ISAÄC DA COSTA (1798-1860)

DES DICHTERS LOTBESTEMMING.

                                      Vulnus alit venis et caeco carpitur igni

                                                                                                  VIRGILIUS.

Voorafspraak: „Des Dichters Lotbestemming.”

   Wie zijt ge, gunsteling des hemels, aan wiens oog
geheel een wereld hangt, als de invloed van omhoog
in menschelijke aderen dat hemelsch vuur doet vloeien,
waarvan uw adem brandt, waarvan uw tonen gloeien!
wiens enkel stemgeluid met onbeperkter kracht
zich uitbreidt, dan ’t geweld der waapnen, dan de macht
der scherpste dwinglandy! Want gy regeert op zielen,
en wat een hart bezit, moet voor uw almacht knielen!
Wie zijt ge, o dichter! mensch of Engel? Engel wis!
indien der Englen taal der Englen kenmerk is!
Of mensch? O dan voor ’t minst gelukkigste der menschen!
begaafd met hooger heil, dan ’t doel zelfs van hun wenschen,
als zy den glans van roem, van aanzien, rang en goud
afsmeeken van het Lot, en zich hun mond verstout
aan de Alvoorzienigheid de wegen af te perken,
waar langs zich ’t levensheil zijns schepsels moet bewerken!
Neen! Dichter! Neen, gy deelt in hun verblindheid niet!
Dier driften heerschappij is vreemd aan uw gebied!
Te vreê met in uw borst der Godheid aâm te ontfangen,
en dien met heel uw ziel te storten in uw zangen,
kent gy noch hooger gloed, noch d’ aanval van de smart,
en ’t heil der wereld woont in uw gelouterd hart!

   Het heil der wereld? Ja! In die volzaalge stonden
(Te vluchtig), wen de geest als van het stof ontbonden
weêr naar zijn oorsprong trekt, en ’t wereldsche gewoel
van om hem heen verdwijnt en plaats maakt voor ’t gevoel,
wiens zaligend geweld hem wegsleept; idealen
van schoon- en waarheid uit de hemelkringen dalen,
de aloudheid zich herschept, de toekomst zich onthult!
O heilig dan de vlam, die ’dichters hart vervult,
en voor een oogwenk, ja! de weelde leent der Engelen,
als ze in den aanschijn Gods hun lofgezangen mengelen!
O! voor het hemelsch licht, dat deze vlam verspreidt,
vervliegt de duisternis van drieste onwetendheid,
en bleekt de scheemring weg van ingebeelde kennis,
waar de afgevallen mensch zich meê tot heiligschennis
en eigen jammer heeft gewapend. Dichter, gy
geniet dien heilstaat reeds, door ’t woord der profecy
aan ’t menschdom eens beloofd, wanneer de nietigheden
der aarde voor ’t genot van ’t ons herwonnen Eden
bezwijken zullen, en voor blinden eigenwaan
het wezenlijk geluk by ’t menschdom zal bestaan!

   Maar ach! Niet altoos blaakt die toovervlam in ’t harte!
Ook gy, o dichter! werdt voor de aardsche levenssmarte!
Door ’t lichaam zijt ge meê aan ’t doode stof verwant,
en tegen d’ invloed van een God in ’t niet bestand!
Voor dierlijk zijn gevormd zou ’t in dien gloed verteeren,
of ’t grove lichaam moest in ’t fijnste weefsel keeren!

   Zoo breekt die droom dan af (die waarheid eens zal zijn!)
wiens weldaad, machtiger dan ziel- en lichaampijn,
u inwijdt in ’t besef van leven. Ach! te spoedig
ontglipt hy u, en gy, verlaatne, die zoo moedig
de ziel verheffen dorst tot heemlenheilgenot,
gy zinkt weêr in ons niet, gy deelt weêr in ons lot……
Helaas! des werelds heil omvat uw hart niet langer!
Maar meerder nog! dat hart, van andre zuchten zwanger
dan de aarde kan voldoen, en aan zich-zelf bewust
van hooger vatbaarheên, en van verheevner lust,
vernoegt zich met geen praal van grootheid, met geen logen
der zinnen. Hemelsch heil zweeft voor uw sterflijke oogen,
verbeelding stookt de vlam van uw verlangen aan
en de aard heeft niets meer dat voldoening schenkt, ’t bestaan
geen oogenblik genot, dan slechts de zielvervoering
der Dichtkunst, de eigen bron dier steeds vernieuwde ontroering!

