ISAC DA COSTA (1798-1860)

NEHEMIA IV.

AAN MIJN VRIEND, DEN THEOL. STUD.

H. P. SCHOLTE,

UITGETROKKEN MET

DE LEIDSCHE STUDENTEN, OCT. 1830.

Op des noodbazuins geluid
trek, mijn broeder, ja trek uit,
met het oog op God gewend,
die de zielsbegeerten kent;
met den psalm in mond en hart,
dat de krijgsgevaren tart.
God zij met U, dierbre Vrind!
aan wat oord ge u ook bevindt!
in den dubbel heilgen strijd,
waar ge U-zelf aan hebt gewijd;
strijd met tranen en geben
over Sions smert en wen;
voor Oraje en Nerland saam,
in des Gods der vaadren naam;
tegen ’t vloekverbond der hel
met den God van Isral.
Ga Zijn aangezicht slechts me!
’t Zal triumf zijn, lofzang, vre,
wat de dag, die aanspoedt, baart,
by het schudden van heel de aard.
Dierbre broeder! eedle jeugd!
trekt met Christen-heldendeugd
’t heir der tijgren te gemoet,
dorstig naar oud-Hollandsch bloed.
Ziet op ’t kruis! en van omhoog
slaat de Wraak ze voor uw oog,
en gy keert met vrede wer,
overdekt met krijgsmaneer,
tot den strijd van ’t geestlijk werk,
van den opbouw Zijner Kerk,
tot de dienst van ’t levend Woord,
dat, verkond, verbreid, gehoord,
Nerland eenmaal nog herstell’
tot een geestlijk Isral!
God Nehemja’s! o Zie ner!
doe ’t gelukken! U zij de eer.

1830.


Ingezonden: 17 juli 1997

E-mail: J.R. van Wijk