ISAÄC DA COSTA (1798-1860)

INES DE CASTRO.


                                   Contra huma Dama, ô peitos carniceiros
                                   Ferozes vos mastrais, e cavalleiros?

                                                                                                                CAMOENS.
DON PEDRO, REI VAN HOFJONKVROUWEN.

Men verbeelde zich het tooneel in een zaal van des Prinsen
Paleis te Coïmbra.


DON PEDRO.

O dierbaar oogenblik, met zoo veel vuur verbeid,
dat my de smart vergoedt der lange afwezigheid!
Ik keere dan in ’t end in de armen der geliefde
te rug! De teêrste min, die ooit een boezem griefde,
blaakt heden in dit hart met nooit gekenden gloed;
en ’k ijle… Maar hoe dus? Gy, eedle juffrenstoet!
Hoe staat gy dus bedrukt, en treurende, en verlegen?
Met wankelende schreên treedt gy mijn aankomst tegen!
Ontfangt my dus mijn huis, daar ’k vol verlangen keer?
Gy zwijgt — en schreit — en slaat het oog weêmoedig neêr! —
Zou Ines?… zou mijn kroost? … Ik sidder ’t uit te spreken…
meldt, meldt om Gods wil, my de waarheid…

DE REI.

                                                                             Ons ontbreken
de moed, de kracht, de stem! O! dat ik ’t geen ik zag
vergeten kon, mijn Prins! — Een doodelijke slag
bedreigt u! En gy eischt dat ik hem toe zal brengen?

DON PEDRO.

’t Is vruchtloos, verder nog mijn twijfel te verlengen!
’k Doorzie den donkren zin van ’t uitgesproken woord!
Mijne Ines is niet meer! Mijne Ines…

DE REI.

                                                             Werd vermoord!

DON PEDRO.

Vermoord? — En ik, ik leef? Ik overleve een mare,
die voor een koeler hart, dan ’t mijne, moordend ware! —
Ja! ’k leef! Voor eeuwgen rouw! Voor eeuwig pijngevoel!
En ’t aanzijn heeft voortaan voor Pedro slechts één doel!
Maar wenschelijkis ’t mijn nog! — Zult gy dien wensch misduiden?
Beseft gy niet mijn hoop, gy, dochters van het Zuiden?
De wraak, de troost der wraak! — Neen! vreest mijn wanhoop niet!
Vreest niet dat ik bezwijke in ’t foltrend verdriet!
Hy die my Ines schonk, en afnam, zal my sparen,
tot de aard verzadigd zy van ’t bloed der moordenaren!
Maar gy, getrouwe rei, zoo teêr aan haar verknocht!
Maar gy, getuigen van haar jongsten ademtocht!
Onthoudt my ’t schrikverhaal der gruwlen hier bedreven
uit ijdle deernis niet! Doet ’t gevoel herleven,
dat door zoo fel een slag verdoofd werd in mijn hart!
Wekt mijn versteende ziel tot levendige smart
weêr op! Doet ’t bloedig vocht ontschieten aan mijn oogen,
waarvan, in de overmaat van ramp, de bronnen droogen!
Meldt my wat duivlenband zich verwde met haar bloed!
Zegt my haar laatsten wensch, zegt my haar laatsten groet!
Zegt my de teedre zucht, die ze aan de bleeke lippen
voor echtgenoot en kroost zieltogend liet ontglippen!
Wroet moedig in de wond van dees verscheurde borst!
Ik smeek ’t, als haar gemaal: ’k gebied het als uw Vorst!

DE REI.

’k Gehoorzaam: maar zoo ’t bloed, by ’t gruwzaam wee-verhalen,
te rug springt naar mijn hart, en my de krachten falen,
om ’t geen ik tuigde op nieuw voor mijn geschokte ziel
te voeren, o! verschoon! De bloem der vrouwen viel!
De roem van haar geslacht, des hemels uitverkoren
als de uwe, zag ik hier verraderlijk doorboren!
Ik overleefde naauw zoo plettrend een schrik;
en dien (gy eischt het, Prins!) vernieuwt dit oogenblik!

