ISAÄC DA COSTA (1798-1860)

EURYDICE.

Te, veniente die, te,
decedente, canebat.
- VERGILIUS.

„Herhaal mijn lier, herhaal den zang,
   „dien eenmaal Orpheus zong,
„den toon, die ’t klemmendst zielsverdriet
   „hem uit den boezem wrong!”

Eurydice, Eurydice!
   „Dus galmde dag en nacht
„aan Strymons eenzaam oeverzand
   „des dichters jammerklacht,”

Eurydice, Eurydice!
   Keer weêr tot uw gemaal!
Mijn boezem slaakt geen andre beê,
   zoo lang ik adem haal.

Genot des levens op deze aard!
   gy hebt gedaan voor my!
Eurydice werd u ontscheurd,
   en haar gemaal, als zy!

Mijne oogen, gunt den tranenvloed
   een onbeperkten loop!
De tranen zijn mijn toeverlaat,
   de wanhoop is mijn hoop!

Wat anders bleef er voor dat hart
   niet levend dan in schijn?
Voor welk een vreugd, voor welk een leed
   zou ’t nog gevoelig zijn?

Ten tweedenmale kwijne ik weg
   in weduwlijken rouw!
’t Sterf tweemaal ééne zelfde dood,
   ’k derf tweemaal ééne vrouw!

O goden! hadt ge nog uw haat
   niet fel genoeg geboet,
toen ik uw strengheid tuigen moest
   met meerder dan mijn bloed?

Toen ik in d’eersten bloei der jeugd
   een gade sterven zag,
en op ’t meêdogenlooze graf
waanzinnig, stervend lag!

Toen ik uw bliksems tergen dorst,
   en afriep op mijn hoofd,
en my ten prijs bood aan de dood,
   die me alles had ontroofd!

Maar neen! uw toorn misgunde my
   de kalmte van het graf,
en ’k werd gespaard, na al dien rouw,
   tot nog verschrikbrer straf.

Op eens schiet door mijn veege borst
   een straal van hoop en moed,
en stort een nieuwen levensgeest
   in d’omloop van mijn bloed!

’k Heradem, ’k voel weêr dat ik leef,
   ik ben my-zelve weêr,
’k ben de Orpheus weêr van vroeger tijd!
   Neen! duizendmalen meer!

De heil’ge drift der poëzy,
   vervangt de plaats der smart;
’t Ontwaar met nooit beproefden gloed
   de Godheid in mijn hart!

De Godheid, ja! der poëzy
   verleent my godenkracht!
Een meer dan menschelijk bestaan
   moet op dien stond volbracht!

’t Verleden onheil moet hersteld,
   de wet van ’t Lot bestreên,
en de onverbiddelijke dood
   door mijne stem verbeên!

Op de inspraak moedig van den God,
   die ’t dichtrenhart bezielt,
ontruk ik my aan ’t dierbaar graf,
   dat my geketend hield.

Ik hang het gouden speeltuig om,
   Caliopees geschenk,
dat eens ’t verbaasde woudgediert
   deed hangen aan mijn wenk.

’k Vertrek, ik spoed, ik ijk, ik vlieg
   naar ’t uiterst eind der aard,
waar zich het rijk de levenden
   aan ’t rijk der dooden paart!

De zwarte golven van den Styx
   bespoelen reeds mijn voet!
Reeds heeft my Charon in het oog,
   en roeit my in ’t gemoet!

My nadert, maar erkent een mensch,
   geen schim, van vleesch ontbloot!
„Van hier!” graauwt my de grijzaart toe,
   „geen levende in dees boot!

„Daar is geen toegang tot dit oord,
   „dan door de nacht van ’t graf,
„en wachte, wie het kennen wil,
   „het uur van sterven af!”

Ik antwoord niet, maar grijp met één
   de cither van mijn zij!
’k Lok uit de zacht bewogen snaar
   een sombre melody!

Een onbestemde melody,
   zielroerend als een zucht,
die uit het diepst des harten welt,
   en wegsmelt in de lucht.

