Heil Bruidegom! heil Bruid! Wy dragen met u roem
in ’t geen Gods gunst u schonk, uw echtheil is geen bloem
die eerlang weêr verwelkt, maar vrucht bedaauwd beregend
door stille zielsgebeên, en zóó van God gezegend,
(dus zij ’t) niet voor een tijd, maar voor eene eeuwigheid.
waarvan de hechte grond wordt in de tijd geleid.
   Heil Bruid! heil Bruidegom! het uitzicht op een leven
van God u voor elkaêr en voor Zijn dienst gegeven,
maakt van dees vreugdedag de wezenlijkheid uit, —
en van mijn feestlied meê; geen streelend harpgeluid
dat wegsterft in de lucht by ’t blusschen van de lichten,
geen spel van poëzy, waarbij we een lot ons dichten,
maar echte prophezy, gewaarborgd door Gods woord
aan die ’t geloovig, die het heilbegeerig hoort.
   Heil Bruidegom! heil Bruid! laat bergen en dalen,
waar ge in of uit mocht gaan, u van dat heil verhalen,
en van uw dankbre vreugd getuige en echo zijn!
Van ’t Scheveningsche strand, tot d’ oorsprong van den Rhijn,
en weêr te rug van ’t meir, naar ’t eenmaal vrij Geneve
genoemd, tot Wiedemaand u aan den grond hergeve,
waar eigen huis en haard u wachten, en het werk
waarnaar ge dan weêr haakt, door jeugd en ijver sterk,
om ’t vorst en volk ten dienst, kloekmoedig uit te richten,
o Bruidegom! terwijl huismoederlijke plichten
u roepen, lieve Bruid! door ’t voorbeeld opgeleid
ten voorbeeld, en een taak vol zoetheid u verbeidt.
   Heil Bruid! heil bruidegom! van ouders beide en vrinden
verzelt de zegen u op d’ adem van de winden,
niet slechts, terwijl ge vlug van berg- tot bergtop snelt,
en van bewondering ’t aandoenlijk hart u zwelt,
by d’ aanblik van natuurs onzachtbre schouwtooneelen
en heel het lachend dal uw vreugde schijnt te deelen;
maar voor geheel die reis des levens, met het oog
aanvaard op God, uw God, en op dien regenboog
wier kleuren ons juist dan van trouw en liefde spreken,
wanneer de zomerzon een oogwenk schijnt geweken
om dóór te breken straks, van achter ’t wolkgordijn
met steeds verhoogden, steeds verkwikkelijker schijn.
   Heil Bruidegom! heil Bruid heil ouders, vrienden, magen!
Uw zorgen, uw gebeên, zij hebben vrucht gedragen;
zy zullen ’t immer meer in ’t geen uw oog reeds zag
en in het schoonst verschiet nog slechts vermoeden mag.
o! Ziet het dierbre paar des levens waatren bouwen
met een op Isaacs God onwankelbaar vertrouwen.
Ja, met die dankbre vreugd, die uit uw oogen blonk,
mijn broeder, spruit met mij uit den alouden tronk!
die vreugde, die ons hart zoo wonderbaar bezielde,
toen tusschen u en my mijn gade in tranen knielde
en ’t lovend drietal werd bedropen met dien doop,
het pand ook voor ons kroost van onbedriegbre hoop!
Gy mede, o dezer Bruid zoo teêrheidvolle Vader
beleef haar aardsch geluk, haar weg en gang te gader
naar hooger streken, waar wie God in Christus kent,
een vreugd kennen zal, het eind van alle ellend!
Gy, aan die vaders eens in gunst hergeven Moeders
voor ’t wederzijdsche kroost! Gy zusters en gy broeders!
gy vrienden aan dees disch feestvierend saâm geschaard!
verzelt hun beên tot God, getuigd hin heil op aard!
Ja heil! driedubbel heil! den beker opgeheven!
Bij de intreê van dit u voortaan verdubbeld leven,
spreekt met uw vreugd, uw dank, ook uw geloften uit!
Des Heeren wilt gy zijn. Heil Bruidegom! heil Bruid!

Pinkstergalmen, hemelshalles,
   bruiloftshymnen, zy zijn één!
Is één grondtoon aan de akkoorden
   van die allen niet gemeen?

Liefde is van den God, dien we eeren,
   de onverloochenbare naam;
liefde is ’t wezen van Zijn wezen,
   liefde en heiligheid te zaam.

Liefde vormde de eerste schepping
   tot één zegenrijk gezin;
liefde gaf in ’t zalig Eden
   Edens koning zijn mannin.

Liefde bracht dien Heer op aarde,
   Zegenaar aan Canaas disch,
Levenswekker in Betahnie
   uit der graven duisternis.

Liefde bracht Hem voor de Zijnen
   op het zondedelgend kruis!
liefde brengt ze, die hem lieven,
   in des Vaders heerlijk huis.

In de vlam der wondertongen,
   op ’t gezegend pinksterfeest
daalde weder liefde neder,
   spreekt de liefde van den Geest.

Wat den hemel maakt tot hemel
   is die liefde, Liefde maakt
ieder woning hier reeds hemel
   waar dat hemelsch vuur in blaakt.

Eens zal liefde de aard vervullen,
   maken aard en hemel één,
als het koninkrijk daarboven
   ’t Godsrijk wordt ook hier beneên.

Liefde in Christus zij en blijve
   ook reeds nu de heilge keus!
In beproeving steun en sterkte,
   in den goeden strijd de leus.

En gy, Isaac, met uwe Anne!
   liefde uit God en liefde in God
Zijn voor aarde beide en Hemel
   ’t u van Hem verzekerd lot!

            1857.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 26 mei 1997.