   Gy hadt nog pas één dag dit stil verblijf verlaten,
wanneer op eens de maar zich door Coïmbraas straten
verspreidt, dat zich de Vorst uw Vader herwaarts geeft.
Die tijding treft ook ons. Uw minlijke Ines beeft!
Zy weet het, wat die komst voor onheil aan moet voeren!
Maar o! niet voor haar-zelf voelt zy haar hart beroeren,
van rustlooze angst en zorg! Zy siddert voor haar gâ:
zy siddert voor haar kroost: helaas! het is te spâ!
Één hoop welt by haar op: „Ik moet een poging wagen,
(Dus spreektzy) „van behoud; en dan…! Uw welbehagen
„geschiede, Almachtige!” Die korte taal ontlast
haar boezem, schenkt haar moed, en ’t stout besluit staat vast!
Met haar onnoozel kroost den vader van haar gade
te smeeken voor haar recht, of (moet het) om genade,
is ’t eenig wat haar rest en redding brengt misschien!
Zy ijlt naar ’t vorstelijk hof, stort zich aan ’s konings kniên,
en spreekt hem, die nog naauw hare aankomst heeft vernomen,
met deze woorden aan, terwijl haar tranen stroomen:
„Mijn koning! Zie my hier gebogen aan uw voet,
„my, ’t voorwerp van uw toorn, dien ik onschuldig boet!
„Of dwaalde ik, laat dit kroost genâ voor my verwerven,
„dat in hun aderen uw bloed voert! Moet ik sterven,
„om dat Don Pedro my, om dat ik hem aanbid?
„Eischt dit de glans der kroon? Beveelt ’s lands welzijn dit?
„Of moet mijn onschuld dan den nijd ten offer sneven
„van hovelingen, aan mijn afkomst, aan mijn leven
„vijandig, en wier haat mijn gade zelf niet spaart?
„Doch voor hun woeste drift was Ines nooit vervaard!
„Maar gy, wien ’k eer als vorst, en lief heb als een vader,
„(en echter met een hart, van angst gepijnigd, nader!)
„deelt gy mede in dien haat, zoo onverdiend, zoo wreed?
„en maakt zich ook uw hand tot mijn verderf gereed?
„Zijt ge op my, zwakke vrouw, zoo gruwzaam dan verbitterd,
„om dat geen diadeem haar om de slapen schittert,
„die aan den Prins, uw zoon, haar trouw verbinden dorst?
„Vergeef het aan de drift, die in ons beider borst
„onwederstaanbaar sloeg! Niet tembaar was de liefde!
„die Pedroos edel hart voor droevige Ines griefde!
„’k Zag, wien mijn ziel aanbad, wanhopig aan mijn voet —
„om weêrmin smachtend — ’k zag hem twijflen aan mijn gloed! —
„was langer wederstan hier mooglijk? — ’ Werd zijn gade!
„’k Werd moeder…o mijn vorst! Schenk op dien naam genade! —
„Maar is mijn afkomst dan onwaard een vorstelijke echt?
„’t Is waar, geen koningskroon is aan mijn stam gehecht;
„maar Spanjes edelst bloed vereent zich in mijn aadren!
„Castielje en Arragon getuigen van mijn vaadren!
„Wie kent niet Castroos naam, door deugd en adel groot…
„Ach! licht welhaast befaamd door Ines vroege dood?
„Die dood, die vreeze ik niet! — voor ’t minst niet voor mij-zelve!
„zoo slechts mijn sterven niet ’t graf van mijn gade delve!
„Verhoed dit, groote Vorst! Spaar my niet, spaar uw zoon,
„den dierbren erfgenaam van uw roemruchten troon!
„Of is mijn straf bepaald? — ’k zal langer om het leven
„niet smeken! Zij my slechts één bede toegegeven!
„Dat u mijn dood verzoene, en dat mijn schuldloos bloed
„de bittre veete blusch’, die tegen Pedro woedt! —
„En voor dees lieve twee… Zoo zy hun moeder derven,
„laat niet uw ongenade op dit ons kroost versterven!
„Ach! zy misdreven niets! Zy hebben, schoon onze echt
„u haatlijk moge zijn, op uw bescherming recht!
„Hun vader is uw zoon; wees hem, wees hun een vader,
„en breng’ mijn ondergang u aan uw kindren nader!
„O! dien vergeve ik u, zoo ’k u misdadig schijn:
„want aan dees laatste beê zult gy gevoelig zijn!”
Dus spreekt zy, met een stem, die rotsen had bewogen!
Nog galmt ze my door ’t hart; nog perst ze my uit de oogen
een vollen tranenstroom. Den vorst zelf zag ’k ontroerd
en mooglijk op dien stond schier tot genâ vervoerd!
Hy richt de smeekende op. In zijn ontstelde trekken
is ’t zichtbaar, welk gevoel haar rede mocht verwekken!
Zijn hart voelt deernis, — Ach! hij doet zijn hart geweld,
bedwingt zich, en de plooi der strengheid is hersteld!
En, machtloos evenzeer tot straffen en verschoonen,
te fier, om zich voor ons besluiteloos te toonen,
verdwijnt hy haastig uit onze oogen. Ines keert,
van zorg om uwentwil thands meer dan ooit verteerd!
Maar wisselende angst en hoop verdeelen onze harten!
’t Waar mooglijk, dat dees dag het eind zag onzer smarten;
’t Waar mooglijk, dat de Vorst, door zoo veel deugd,
ontwapend door heer beê, gevoelig voor haar deugd,
(want wie kon Ines zien, en onvermurwbaar wezen?)
verraderen ten spijt, de schand der Portugeezen,
vergeving sprak! — Doch zelfs die pijnelijke staat
van twijfel was te kort; en de eerste dageraad
moest onzen schrikbren rouw doen tot het uiterst klimmen!