   O treurig strafverblijf van Adam en zijn bloed,
dat nog voor ’t eerst vergrijp van d’ eersten vader boet!
Toneel van gruwelen, van onrecht, leed en plagen!
hoe kwelt gy ’s dichters geest! Hoe diep is hy verslagen
by ’t jammerlijk gezicht der strenge wraak van God!
Zijn oogen schreien bloed by ’t diep vervallen lot
van Edens ballingen. Ach! waar hy de oogen wende,
wat ziet hy, dan het merk van misdaad en ellende?
Waar bleef dat wezen, naar zijns Scheppers evenbeeld
geschapen, dat den rang der Geesten heeft gedeeld?
Wien ’t alles hulde bracht als Opperheer der aarde?
Die Engelenvernuft aan kindrenonschuld paarde?
Waar bleef dat hemelsch schoon van lichaam beide en ziel?
Waar bleef hun kracht? Hun glans — Helaas! dat wezen viel!
’t Vergat zijn God, zich-zelf, zijn vroeger heil en grootheid,
en ’t menschelijk harte werd het heiligdom der snoodheid,
het menschlijk lichaam tot der wormen aas bestemd!
Sints heeft een ijzren doem des geestes vlucht gestremd,
als hy naar hooger tracht dan de aardsche schijnvermaken!
Hy blijft, gevallen eens, zijn afkomst steeds verzaken!……
En gy, o dichter! zoudt niet treuren? Gy, wiens oog
nog soms doordringen mat wat zegens van omhoog
op ’t nog onschuldig hoofd des menschdoms moesten dalen,
die thands niet anders zijn dan blinkende idealen!
Neen! ’t treuren past u, en de toon der droefnis
’t eenig troostgevoel by zulk een wreed gemis!

   Zoo is die boezem dan, zoo fijn-, zoo diepgevoelig,
steeds somber en bedrukt, steeds onbestemd en woelig
in ’t rustloos haken naar een meer dan aardsch genot!
Ach, onverschulligheid is vreemd aan ’s dichters lot!
Als ’t needrig beekjen niet, wiens golfjens zachtkens klotsen,
maar als de woeste stroom, die neêrschuimt van de rotsen,
zoo vloeit een eedle drift zijn kokende aders door,
het zij de plicht hem roept, om lijdende onschuld voor
te strijden, en ’t geweld van onrecht en verdrukking
manhaftig weêr te biên; ’t zij teedrer zielsverrukking
zijn hart vermeesterd heeft, en hy zich-zelf verliest
in de aangebeden vrouw, die hem de liefde kiest!
De liefde?…… Zoo bestaat er heil nog voor den dichter?
Aanminnig, machtig kind, om eêlste welluststichter,
wien de oudheid Venus gaf tot moeder! was zijn borst
ooit voor uw invloed koel? Of kon de heete dorst,
verwerkt door uw kwetsuur, ooit boezems meer verschroeien,
dan waar uw tooverschicht poëeten deed ontgloeien!
Strooi gy dan rozen op zijn doornig levenspad!
Wat ooit dit dorre stof nog hemelsch in zich had,
dankt u het menschdom! u verheffen ’s dichters tonen!
U golft zijn wierook toe! Gy kunt die hulde loonen!
Om u versmaadde hy een halven leeftijd smart,
en op uw gunst alleen hoopt zijn gefolterd hart!

   Maar ook uwe ongenâ heeft hy te vaak te duchten!
O! vlijmend is uw schicht, wanneer de vuurge zuchten
der min verwaaien, en een lot, ondraaglijk wreed,
ons hart van ’t voorwerp scheurt, waar voor ’t zich-zelf vergeet.
Wat kweelt gy, Puikpoëet, die door Vaucluses dreven
uw nagedachtnis door de eeuwen heen ziet leven?
Wat kweelt ge, als ’t vogeltjen dat om een gade schreit,
en stort uw roerend lied met sombere achtloosheid?
Slachtoffer van een min, zoo rein, zoo zielverheffend!
Wie deelt niet in uw smart, meer dan uw kunst nog, treffend?
Ach! de aangebedene mag nimmer de uwe zijn!
Het leven heeft gedaan, voor u, Petrarca! kwijn
in smeltend klagen weg, tot u de dood verrasse! —
Thands stort Euroop een traan van deernis op uw assche!
En nog beklagen we u, na zulk een tijdsverloop,
u, minnaar, steeds zoo trouw, en minnar zonder hoop!

