[OP HET GORKUMSCHE HEIDENDOM. De aanleiding tot de vervaardiing van dit dichtstukje werd bij de afzonderlijke uitgave door den Dichter zelven in een uittreksel uit de „Amsterdamsche Courant” aldus opgegeven:]

   „Dordrecht, den 24 Juny. De alleszins vereerende receptie, welke een gedeelte van de in het Vaderland terug gekeerde dappre verdedigers der Citadel van Antwerpen voorgisteren in het naburig Gorichem genoten hebben, ons door een ooggetuige medegedeeld, is te onderscheidend, dan dat die niet zoude verdienen, meer te worden bekend gemaakt.
   De stad was, enz. — Ter wederzijde was eene graftombe gevestigd met het opschrift: Ook wy waren op de Citadel; symbolisch herinnerende aan de gesneuvelde helden op dezelve; welke Tombes, zeer treffend, door levende treurwilgen worden overschaduwd. Op kleinen afstand voor dezelve zag men twee Grieksche Drievoeten, op welken later het offervuur gebracht werd.
   Kortheidshalve, enz. Vervolgens werden de 8 andere jonge Jufvrouwen, met de bloemmandjes opgeleid, en plaatsten deze zich ter zijde van den Heer Opperkommandant, terwijl de twee eerst opgetredene jonge Dames zich achter de opgerichte en nu ontstokene outers plaatsten, en zich gereed maakten, om by het defileeren der dappere Verdedigers van de Citadel kort langs de Estrade, den wierook te plengen voor dezelve, die tevens dan ook ter nagedachtnis van de roemvol gesneuvelden opklom. Weldra nu begon het dfi en nu zag men de offers branden, enz.”

Amsterdamsche Courant van Woensdag den 20sten Junij, 1833.