   De schaduwen der nacht verbleekten aan de kimmen:
een woeste mengeling van stemmen treft ons oor!
Men dringt in dit paleis, in naam des konings door!
De wachten staan ontzet; wat zou hier weêrstand baten?
En wy, bedrukte stoet, van alle verlaten,
van doodelijken schrik bewustloos, verward,
wy naderen, en… God! Wat schouwspel voor ons hart!
O gruwelijke stond, dien ’k nimmer zal vergeten!
dat hatelijke paar, dat, felst op u gebeten,
hun razernij in ’t hart des Konings overbracht,
die bittre vijanden van Ines braaf geslacht,
Pacheco, Alvares, staan voor ons! ’t Is verloren!
Een eindelooze rouw is aan dit huis beschoren!
Zy eischen Ines op: het vonnis van de dood
is uitgesproken, en hun zwaarden zijn ontbloot
om ’t uit te voeren! Neen! ’k beschrijve u niet hun woede!
niet, hoe de felle haat, dien steeds hun boezem broedde,
zich lucht gaf op dit uur! De koninklijke macht
steunt hun vermetelheid, die met ons lijden lacht!

   Maar Ines ziet haar uur met englenkalmte naken!
Is ’t lot geworpen, dat haar reine ziel moet slaken;
zy onderwerpt zich, ja! biedt zich haar moordren aan!
maar vraagt een kort verwijl, — het wordt haar toegestaan!
Nu knielt ze, en heft het oog gelaten naar den hemel
„Ontfang mijn ziel, o God! van uit die stofgewemel
„genadig! Schenk den gâ, voor wien ’k alleen bestond,
„versterking in zijn leed! Druip balsem op zijn wond!
„Breng zijn gefolterd hart aan dat zijns vaders nader!
„Vergeef mijn vijanden, en wees mijn kroost een vader!”

   Zy zegt, en buigt het hoofd. Der beulen euvelmoed
ontzet. Zy aarzelen, en, waar ’t geen tijgrenbloed,
wat door hun aders vloeit, uwe Ines bleef in ’t leven!
Maar neen! zy schamen zich hun opzet op te geven,
en vatten nieuwen moed, en keeren ’t aanzicht af!
Pacheco grijpt het hoofd, dat zy hem overgaf,
en ’t zwaard van Alvares… Des hemels goedheid spaarde
my ’t verdere gezicht des gruwels. ’k Zonk ter aarde,
of ’t ware dat my-zelve een doodelijke slag
verpletterd had! — Maar toen ’k herrees en om my zag,
was alles stil en doodsch! ’k Zag slechts de breede stroomen
van ’t bloed - Uwe êgâ was ten hemel opgenomen!

DON PEDRO.

