ISAÄC DA COSTA (1798-1860)

DE SLAG BY NIEUWPOORT

EENE BLADZIJDE UIT DE GESCHIEDENIS VAN

NEÊRLANDS ROEM EN GROOTHEID.

Grandiaque effossis mirabitur ossa sepulcris.

   Hoe zag in Nederland de zon zoo rood, de straten
zoo doodsch! Kasteel en burcht van Edelliên verlaten!
der burgren voorhoofd bleek en klam, terwijl de lucht
van 't zwaaien van het zwaard, den val der bijlen zucht,
de houtmijt riekt en rookt, — het lied der Martelaren,
gstemd in ballingschap en bange doodsgevaren,
tot op 't schavot niet zwijgt van God en van het Lam,
tot dat het stikt in 't koord, of wegsterft in de vlam!

   Hoe viel een nacht zoo zwart op Nederland, na dagen
als sints de aposteleeuw geen latere eeuwen zagen!
Want ook tot Nederland was doorgedrongen 't Woord
uit Wittenberg herleefd, en 't had van oord tot oord,
van Henegouwen en Artois tot aan de stroomen
des Amsterl voortgesneld, de harten ingenomen, —
uitwendigheden, door der eeuwen duur versteend,
ontworteld, — plechtigheên van ’t Heidendom ontleend,
of opgegraven uit de schaduwwet der Joden,
geheel haar grond betwist van menschelijke geboden, —
voor schitterschoon of schijn de rechten van het „het Waar”
gehandhaafd, — ’t licht der Schrift op zijnen kandelaar
herplaatst, — de zuivre bron ontzegeld van het Leven, —
den eengen Middelaar Zijn eeuwige eer hergeven!
Het nieuw (’t aloud!) Geloof had, elken dwang ten spijt,
conscientiën geschokt, conscientiën bevrijd!
’t Had volle vijftig jaar, door Karels bloedplakaten
gedreigd, gedrukt, gevoed, vervolgren en soldaten
in lange duldzaamheid het weêrloos hoofd geboôn;
straks, in den grooten naam van Gods gezalfden Zoon,
Zijn smaad en kruis getroost, dat hoofd omhoog geheven
om van zich-zelf voortaan een rekenschap te geven,
waaruit niet de onschuld slechts, maar de eisch der Waarheid bleek
by middagzonnelicht, in de openbare preek!

   En op die predeking, die versche wedergeving
van ’t levend Bijbelblad, was is het Land een beving
en koking als der zee vernomen, en een schaar,
men weet niet door wat geest gedreven of van waar
vergadrd, had op eens bewustlooze handen
aan beeld en kunst gewaagd van Kerk- en kloosterwanden,
en ’t zij haar ijver of haar plonderlust gekoeld
als met der stormen vaart. De daavring was gevoeld
tot in Segovia en ’t koninklijke klooster
naar ’t streng model geraamd van foltertuig en rooster,
weleer door Heidnen van Laurentius, maar toen
voor Cristenen bereid door Christenen, ten zoen
der nieuwe ketterij, — het eigen Woord des Heeren.

   Om ’t misdrijf met één slag zijn Volken te verleeren,
van ’t pestgif eens voor goed te zuivren heel het land,
zond weêr de Koning ’t zwaard, het zwaard in Alva’s hand,
en met dat zwaard, het vuur. Van eder en onedel,
van Roomsch en Onroomsch, trof de blijksemstraal den schedel,
uit de onheilzwangre wolk van ’t Zuiden aangesneld.
De steden zijn vernaauwd tot kerkers, ’t verre veld
met vluchtelingen als bezaaid, wier herten bloeden
om have, om gade en kroost, verbleven aan het woeden
van ’t Spaansche Veemgericht. Een wijl nog! en het woord
van Vrijheid, ’t woord van Heil is door ’t geweld versmoord, —
maar niet die liefde, die geen waatren kunnen blusschen,
geen graf verslinden, die ook nu de Juniussen
ontsteekt, en drijft om, meer dan immer onvervaard,
’t geloof te prediken, dat harten wederbaart,
in huizen, van den gloed der markt- en martelvuren
beschenen, — onder ’t dak van afgelegen schuren, —
in katakomben, afgesloten voor het licht,
waarin de herder zijn verstrooielingen sticht.

