ISAC DA COSTA (1798-1860)

TER VIJF EN TWINTIGJARIGE ECHTVIERING

VAN DEN HEER

WILLEM DE CLERCQ

EN VROUWE

CAROLINE CHARLOTTE BOISSEVAIN,

29 JULIJ 1843.

Waak op, waak op, spreek een liedBoek der Richteren V : 12.

   Langs uwe breede lindetoppen, Heemstes beemden! keer op keer,
langs uw bochten, kalme Gliplaan en waar Haarlems gulzig meir
reeds zijn watertemmers naadren, reeds zijn bed berennen ziet,
ruischten stemmen in mijne ooren: „Waak op, waak op, en spreek een lied!”
Zouden die geen werklank vinden, op mijn harp als in mijn hart,
die my  t blijde feestuur melden, dat hier  t al tot zanglust tart.
die my  t zalig feest verkonden van den broeder, dien  k bemin,
en mijn boezem reeds doen tintlen van een  zelfden dankbren zin
met de Godgewijde vreugde van het dierbaarst Christenpaar,
by het ronden van hun echtheil tot zijn vijf en twintigst jaar!

   Weder vijf en twintig jaren! Op dien klokslag vond reeds meer
mijn schier uitgebluschte dichtkracht nieuwe levensvonken wer.
En ik greep op nieuw de cither, van een hooger vuur bevrucht,
ja, ik dreef wer op uw golven, ja, ik zwom wer in uw lucht,
pozy, my eens zoo dierbaar! pozy, my wer vergund!
pozy, die in uw toonen alles wedergeven kunt
wat de ziel gevoelt in  t binnenst,  t zij ze aanschouwt, hetzij ze aanbidt,
of by  t woord des Eengen Meesters luistergretig nederzit.

   Was die dichtvlucht slechts het afscheid van een vroeger levenszucht?
Is de dichtgaaf slechts een bloesem, onbestaanbaar met de vrucht?
Zullen hymnen nog eens stijgen, uit mijn wer herleefde lier?
Of besloot veeleer voor altoos zich mijn dichterloopbaan hier?
Hooger wil zal dat beslissen, wat ik zelfs te wenschen schroom!
Geef my waarheid, slechts, o Hemel! weg met d  ijlen dichterdroom!

   Doch wat verder ook moog worden van mijn nergelegde luit,
op uw feestdag, dierbre Bruigom! by uw echtheil, achtbre Bruid!
zou my zwijgen mooglijk wezen? — Eer bewogen zich van zelf
deze snaren, zegegalmend, onder  t groenende gewelf,
dan dat deze heilgedenkdag, dan dat dit bevoorrecht feest
door des Bruigoms boezembroeder onbezongen waar geweest! —
Laat my met U mogen loven!  k Zag sints meer dan twintig jaar
wat U God gaf voor elkander, wat U God gaf in elkar.
 k zag Uw huis van vrede bloeien, gullen zin, herbergzaamheid;
 k zag het vette beloften aan Gods Isrel toegezeid,
toegeworpen aan uw zieldorst naar Zijn heilgeheimenis;
 k zag de olijvenplant ontbotten en zich kronklen om uw disch.
Wat uw handen ondernamen, liep voor  s Heeren hand U me.
Dreigden stormen? Hy sprak kalmte. Staken doornen? Hy gaf vre. —
Josephs zegeningen daalden op uw schild bevoorrecht hoofd.
Zij met beving en aanbidding Zijn weldadigheid geloofd!

   Ziet dien zegen nog vermeerderen; ziet uw heil steeds opgebouwd
van die Liefde, wie geen mildheid aan de Zijnen ooit berouwt.
Zie uw zonen, blijde Moeder! als zes stampilaren staan.
Zie uw dochter, dankbre Vader! tusschen Sions maagden gaan.
Zie ze groeien, zie ze bloeien, zie ze zegenrijk gepaard.
Zie de spruiten van uw spruiten om uw feestdisch eens geschaard,
als na vijf en twintig jaren wer uw echtheil wordt gevierd,
als een gouden bruiloftseerkroon eens uw zilvren haren siert.
Maar by alles, waar Gods vrijmacht uwe ziel me overgiet,
houdt Ge uws harten schat voor oogen in een hooger heilverschiet!

   Daar zal ’t eeuwig bruiloft wezen, eeuwig blijdschap, eeuwig lof,
waar voor Hem, die overmocht heeft, alles nerbuigt in het stof.
Waar de Hemelharpenaren, waar de schaar die niemand telt
en de gouden cithersnaren haars Verlossers Naam vermeldt.
Waar het bliksemt in hun handen van het schudden van den palm.
waar het dondert in hunen keelen van den daverenden psalm:
„zij aan ’t Lam dat voor ons bloedde lof en dank in eeuwigheid,
„die tot koningen ons heiligt, ons tot priesters heeft bereid.”
Waar by ’t knielend nederwerpen aller kroonen voor den troon
van d’ op Golgotha Geslachten, van den ongeschapen Zoon,
opengaan al uw fonteinen, eeuwge Liefde, liefde Gods,
aller liefde en alles levens eeuwge Bron en eenge Rots!
Daar, daar zingt men van die liefde, die zich willig overgaf
aan de smerten van den kruisdood, aan de diepten van het graf,
aan den eisch van ’t Godlijk strafrecht, aan den banvloek van die Wet,
tusschen God en d’ overtreder onverbrekelijk gezet.
Daar, daar zingt men van de wegen, door den Herder toebereid
aan de schapen Zijner weide tot hun volle zaligheid;
van de paden, afgewogen naar ’t onfeilbaar heilbestek;
van die schapen, tevens zondaars, tevens heilgen zonder vlek;
van het manna dat zy aten, van de tuchtro die ze sloeg,
van de tranen die zy schreiden, van de ontferming die ze droeg;
van het voorgenot des Hemels, hun gegund soms op deze aard,
met de smart van ’t vreemdlingswezen wondergoed en wijs gespaard: —
maar van God steeds in dat alles, van Zijn grootheid, van Zijn Naam,
van des Vaders, van des Gols, van des Troosters lof te zaam.