   Zoo is dan ’t bloedontwerp van ’t zwartst verraad gelukt!
Zoo werd dan door het zwaard mijn echtknoop losgerukt!
Mijn vader! dat ge u dus door monsters liet omringen!
Dat dus hun helsche raad in uw gemoed kon dringen!
Geen deernis trof u met een weerelooze vrouw,
noch ’t denkbeeld van uw zoon, en van den bittren rouw,
waarin ’t ontmenscht besluit der staatszucht hem moet storten,
en die (o hemel! stemt ’t!) mijn dagen zal verkorten.
Maar laat my (kan het zijn) vergeten, dat ook gy,
mijn vader, schuldig zijt aan ’t schriklot, dat ik lij!
Op u, gevloekte twee, lafharte moordenaren!
(o! moog ’t rechtvaardig lot u tot dat tijdstip sparen!)
op u slechts vlamt die wraak, waar voor ik eenig leef!
Beef! schendig Alvares! en gy, Pacheco, beef!
Viert, viert den zege, dien de hel u deed verwerven!
Verduizendvoudigd wacht de straf u! Gy zult sterven,
of voegen by het bloed van Ines ook het mijn!
Mijne êgâ, ja, ik sneve, of ’k zal uw wreker zijn!
Verfoei’ my 't nageslacht, gelijk het zal verfoeien
den naam van ’t monstrenpaar, wiens staal uw bloed deed vloeien,
verfoeie my ons kroost, verfoei’ my 't gantsch Heelal,
zoo heel het aardrijk van die wraak niet ijzen zal!
En verder - kwijn, kwijn weg in tranen, o mijn leven!
Wat uitzicht bleef my meer? Wat hoop, om naar te streven?
De wereld, die me omringt, is my een wildernis:
mijn rang zal me eindeloos aan ’t bloedige gemis
herinn’ren! Neen! de kroon, die eens mijn hoofd moet drukken,
zal nimmermeer mijn hart aan ’t knagend wee ontrukken!
Geen zorg van staat zal ooit uw beeld verflaauwen doen,
O Ines, in dees borst! De daavrende klaroen,
die in de prille jeugd het ridderbloed doet koken,
en die zoo menigmaal mijn boezem heeft ontstoken
in heldenroemzucht, die de ziel ten hemel heft,
vindt Pedro doof voortaan! Mijn stervend hart beseft
een enkle nooddruft nog: die, van uw dood te wreken,
te treuren zonder end, en smert met smert te kweeken!
Maar gy, zoo ’t geestendom mag neêrzien op deze aard,
blijve u de teêrste gâ nog zorg en deernis waard
van uit het englenrijk, waar toe gy werdt verheven!
O! dat me uw diebre schim nog somtijds moge omzweven!
Verschijn my, als de nacht mijn mat getreurde leên
’t bedrieglijk genot des slaaps brengt! Hoor mijn beên!
Daal slechts één oogenblik voor de oogen van uw gade
ter neder, treffendst pand der hemelsche ganade,
by al wat ’k lijden mag; maar welkom bovenal,
wanneer me uw komst het uur der dood verkonden zal!
Maar ’k ga! ’k wil op het lijk den traan der wanhoop plengen!
’k Wil aan de wreed vermoorde een laatste groet brengen!
Dan voer’ men 't lijk naar ’t graf! De ziel vloog hemelwaart;
keer ’t zielloos stofkleed weêr in ’t rustig stof der aard!
Eens echter, als de loop der wentelende jaren
mijn schedel met den last der rijkskroon zal bezwaren,
wordt mooglijk nog dit stof aan de aard te rug gevraagd!
Dan zal dat dierbaar hoofd, zoo gruwzaam eens belaagd,
nog met den diadeem, dien ’k haar bestemde, pralen,
en, zielloos, nog triumf op ’t beulenrot behalen,
dat de eer der heerschappij aan Pedroos gemalin
benijdde! Heel mijn volk zal haar als koningin
een sombre hulde biên! Verraders! moogt gy leven,
en zien, voor eerste straf, haar op den troon verheven,
wie uw gevloekte hand de reine borst doorstiet,
en ’t koude lijk, vorstin van ’t Portugeesch gebied!
Dien naam, dien kenne haar, by al haar hemelglorie,
deze aarde toe! Dien naam bevest’ haar ’s lands historie!
En roem’ haar ’t nageslacht, in dood en leven groot,
in ’t leven wreed vervolgd, gekroonde na den dood!

DE REI.

   Welk een akelige kreet
vult Coïmbraas sombre wallen?
   Welk een noodlot, gruwzaam wreed,
heeft haar vesten overvallen?
   Waarom rolt Mondegoos vloed
   met een dof gemurmel bloed
door haar jammerende boorden?
   Waarom roept het al tot God
   wraak op ’t helsche beulenrot,
dat een zwakke vrouw kon moorden?

   Ines, Ines ie niet meer!
Zy is ’t voorwerp van die klachten!
   Heel een volk vraagt Ines weêr
aan de monsters die haar slachtten!
   Haar, die meer dan vrouwendeugd
   by het tederst schoon der jeugd
in het vlekloos harte paarde!
   De eêlste bloem van Spanje viel! —
   Ach! de aan God gewijde ziel
was te zuiver voor deze aarde!