   Itaalje, bakermat en voedstrares van kunsten,
wie ’t zangodinnendom steeds overlaadt met gunsten!
Itaalje, waar natuur zich met de kunst verbond,
om hemelschoon op de aard te scheppen, om uw grond
te kweken tot een hof van ziels- en lichaamsweelde
Ook Tassoos wieg droegt gy! Ook Tassoos Zangnimf speelde
het ridderlijke lied op Italjaansche maat!
Maar ook zijn vroegen dood getuigt gy! Hy vergaat,
het offer meê der min. Een doodlijke smarte
stolt zang- en mindrift beide in ’t hopelooze harte!
Gy, wie zijn taal en toon door merg en zenuw dringt,
het zij zijn fiere stem van oorlogsglorie zingt
’t zij liefde en tederheid zijn dichtpenseel bestieren!
O siert zijn tombe niet met bloeiende laurieren,
(de lauwer groeit van zelf by ’s dichters overschot!)
maar plant er wilg en myrt! — Of kent gy niet het lot,
wiens wreedheid in het eind den draad brak van zijn leven,
zoo hoort my! maar (’k voorzie ’t) gy zult voor d’ invloed beven
van ’t dichterlijk gevoel op d’aardschen levenstocht!

   Sints Tasso voor het eerst Ferrares hof bezocht,
ontsprong de bron der ramp, aan ’t teedre hart beschoren!
Uit adelouden stam en deugdzaam bloed gehoren,
en wijd en zijd befaamd door dichterlijken lof
en schitterend vernuft, ontfing hem ’t vorstlijk hof
met d’ eerbied die een eeuw van ware geestbeschaafdheid
aan d’ invloed toedraagt van die hemelsch begaafdheid.
Maar ach! in Tassoos oog had hoffelijke praal
geen waarde; noch de gunst van ’t vorstelijk onthaal,
noch ’t juichen van een volk, dat in den heldendichter
Homerus volgling, en Itaaljes gloriestichter
aanschouwt. Één voorwerp slechts in Tassoos aanblik waard!
Één voorwerp, dat alléén al ’t schoon vereênt der aard!
’t Is 's Vorsten zuster zelf, Lenora, in wier oogen
de zetel is geplaatst van Liefdes alvermogen,
en met de majesteit van ’t koninklijke bloed
de zacht- en teêrheid spreekt van ’t engelrein gemoed!
Hy ziet haar, en bemint! Het lot van heel zijn leven
bestemdt zich! hoop en rust moet eeuwig opgegeven!
Wat doet ge, Dichter! en wat dolheid gaat u aan?
Hoe durft ge op uw vorstin een blik van liefde slaan?
Hoe durft ge?…… Ach! kent de min den invloed van de rede?
Zy streelt niet, maar gebiedt, en sleept, en rukt u mede!
En gy, gy lijdt en kwijnt in radelooze smart!
Maar kropt de kwelling in van ’t fel getergde hart!
Slechts de Echo van het woud, gewoon aan minneklachten,
die voor een oogenblik de storm der drift verzachten,
getuigt uw wanhoop soms, terwijl ze met u treurt.
Maar welk een boezem ooit, van minnewee verscheurd,
kon voor ’t geoefend oog de diepe wond bedekken?
Ach! alles kenmerkt haar! De stem, de ontstelde trekken
vqan ’t beurtlings blozende en verbleekende gelaat
by ’t naderen van haar, voor wie ons harte slaat!
’t Noodlottige geheim ontvalt de smeltende oogen
in tranen, vruchteloos weêrhouden! Al uw pogen
is ijdel! ’t Werd bekend wat Tasso zich vermat,
hoe hy van liefde gloeide en Leonore aanbad!
Nu moet des noodlots schuld op ’s dichters hoofd gewroken!
De vorstelijke trots, in fellen toorn ontstoken,
verbant hem van zijn hof. Eens kerkers aakligheid
is ’t heiltoon, dat de Min haar Dichter heeft bereid!
Daar ligt hy nu, en zwoegt de dagen en de nachten,
in sombre wanhoop door, en stort onvruchtbre klachten,
en roept den dood te hulp, die naar geen klachten hoort!
Of als dan de overmaat der smart de smart versmoort,
en zich de dichtgeest weêr een oogwenk lucht kan geven,
dan meldt zijn doffe zang de plagen van zijn leven!
Tan in ’t aandoenlijk beeld van droevigen Tancreed
of teedre Ermina schetst hy zijn eigen leed,
en smaakt een bittre vreugd hun onheil te betreuren
en ’t zijne, en telkens zelf zijn wonden op te scheuren.

