ISAÄC DA COSTA (1798-1860)

GELUKWENSCH

AAN

MEESTERS EN ARBEIDERS

TER DRUKKERIJ OP HET SPAARNE,

MET HET „IMPRIMATUR” OP HET LAATSTE BLAD DER KOMPLEETE
DICHTWERKEN VAN BILDERDIJK
DOOR

EEN CORRECTOR.

Von der Stirne heiss
Rinnen muss der Schweiss,
Soll das Werk der Meister loben;
Doch der Segen kommt von Oben

DAS LIED VON DER GLOCKE.

IJvrig , lustig, onverdroten
werd een Klok ook hier gegoten —
’t oude Spaarne weet er van, —
onder ’t dak van Kruseman;

klok, niet uit metaal geboren,
die van op den slanken toren
galmend, bommend, wijd en zijd
orde en stem geeft aan den Tijd; —

neen, gesmeed uit dunne bladen
(wie ter wereld zou het raden?)
zonder stoom en zonder vier
uit met inkt gedrenkt papier.

’t Kostte weken, maanden, jaren,
een wy d’ arbeid kosten klaren;
’t kostte zwoegen, zorg en zweet; —
eindlijk kwam het werk gereed.

Corrigeeren, revideeren,
langs de spoorlijn gaan en keeren,
onder kruisband met de post! —
eindlijk zijn wy afgelost.

Neen! Zie daar ons, als zijn leven,
nog een boos Erraat verbleven
dat zich schuil hield in een hoek
tot na d’ afdruk van het boek!

Toch daar staat hy, Landgenooten
onze Klok, — hy werd gegoten!
Groet hem, Willem Bilderdijk!
kent ge een keurnaam, dien gelijk?

’t Is in Nederlandsche steden
meer gezien in ’t grijs Verleden,
dat een klok met reuzenkracht
massaas in beweging bracht.

Maar de Klok, in deze dreven
statelijk omhoog geheven,
luidt door oproer noch alarm
harten bang, noch hoofden warm.

Mogen soms zijn zware tonen
onder Neêrlands jonger zonen
kleppen onraad, luiden wraak
onder waan en valschen smaak;

hoor ze liever hooger stijgen,
dwingen wangeluid tot zwijgen,
galmen psalmen in de tent
van ’t gesternde firmament;

uit de transen hymnen dondren,
dat de menigte van ondren
plotsling aanheft ’s Heeren lof,
biddend oprijst uit het stof! —

Ja, met lust en onverdroten
werd een Klok ook hier gegoten —
’t Oude Spaarne weet er van, —
onder ’t dak van Kruseman.

Leven meester, drukkers, zetters,
van die overkostbre letters
die den zang van Bilderdijk,
vorst van ’t Neêrlands Dichtrenrijk;

zullen voeren in wat oorden
ooit in Nederlandsch woorden
hooggestemde hemelval
nog gehoor erlangen zal!

In den zweet van ’t aangezicht
werd in ’t eind verricht
de plicht
Maar de Zegen komt van Boven.
Laat ons loven
God den Heer,
Wien, by onze dankerkentnis, eenig toekomt lof en eer!

SOLI DEO GLORIA.

         1859.


Van het voorhoofd heet,
Stromen moet het zweet,
moet het werk van de meester loven,
maar de zegen komt van boven.

HET LIED VAN DE KLOK

E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden op: 1 juni 1997.