ISAC DA COSTA (1798-1860)

D E N  H E E R E   J. J. F.   WAP,

TEN ANTWOORD OP DE TOEZENDING

VAN ZIJN

UIT HET LATIJN OVERGEBRACHT DICHTSTUK:

AAN DE BELGEN.

Vereenigd in den grond, die beider volkstam voedde,
door zusterlijke taal en eigen poezy,
eens in den zwaai omvat van Karels schepterroede,
thands onder Nassaus schaaw van ’t vreemde dwangjok vrij,
scheen Belg en Batavier, dus tot n volk herboren,
een zegenvolle roem van nieuwen bloei verkond,
had slechts ’t ondankbre volk dien Rots ten heil verkoren,
waarop Oud-Nederland eens zoo ontzachlijk stond!
Maar neen! een andre Geest blies over deze streken;
des Oproers Tuimelgeest, met dwang- en dweepzucht n,
daagde op, en dreigt vol woede in stormen los te breken,
om wat nog Nerlandsch scheen, of heilig, plat te tren!
Ga voort, o wakkre Wap, door dichtvuur aangedreven!
Neem taal en dichtkunst, neem ’t historieblad te baat!
Bestrijd den opstandkreet, reeds luidkeels aangeheven,
en waarschuw Belgi voor het broeiend slangenzaad!
Maar weet! een hechter band moet Noord- en Zuiderstammen
omvatten, eer hun vre, hun redding mooglijk zij!
Een meer dan aardsche hulp met eedgespan verlammen: —
neen, Nerlands erfgrond kan gelukkig zijn noch vrij,
dan door ’t aloud Verbond, dat Willem van Oranje
in ’t Christenheilgeloof met d’Allerhoogsten sloot,
en, tot den wissen val van meer dan Flips en Spanje,
betuigde met zijn bloed, en inriep in zijn dood!

30 maart 1830.


E-mail: J.R. van Wijk

Ingezonden:16 juli 1997