   Zo leefde Tasso, zoo vervulde zich zijn lot
als dichter, tot de hand van d’ éénig wijzen God
hem tot zich riep in ’t end, en uit de nietigheden
en foltringen der aard het leven in deed treden!

   Gevoelige poëet, dus vindt ge in d’ eigen gloed
’t vermogen van de kunst en de onrust van ’t gemoed!
En ’t menschdom, dat uw vlucht meê opvoert tot de wolken
biedt u by zoo veel leed geen troost? Geheele volken
verheffen niet uw naam, en galmen niet den lof
van ’s hemels keurling uit, wiens toon hen zaligt? Of
bestrooien niet het pad, waar langs hy heen zal treden,
met feestelijk gebloemt? O neen! de grilligheden
van algeweldnaars toe te juichen, als hun vuist
voor eigen glans en roem der volken hoop vergruist —
en om de zegekar te dringen van die helden,
zoo lang de onzeekre krans der bloedige oorlogsvelden
hun woeste heerschzucht dient: zie daar des menschdoms smaak!
Wat is hun, of uw hart van ’s hemels invloed blaak’?
Wat weten zy van deugd- en echte kunstwaardeeren?
De Dichtkunst werd niet voor hun ijdlen lof! Homeeren
verrijzen er vergaan, vergeten! of verdrukt,
wanneer hun moedig hoof voor willekeur niet bukt!

    Maar wat is de ongenâ van lot en menschdom tevens,
voor u, wiens hoop begint aan ’t eindperk eerst uws levens?
Hiermeê staat gy geweld en smaad en onrecht door!
Hiermeê staat ge onschuld, deugd en ’t recht der Waarheid voor,
en gadert langs uw baan der vrucht der levenswijsheid,
en deelt die met de jeugd in ’t kalm saisoen der grijsheid,
en zoekt naar wetenschap tot aan den rand van ’t graf,
en draagt, het oog op God, wat God te dragen gaf,
tot de Engel van den dood u ’t wrakke lijf moet slopen!
En dan — triumf in ’t end! De hemel staat u open!

   Jongling, waar van daan dat treuren in uw schoonsten levenstijd?
Waar van daan dat heimlijk zuchtjen, dat uw weeke borst ontglijdt?
Waan van daan dat glinstrend traantjen, dat uw kwijnend oog besproeit?
en dat onbestemd verlangen, dat u op de wangen gloeit?
Voor de schatten van de wereld, voor haar kroonen zijt ge koel,
en de zucht die u vermeestert heeft gewis een ander doel!
Ja! gy haakt naar hooger wellust! naar het hoogste heil der aard!
meer dan schatten, meer dan kroonen, meer dan ’t leven zelve waard
Ja! gy zoekt de lieve gade, die dat leven deelen moet,
en uw borst kweekt geen verlangen, dan naar dit geheiligd goed!
In den droom reikt gy haar de armen, en zy stort zich aan uw hart!
maar ge ontwaakt, en mist haar weder, en verdort op nieuw in smart!
Doch de macht die ’t harte dorst gaf, geeft ook laafnis voor dien dorst!
en dien trek naar min- en echtheil plantte God-zelf in uw borst!
Eens dan zal de dag ontluiken, die zijn heilig doel vervult,
als ge (niet in droomen langer) haar in de armen knellen zult,
die met de eigen zielsvervoering uwe liefde heeft verbeid;
en gy zult met al de volheid van genot en dankbaarheid
zelfs die stonden weldaad reeknen, toen u, wars van aardsche lust,
’t leven onverdraaglijk toescheen, van uw toekomst onbewust!

   O! zoo is de trek naar hooger, die in ’t dichters boezem brandt,
waarborg van een beter leven in een beter Vaderland!
Ballingen zijn wy op ’t aardrijk, en de dichter doet geen stap,
die hem niet de straf herinnert van die bittre ballingschap!
Daar van daan die zweem van droefheid, die zijn maatgezang doorzweeft,
daar van daan die rusteloosheid, die ons geen genoegens geeft!
God-zelf schiep hem dat verlangen naar een dierbrer heil dan de aard:
dierbrer heil dan dat der wereld heeft zijn goedheid hem bespaard!
Daar, waar ’t koor der Serafijnen zijn éénstemmig Hallel zingt,
waar het heir der Uitverkoornen om den troon der Godheid kringt,
dáár eerst is het rijk der Dichtkunst, derwaarts richt zich onze vlucht!
dáár is Schoonheid, dáár is Waarheid, dáár voldoet zich onze zucht!


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden op: 9 juni 1997.