   Ook uw stem eens zal daar juichen, dierbre Bruidegom en Bruid!
ook uw dankgalm eens zich mengen aan der heemlen maatgeluid.
Daar, zoo ’t Boek der Heilbesluiten van d’ oneindig wijzen God,
voor zijn Zaligen ontsloten, al de gangen van hun lot
voor hun oogen zal onthullen in hun speling en verband,
op zal heldren in hun diepten voor een zondenvrij verstand,
zal de stond, herdacht op heden, met geen eeuwen ondergaan,
maar volheerlijk in het midden uwer levenswegen staan.
Daar dan ziet gy die twee namen van de CLERCQ en BOISSEVAIN
(ook de stamnaam dien wy voeren was voor ’t Godsplan niet te klein)
opgeschreven in dien raadslag tot een eenig levenslot, —
uw geslachten uit vervolging om het levend woord van God,
by het licht der Kerkhevorming aan Zijn vaderlijke hand,
om in U elkar te ontmoeten, heengevoerd naar Nederland.
Uwe harten saam verbonden, saam gesmolten, n gemaakt
in de vlammen van dat minvuur, dat noch mensch, noch Engel wraakt;
uwe handen, uwe wegen voor des Heeren aangezicht
t’ zaam gevlochten, t’ zaam verwaardigd tot een zelfde liefdeplicht, —
straks uw beider zielsgedachten by een zelfde vraag bepaald,
beider oog te zaam geopend, en door ’t eigen licht bestraald;
’t voor geen menschenkracht bereikbre, voor geen deugd of boete veil,
’t door Gods Liefde en Recht en Waarheid eenig uit te werken heil
u in Christus vrij geschonken, U in Christus gantsch volbracht,
als geen eeuwen nog bestonden U in Hem reeds toegedacht.
Van toen af steeds sterker zielzucht, by ’t verhoogde levensdoel,
lager schatting van al ’t aardsche, dieper zonde- en heilgevoel;
hooger streven by ’t bewegen ook in nederiger kring,
feller strijd en hooger blijdschap, hooger bruiloftsnoodiging.

   Waar de Hemelharpenaren, waar de schaar die niemand telt
op hun gouden cithersnaren des Verlossers Naam vermeldt,
waar voor ’t Lam, dat overmochtr heeft, alles nerzinkt in het stof,
daar zal ’t eeuwig bruiloft wezen, loutre blijdschap, louter lof.

   Feestgenoten! lotverwanten! gy misduidt den Zanger niet,
dat hy midden door de galmen van het zilvren bruiloftslied,
dat hy midden in uw vreugde diepe doodsgedachten mengt,
en de roepstem van den Hemel in zijn be voor de aarde brengt.
Wordt niet morgen afgesneden, ook wat heden bloeiendst was?
met de bloemtjes van de velden, met de halmen van het gras?
Laat d’Egyptenaar misbruiken, wat den Christen opwaarts trekt!
Laat zijn mummie aan de tafel, voor den dartlen dwaas gedekt,
tot brooddronken weelde prikklen met de spotspreuk: „Eet en drinkt,
„eer uw leven, kort van stonden, in de nacht der eeuwen zinkt!”
Planten wy aan alle plaatsen de Evangelieheilbanier,
daar by ’t gapen van de graven, — by den gullen feestklank hier.

   Feestgenoten! lotverwanten! trouwe vrienden onzer jeugd,
die met ons U in den zegen van dit dankbaar paar verheugt!
gy, vooral, van God gebeden, aan God opgedragen kroost,
by den avond van ons leven, uwer oudren zoetste troost!
tot ons allen kwam de roepstem, ook aan dezen feestvreugddisch.
Heeft ons hart den God gevonden, die alleen een Rotssteen is?
Wil ons hart den weg des levens, met de doornen van dat pad,
dat door wondre kronkelingen opleidt naar de Hemelstad?
Werd de Christus Gods ons dierbaar met Zijn smaad en met Zijn kruis,
schoon de wereld Hem verwerpe, schoon Zijn vijand ons verguis’?
Zegt een stem in onze zielen op die Levensvragen: Ja?
Gaan wy deze levensvragen aan Gods voeten-zelve na?
Dan, o dan! door worstling zij het, door verdrukking, moeite of pijn,
dan hervinden we allen eenmaal ons gezegend samenzijn
aan het Avondmaal der Bruiloft van dat vlekkelooze Lam,
dat voor hulpelooze zondaars alles, alles op zich nam.

1843.


Ingezonden: 24 juli 1997

E-mail: J.R. van Wijk