   Wie maalt, doorluchte prins! in de aakligheid dier tijden
het grievend boezemleed, het naamloos zielelijden,
waarin, — had niet de Heer van Boven u behoed, —
verzwonden war uw hart, verslonden ware uw moed,
die moed zoo hoog, het hart zoo week, en sterk te gader,
ook waar u alles schijnt te ontzinken? Teedre Vader
van Neêrland, op dien trap te Delft niet enkel, maar
geheel een leeftijd dóór, gekoren Martelaar!
o! zoo Gy, balling thands, den bijstand van een’ broeder
op ’t vroome Dillenburg behoeft, ook nog een moeder
(u lang van God gespaard) was noodig, waar uw hart
zich aan ontlasten mocht van nog gantsch andre smart, —
naast al die kwellingen, die bannen en die banden
waarin de bloem vergaat van ’s Konings Nederlanden, —
de smart des kankers van een huiselijk zielsverdriet,
zelfs voor geen Zwijger meer verzwijgbaar. Neen! hy ziet
geen teedre Monstpensier, geen Anna neer Van Buren,
met hem één ziel, één zin, zich in die hachelijke uren
ter zij staan, maar wie thands de Oranjekroon en eer
en stamnaam naast hem voert, ach! eene die veel meer
zijn stam een schande werd, zijn eedle borst een doren!
Straks wordt, tot overmaat der vuurproef hem beschoren,
zijn zoon, zijn eenge, — pand van onvergeetlijke echt
in schier vergeten jeugd, — met schending van het recht
van Brabants Hoogeschool, van d’ erfrang van Oranje, —
door Vargas opgedaagd om, gijzelaar in Spanje,
zijn Vader dag aan dag een pest te zien verklaard,
heel ’t Neerlandsch volk een bent, ’t licht van Gods zon onwaard

   o! Was ’t Neêrland nacht, van uur tot uur verdikking
der tastbre duisternis, en van rondom verschrikking, —
ook over Nassaus erf en Dilles oeverslot
scheen op die nacht van leed en ongenâ van ’t lot
geen morgen denkbaar meer, — voor tranen en gebeden
de naadring tot Gods hart, waar ’t mooglijk, afgesneden,
en op herademing de laatste hoop verbeurd.
Als, ziet op eens! aan ’t zwerk een open wordt bespeurd;
de dampen allerweeg verdeelden zich en weken;
een vriendelijk sterrelicht (dat Neêrland, schier bezweken,
èn adem scheppe èn juich’!) begroette met een glans
van welkomst en van heil d’ alouden burchtslottrans!
Wees welkom, teedre scheut ten hoogen eik geboren!
Een zoon, op nieuw een zoon, was Willem’s stam beschoren!
Gy zult Graaf Maurits zijn! de Vrijheid, in ’t gemoed
ontkiemd uws Vaders, straks met kostbaar burgerbloed
beregend, wacht van u haar grond om op te bloeien,
en in de ruimte Noord- en Zuidwaart uit te groeien.
Wees welkom aan de spits dier Machabeesche teelt
van Wrekers, in Gods gunst aan Neêrland toebedeeld!

   Want ja! om Neêrlands zaak met Nassaus zwaard te helpen,
stond heel het Stamhuis op, de Leeuw met al zijn welpen
ontvlamde, en wenkte, of ’t waarm van op zijn blaauwend veld
den rossen Liebaart toe, om ’s Vreemdlings aartsgeweld,
zijn vloten en zijn vloek, zijn donders en zijn klingen,
te trotsen en te staan. Daar brulden zy en gingen
met statelijken stap, vereend van zin, op buit,
op buit van oorlogsroem en heilge vrijheid, uit!