De bootsman luistert, en voor ’t eerst
   treft hem eens menschen klacht!
Zijn fronslend voorhoofd heldert op,
   zijn norsche blik verzacht!

’k Vervolg: het bootjen nadert steeds
   den oever meer en meer!
’t Ontfangt my eindlijk, en, o heil!
   de grijzaart biedt geen weer!

Nu vare ik met de zoetste hoop
   in ’t opgeruimd gemoed
de negendubble kronkling om
   van d’ onderaardschen vloed!

Wy landen: ’k richt een vasten tred
   naar Plutoos schrikpaleis,
als op des hemels hulp gerust
   op mijn vermeetle reis!

Nu valt Cerbeer my grommend aan —
   één toon slechts van mijn luit
bedwingt zijn opgesparde keel,
   en dooft zijn gramschap uit!

De ivoiren poorten oopnen zich;
   de helwacht staat geschaard;
’k stap midden door die monsters heen,
   voor dood noch leed vervaard!

Één oogwenk voer my in ’t gezicht
   der onderaardsche goôn!
Één oogwenk voer my aan den voet
   van hyn ontzachbren troon!

Daar zat de norsche geestenvorst
   naast Ceres schoone spruit,
dien trek van strengheid op ’t gelaat,
   die wienig heil beduidt!

Met de uitgezochtste mengeling
   van toonen, hemelzoet,
breng ik het koniklijke paar
   den dichterlijken groet!

Door nooit gevoelde boezemdrift,
   door nooit gekende kunst,
win ik by de eerste snarengreep
   hun aandacht, ja, hun gunst!

Ik huw aan d’ invloed der muzijk
   de kracht der dichtrentaal,
en, golvend op den cithergalm,
   vervult mijn stem de zaal!

Nu zing ik van de kracht der min,
   het zoet der huwlijkstrouw,
nu zing ’k het hoogste heil den mans,
   de weêrmin van een vrouw!

’k Verhef in gloeiend maatgezang
   den lof van ’t godlijk kind,
dat aarde en hemelen bezielt,
   en goden-zelf verwint.

Ik voer die gouden dagen weêr
   van uit der eeuwen nacht,
toen Pluto zelf zich onder wierp
   aan Liefdes oppermacht.

Ik zing de hemelschoone maagd
   van Ennaas bloeiend veld,
ten troon van ’t schimmenrijk gevoerd
   door ’t wenschelijkst geweld.

Maar nu vervangt een ander lied
   het zachte lied der min.
Ik stel in hoog gestemden toon
   den lof der goden in!

Den lof der goden hef ik aan
   van hemel hel en zee,
bedeelers van der menschen lot,
   gevoelig aan hun wee.

Groot en aanbidlijk is hun hand,
   als zy kastijdt voor ’t kwaad:
maar de eigen hand herstelt ook vaak
   de wonden die zy slaat.

En met een tweeden overgang
   tot teedrer melody,
begint mijn stem het droef verhaal
   der rampspoed die ik lij’.

Ik maal dat meer dan menschelijk heil,
   helaas! zoo ras verbeurd.
Ik maal de aanminnigheén der gâ,
   my van het hart gescheurd.

Ik melde wat ik eenmaal was!
   Ik toone wat ik werd:
een bloote schaduw van my-zelf,
   een levend beeld der smert.

Ik zinge uit overmaat van rouw,
   als droeve Philomeel:
en ’t is haar kunstelooze toon,
   dien ’k half bewustloos kweel.

In ’t eind begeeft my zelfs die kracht;
   ik wil, maar kan niet meer!
Mijn cither zwijgtm, ik storte my
   voor ’s Vorsten voeten neêr!

„Weldadig God!” roep ik nog uit,
   „Eurydice of ’t graf!”
dus eindig ik mijn bittre klacht
   en wacht mijn vonnis af.

Dat vonnis (hemel! welk een vreugd!)
   zal my genadig zijn.
’k Bespeur den voorboô van mijn heil
   in ’t oog van Prosperijn.

Dat oog doorglinsterd van een traan,
   wendt zy tot haar Gemaal!
Dat oog dringt door tot in zijn hart! —
   en ik, ik zegepraal!