   De eerste dood, die ’t aardrijk zag,
was de dood des schuldeloozen!
   Wat deze aard te tuigen plag,
is de zegepraal der boozen!
   Hier regeert noch recht, noch God,
   hier, geen ander plichtgebod,
dan de vaste wil des sterken!
   Wie zal ’t dwingend algeweld,
   daar ’t zich-zelf geen palen stelt,
is zijn dollen loop beperken?

   Hoe ik keere mijn gezicht,
’k zie de misdaad triomfeeren!
   Troonen, door geweld gesticht,
laffe vleiers, die regeeren!
   Muichelmoord en snood verraad,
   aan het eervol roer van Staat,
in den purperglans gehuldigd!
   En der ondeugd schaamtloos hoofd
   met het lauwerblad omloofd,
aan rechtaarde deugd verschuldigd!

   Wat dan heeft dit aardsch tooneel,
daar ’t die gruwelen onteeren,
   dat een edel harte streel’
dat hem ’t leven doe waardeeren?
   Wat genoegen heeft het in,
   macht en gouddorst, wrevelzin,
driften, toomloos losgebroken,
   worstlend met elkaâr te zien —
   maar vereend op ’t hart gebiên,
dat zy rusteloos bestoken?

   Onschuld! Wat zult gy heir doen?
Nederige, wapenlooze!
   Wat vermoogt gy tegen ’t woên
van den onbedwongen booze?
   Weêrstand bieden vreest gy niet,
   noch, wanneer de plicht gebiedt,
’t heerschend onrecht te vervolgen?…
   ’t Alomvattende geweld,
   dat zich hier ten meester stelt,
heeft uwe onmacht reeds verzwolgen!

   Lijden, lijden is uw lot!
’t Lastig leven door te zwoegen
   met de hoop gevest op God,
dit is, Onschuld, uw genoegen!
   Maar ook dit wordt u misgund!
   Zoo gy ’t hoofd niet buigen kunt
voor d’ Afgodendienst der snoodheid —
   haat, vervolging staan gereed,
   laster, moord en al het leed,
waar uw zwakheid steeds voor bloot leit!

   Waarom dan de dood betreurd,
die geen leed brengt, maar bevrijden!
   De onschuld uit de klaauwen scheurt
van haar haatren, van haar lijden!
   Ach! de wil der Almacht spreekt,
   en de band des lichaams breekt,
en de ziel stijgt op ten hoogen!
   Daar herstelt een eeuwge rust,
   daar verkwikt een eeuwge lust
in den schoot van ’t Alvermogen!

   Dierbre, koninklijk vrouw,
om wie onze tranen stroomen!
   Eeuwig voorwerp van den rouw
die ons hart heeft ingenomen!
   Dit, dit noodlot is het uw!
   Monsters van wier naam ik gruw,
snoeiden uw onschuldig leven!
   Maar de woede van den haat,
   die zijn prooi ter nederslaat,
heeft tot de Englen u verheven!

   Bloei dan welig in Gods hof,
bloem, zoo jeugdig afgesneden!
   Bloem, zoo vroeg, zoo wreed in ’t stof
door een vloekbren voet vertreden!
   Daar herademt ge, en vergeet
   al het doorgeworsteld leed,
al de broze vreugd der aarde,
   die één dag ontluiken ziet,
   één dag omwerkt in verdriet;
vreugde, niet voor u van waarde!

   Maar het naar u smachtende kroost
zult ge omzweven en bewaken!
   Maar den êgâ, wien geen troost
in ’t verscheurde hart durft naken,
   zult ge onzichbaar gadeslaan,
   en de wanhoop doen weêrstaan,
die ons ’t uiterste doet vreezen!
   Ja, gy zult, ofschoon dees grond,
   door geen weldaân u verbond,
Portugals beschermgeest wezen!

   Immer blijft de vlek van ’t bloed
op Coïmbraas bodem kleven!
   Immer zal Mondegoos vloed
klachten murmlen om uw sneven!
   Van uw schoonheid, van uw deugd.
   Van uw droef verwelkte jeugd,
zal geheel de wereld wagen!
   En ’t ontmenschte beulenrot,
   by de strenge wraak van God,
ook den vloek der menschheid dragen!


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden op: 10 juni 1997