Jonkvrouw! was de harp den Dichters,
op
de wijs zijns volks besnaard,
u een wederklank, zoo zuiver,
uit
uw eigen dichtgeest waard?
Heil zij U, dat van dien harptoon
neen!
geen schoonheid, maar de stof
op de schatting aanspraak maakte
van
uw zusterlijke lof!
Heil ook hem, zoo ooit zijn zangen,
waarlijk
ruischend God ter eer,
zielen schokten voor zijn Heiland,
harten
lokten tot uw Heer!
Jonge mededichteresse!
t
zij uw voorrecht en het mijn,
van dien Meester vol genade
t
zeker eigendom te zijn!
aan Zijn voeten neêr te zitten,
neêr
te zinken by Zijn kniên!
en, verwaardigd Hem den danklof
onzer
zangen aan te bieên!
Ik, met eelang grijze haren,
van
diens Konings zegetocht
den bazuimgalm op te vangen,
dien
ook Gy vernemen mocht!
Gy, met maagdelijke teêrheid
tegen
elke levenssmart
hemelstemmen in te fluistren
aan
t ten hemel opziend hart!
Ingezonden: 26 mei 1997.