„Vermeetle, maar gelukkige!”
   dus spreekt my Puto aan,
„de dood hergeeft voor ’t eerst haar prooi:
   „uw bede is toegestaan!

„’k Hergeef Eurydice aan de aard —
   „maar hoor naar mijn gebod!
„want uw gehoorzaamheid alleen
   „beslist uw volgend lot.

„Bedwing uw vuur’ge liefdedrift!
   „Aanschouw uw gade niet
„zoo lang uw voet den grond betreedt
   „van mijn geducht gebied!

„Wend thands uw aanzicht van my af!
   „Ontfang uw êgaâs hand!
„Leid haar in hooger luchten weêr!
   „maar doe mijn woord gestand!”

Zoo spreekt hy: ’k dank hem met een traan!
   Ik wend mijn aanzicht af,
en ’t machtig heilwoord wordt vervuld,
   dat de Godheid gaf!

Ik druk die aangebeden hand,
   daar ze in de mijne rust,
de boezem vol van tederheid,
   verlangst en hemellust!

Ik worstel met mijn ongeduld,
   terwijl wy opwaarts gaan!
’k Bedwing mijnoog, en zelfs mijn stem —
   het uur der vreugd spoedt aan!

Reeds glanst de heldre gloed der zon
   weldadig op ons neêr!
Een enkle oogwenk toevens nog,
   ’k heb mijn gade weêr!

Helaas! een enkel oogenblik
   verandert heel mijnlot!
Mijn brandend ongeduld vergeet
   het Vorstelijk gebod!

Aan mijn te volle borst ontvloeit
   het zalig WELLEKOM!
„Wees welkom (roep ik) dierbre gâ!”
   En, hemel! ik zie om!

’k Zie om, en ach! geen gade meer!
   Ik ben op nieuw alleen!
In ’t zwart verschiet versmelt een schim —
   Eurydice verdween!

Wat zoude ik op dien schrikbren stond
   my-zelf van schuld bewust,
het hart van schaamte en rouw vervuld,
   in plaats van hoop en lust?

Helaas! ik deed geen poging meer
   tot redding in dien nood!
’k Verwachtte voor geen tweede maal
   genade van den Dood!

Ik geef my over aan mijn lot,
   aan wanhoop zonder perk,
en keer naar ’t aardsche strafverblijf,
   in dit vooruitzicht sterk.

Gy, Strymons Stroomgod, ziet my sints
   verkwijnen aan uw boord,
terwijl noch sterveling, noch God
   mijn bittre klachten hoort!

De zon, die opstijgt uit de zee,
   verrast my in dien staat;
In de eigen houding ziet ze my,
   als zy de kim verlaat!

Dit droevig oord kent reeds mijn smart!
   en aan den doffen toon,
die mijne Eurydice herroept,
   is de Echo reeds gewoon.

Gy, Stroomgod, die mijn tranen zwelgt!
   tuig eeuwig van mijn leed,
tuig Orpheus nooit verbroken trouw,
   tuig Orpheus dieren eed!

Ik zweer ’t by mijn verloren heil!
   by mijn onlijdlijk wee!
by uwe nagedachtenis,
   o mijn Euridice!

Ja, by de waatren van den stroom
   van ’t wreede rijk der doôn,
(een eed, nooit strafloos overtreên
   zelfs door de Hemelgoôn!)

Dat nooit een tweede huwlijksvlam
   zal blaken in dat hart,
mijn gantsche leven lang bestemd
   tot weduwlijke smart!

Ja! ’k zweer, o wufte Mingodes!
   uw dienst voor eeuwig af,
aan de assche van mijn gâ getrouw,
   tot aan den rand van ’t graf!

Intusschen klink, mijn cither, klink
   maar net dan WEE EN ACH,
ter eer der aangebeden schim,
   tot aan mijn jongsten dag!

En als de naneef Orpheus roemt
   als dichter eenmaal groot,
zoo kenne, zoo betreur’ hy ook
   zijn lot, als echtgenoot!


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden op: 3 juni 1997.