ISAÄC DA COSTA (1798-1860)

H E I M W E E.

                             Kennst du das Land?

Kent gy het land, waar hoog de ceder wies?
een adem Gods door ’t moerbeiboomdal blies?
van ’t eêlste bloed de bruine druifhrots zwol?
de olijftak glom, van malsche koornen vol?
   Kent gy dat land? daarheen, daarheen,
o leidsman mijner vaadren! voer mijn schreên!

Kent gy de stad? Haar hoog en heerlijk huis
maalde, eeuwen door, by palm- en lofgeruisch,
met offerbloed, in ’t heiligdom gebracht,
den Redder af, door eigen volk geslacht.
   Verstrooide schaar, daarheen, daarheen!
de Rijkstad ligt niet voor altoos vertreên.

Kent gy het volk? Zijn dooden leven weêr
Zijn stammen gaan weêr opwaart, God ter eer.
Zijn oog aanschouwt wiens hart zijn misdrijf brak.
Vergeving stroomt uit d’ ader, dien ’t doorstak.
   Daarheen, o aard, den blik! daarheen
Uw heil vangt aan by ’t einde zijner weên!

            1855.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 25 mei 1997.