ISAÄC DA COSTA (1798-1860)

E Z E C H I Ë L.

   Aan de oevers van een nederigen vliet,
met stillen gang d’ Euphraat in de armen loopend,
zit eenzaam en verdiept in ’t zielsverdriet,
toch op den God van Isrels toekomst hopend,
Ezechiël, de balling, Buzis zoon, (Ezechiël I : 1 - 3)
Ver uit zijn oog blijft in zijn boezem leven
de Tempelstad, om naar Chaldeeuwsche goôn
’t Chaldeeuwsche zwaard reeds eenmaal prijs gegeven,
weldra op nieuw, om volks- en koningsschuld,
ter plundering, ter plettering verwezen,
omdat de maat des grouwels werd vervuld,
in priester en propheet ten top gerezen.

   Aan d’ oever van den Cheber zit de man,
op Babylonisch erf van God geheiligd
ten priester en propheet, en van den ban,
op Palestina wegende ach! beveiligd
door ’t zout — der vreemdlingschap, waarin hy zucht.

   Op eens! zie daar, de heerlijkheid des Heeren
omschittert hem. De Noorderstreek der lucht (Ezechiël I : 4 - 28
scheen zich een oogenblik in nacht te keeren!
Een wolk, van vuur bezwangerd en verlicht,
snelde aan op vleuglen van den storm, — een wagen,
door wonderwezens vreemd van aangezicht
en vorm, in ’t ruim bewogen en gedragen.
De raadren van dien wagen in zijn vaart
doordaveren met donderende wieling
de vastigheên des hemels en der aard.
Toch dreigen zy, maar brengen geen vernieling.
Het wolkgespan zijgt statig van omhoog;
en ziet! een troon, en op den troon, met vuren
omvonkeld van saffier en regenboog,
een man met majesteit omgord. Verduren
vermocht geen sterflijk oog den gloed en glans,
die om die lenden speelde, en half bezweken
by d’ eersten blik, ontfangt de Ziender thands
gezichten in den geest, en woorden om te spreken.

   Wat zag hy? zonde en afval van rondsom!
Gods Israël in wedstrijd met de volken,
wie onrecht, snoodheid en afgodendom
godtergender zal staaplen tot de wolken!
Wat zag hy? dan eens Sidon, hoog van macht,
en Tyrus in den rijkdom van haar schoonheid,
terwijl haar Vorst in volle Cherubpracht
als in een Eden Gods zich-zelf ten toon spreidt; —
straks Tyrus beide en Sidon in het stof,
een schriktooneel, een schande en smaad geworden —
(Ezechiël XXVI , Ezechiël XXVII , Ezechiël XXVIII)
dan weêr Jerusalem, niet meer een lof
op aarde, maar een moordkuil van wanorden,
Adonisdienst en vuile afzichtlijkheên,
van uur tot uur ten oordeel aangeschreven, —
geen maagd, geen huisvrouw meer dan der jonkheid, neen!
maar overspeleres, van God begeven (Ezechiël VIII)

   Wat sprak hy? over Judaas stad en stam,
Gomorrhaas vloek en Sodoms zwavelregen! (Ezechiël XVI)
van uit den hemel zengend vuur en vlam
van pest, met schrik, uit d’ afgrond opgestegen!
Van Babylon, een uitgetogen zwaard,
een zwaard ter wraak, ter slachting blank geslepen!
Geen vrouw verschoond, geen zuigend wicht gespaard,
maar als door beulshand ten gericht gegrepen!
Beleegring en benaauwdheid allerweeg, —
bestorming en vernieling, ongeduldig
naar prooi, — het land van zijn bewoners leêg!
Verstrooiing en ellende duizendvuldig!
Doch over Ammon mede ’t strafgericht,
en over Moab, Edom, Philistijnen,
en wie nog meer by ’t roerende gezicht
van Isrels straf, van Judaas stervenspijnen
de lip vertrok tot vreugde of hoongelach:
en over dat Egipte, by wiens paarden
(Ezechiël XXV , Ezechiël XXIX , Ezechiël XXX)
Gods volk van ouds zijn heil te zoeken plach,
als zich Chaldéaas oorlogsbenden schaarden.
Ja, oordeel, straf en wraak, naar ’t recht van Hem,
by wien geen onrecht werkelijk is of denkbaar,
vernam het oor, verkondigde de stem
des mans, in God onwankelbaar, onkrenkbaar.
Maar toch nog meer dan louter strafgericht
op tot den hemel schreiende schandalen,
werd hem getoond in ’t hemelsch vergezicht,
werd aan zijn stift vertrouwd af te malen.
Neen! in geen pest en krijg en wraakbetoon
voleinden zich de Godsverborgenheden.
Daar is, daar komt een dag van schrikbaar loon
voor ’t in Zijn weg volhardend overtreden,
maar ook van heil, hoe ook uit smart gebaard, —
van vrede zonder stoornis, zonder menging, —
een dag van glorie van den Heer op aard,
en ook voor Isrel eens van wederbrenging.
De chaos van dit wereldsch stofgebroed
wordt eens, wordt voor altoos, door licht vervangen
van heiligheid en heerlijkheid, begroet
door aller schepslen hulde en heilfeestzangen.
De zondvloed wijkt, de regenboog breekt door!…
De zoon van Buzi zag ook deze tijden.
Aardbeving, vuur en stormwind gingen voor;
straks werd het stilte, en, in die stilte, uit lijden
het woord van deernis en vergeving, — ’t woord
van redding, van heraadmen na versmachten.
De ziener hoorde en zong en plantte ’t voort
in prachthebreeuwsch tot verre nageslachten: (Ezechiël XXX)

