ISAC DA COSTA (1798-1860)

AAN MIJNE DIERBARE EGADE,

OP HAREN VERJAARDAG

EENIGE DAGEN NA DEN DOOP ONZER JONGSTGEBORENEN.

Neen! ik bied u goud noch paerlen, of wat kostbaarst vloeien mag
uit de schatten dezer aarde voor een feestelijken dag.
Neen! uw keus is niet de weelde van een rijk bewerkt geschenk,
of wat uitgezochte gaven ’t blij verjarend hart bedenk’! —
Met een toongalm mijner snaren, met een uitgestorte be,
uit de diepte mijner liefde, houdt zich de uwe wel te vre; —
en daar is, daar is tot zingen in erkentnisvollen lof,
o! daar is voor dankend bidden, en aanbidden, volle stof.
Lieve werhelft van mijn leven! teedre moeder van mijn kroost!
in de smerten dezes levens steeds me op nieuw behouden troost!
rijke gunst des Allerhoogsten, my, de minste zelfs onwaard,
eens gegeven, vaak hergeven op een doornenteelende aard!
’k Zag ook thands u als herleven uit zoo menig worsteling.
wer de moederplaats hernemen in den huisselijken kring. —
Welkom, welkom aan die plaats wer! Welkom met het dierbaar kind,
waar ons hart een tweetal spruitjes, reeds verengeld, in hervindt!
waar ons hart een pand in zien mag van den God die slaat en heelt,
en in ondoordnkbre wegen rouw- en troostpan toebedeelt.
o! Het feest van uw verjaren is me een blijde zonneschijn;
schoon er nevels, sombre nevels, aan den hemel mogen zijn;
schoon er wolken mogen hangen over kerk en land en huis,
en zoo veel an rondsom toeroept: „Buig uw schouder onder ’t kruis!”
Wel dan! o! die toekomst wenke! met dat kruis bestaat de Hoop,
die ons zondaars werd verzegeld in den dierbren Christendoop. —
Dierbre! wat die doop verzekert ook aan ’t zwakgeloovig hart,
zij de be van onze zielen, in ’t gezicht van vreugd of smart,
zij de be van onze harten voor elkander, voor ons kroost,
zij, in worstling of verzoeking, onze toevlucht, onze troost,
zij, in leven en in sterven, onze rust en vaste rots:
„’t eigendom te zijn voor eeuwig eens Genadevollen Gods;
„ja, des Vaders die ons lief had; ja, des Zoons, voor ons geslacht,
„ja, des Geestes, die ons vrij maakt. — Hy is Liefde, Waarheid, Kracht.”

1841.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden op: 22 juli 1997.