   „Hoor, menschenkind! en propheteer,
„en dat het Isrels bergen hooren,
   „wat tot u spreekt der Heeren Heer,
„die zich ten tolk u heeft verkoren.

   „De spotkreet komt Mijne eer te na,
„door Isrels haters aangeheven:
   „zijn eeuwge heuvelen werden, ha!
„„zijn hoogten ons ten erf gegeven.”

   „Zoo hoor, o Israëls gebergt’!
„En hoort, gy stroomen en gy dalen!
   „het woord des Konings fel getergd,
„en ’t reik’ tot ’s aardrijks verste palen!

   „Ja, hoort het, vesten lang verwoest!
„en niet meer kenbre stadsruïnen,
   „wier ramp en roof getuigen moest
„van ’t ijvervuur des Ongezienen!

   „Zie! ’k geef Mijn liefde weder lucht.
„Voleind zij ballingschap en kommer!
   „Uw bergen dragen weder vrucht,
„uw boomen schenken weder lommer.

   „Beroofd, geschonden, afgeplukt
„werd lang de Libanonsche ceder,
   „zijn wortels werden uitgerukt,
„zijn breede takken smakten neder!

   „Maar op dien eigen Libanon
„doe Ik een hoofdstuk wortel schieten;
   „de koestring zal hy van Myn zon,
„en van Mijn daauw het vocht genieten.

   „Dat ’s hemels vooglen immermeer
„in schaduw schuilen van dien ceder! —
   „Dat zal Ik geven, spreekt de Heer,
„Ik die verhoog, Ik die verneder! (Ezechiël XVII : 22 - 24)

   „Ge ontheiligdet Mijn dienst en naam,
„gy hebt uws afvals loon verkregen.
   „Het oog der volkren al te zaam
„zag u een toonbeeld Mijner wegen.

   „Doch eens (om uwentwille niet,
„maar ’t rommlen Mijner ingewanden!)
   „voer ik naar eigen grondgebied
„uw stammen op uit alle landen.

   „Gevonden wordt gy in uw bloed,
„rein water zal Ik op u plengen!
   „van zonden, nooit naar eisch geboet,
„zal Ik, Ik-zelf, u zuiver sprengen.

   „’k Neem van u weg het hart van steen;
„een vleeschen hart zal Ik u geven,
   „waar ’t heilgebod, steeds overtreên,
„dan door Mijn Geest wordt ingeschreven.

   „Ja, geven zal ik u dien Geest
„ten liefdebond, als nooit voordezen!
   „De voorge dingen zij geweest!
„Het zullen nieuwe tijden wezen.

   „Ik weêr uw God, en gy Mijn volk,
„u-zelf ten walg om zondevlekken,
   „die als een nevelende wolk
„Ik, uw Ontfermer, op doe trekken,

   „Uw woestenij wordt weêr een hof,
„een Godewelgevallig Eden!
   „Uit reeds vergeten puin en stof
„herrijzen hemelschoon uw steden.

   „Zaagt gy die graven opengaan? (Ezechiël XXXVII : 1 - 14)
„Zaagt gy die beendren zich bewegen?
   „Die dooden op hun voeten staan,
„hun lange rustplaats uitgestegen?

   „Die beenderen zijn Isrels zaad!
„Ik heb Mijn Geest in hen gegeven!
   „Hun naam, hun eer, hun kroon, hun staat,
„’t zal alles uit den dood herleven!”

            1852.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 26 mei 1997. (Gewijzigd 13 juni 1997).