   Zoo was het, toen de kamp werd opgevat met Spanje
op dood en leven, zege of ondergang. Oranje
door eigen broeders, eerst en teêrst, in elken nood
gevolgd, of voorgegaan, bevond tot in den dood
zijns vaders huis getrouw. Had niet een zelfde moeder
in nachtelijke gebeên aan der verdrukten Hoeder
heel ’t Vijftal toegewijd, ten dienste van Zijn rijk?
Dien Hendrik nog zoo jong, dien een’gen Lodewijk,
van wie de Mookerhei de lijken met het leven
verslond, na dat voorlang „Graaf Adolf was gebleven
in Friesland in den slag.” Met zijner vaadren goed
verbond Graaf Jan zichzelf, en zijner zonen bloed!

   Ziet gy die zonen zich om ’t nieuwe Stamhoofd scharen?
By ’t aadlijk jachtvermaak? — In de ernst der doodsgevaren
van slagveld en beleg? — Een uitgelezen stoet
all’ Ridders zonde vrees, all’ Nassaus hoog van bloed,
maar nederig van hart, — voor ’t minst, wie u geleken,
u, Maurits trouwste vriend, en meer dan vriend gebleken,
in ’t kamp als in den raad u-zelven steeds gelijk
in vroomheid, ootmoed, deugd, Graaf Willem Lodewijk!
o Flonkerster, zelfs naast die Maurits niet verbleekend,
maar vaak door zuiver gloed nog boven hem uitstekend!
o! Zie ze t’ zaam in ’t veld, twee Duitsche Scipioos,
of Dioscuren, maar wie hooger hand verkoos
ten dienst van beter zaak en Vaderland. De harten
der volkeren gaan meê, waar dees den vijand tarten,
verrassen, fnuiken, slaan, te scheep, te paard, te voet,
met uitgezocht beleid, met teugelloozen moed.
De Spanjaard geeft zich lucht in smalen, dreigen, brallen,
met Parma-zelf aan ’t hoofd òf plotsling overvallen
òf schrander afgeleid, maar overal bestookt
van Schelde, Maas en Waal, tot waar de Dollaart spookt. —
Straks, als na tocht op tocht de lang geworden nachten
tot schorsing van den kamp Natuurs bevelen brachten,
gunn’ ’t Winterlleger vrij van Overste en soldaat
voor ’t afgerende lijf by stilte of feestvreugd baat, —
voor ’t jeugdig Heldenpaar heeft geen verpoozing waarde,
waarby hun ’t rustloos brein geen nieuwe plannen baarde
van schade en nederlaag, den vijand toegedacht,
en op de kaart reeds dáár! Men ziet ze, dag en nacht,
zich oefnen in de taal en krijgskunst van Oud-Romen,
de tafel, lang en breed, door strijder ingenomen
uit volgzaam lood gebootst, om aan Quiriet of Griek,
by ’t licht der Wetenschap, geheimen van taktiek
of legerleidingskunst te ontwringen. Op de dreven
van ’t Haagsche ridderplein wordt de Oudheid in het leven
herroepen, schild en speer hanteerend, maar ’t bevel
in nieuw-Teutoonsche spraak. Het manlijk kinderspel
(waar was ter wereld ooit een scheppende gedachte,
die niet een wufte hoop voor halven waanzin achtte?),
begroet met schampren spot, of glimlach hoog en koel,
rechtvaardige weldra de diepten van zijn doel:
geplant was de oorlogsschool, wier kloeke kweekelingen
der Middeleeuwen glans en glorie gaan verdringen
door ’t huwen van heur kracht aan regel, orde, tucht,
bereekning, wetenschap, ja, wiskunst die, bevrucht
door ’d adem van ’t genie, ’t bereik vermenigvuldigt
van ’s Veldheers scheppingen. Geheel Europe huldigt
den Stedendwinger, door wiens oog en staf bezield
het heir, geen rotsklomp meer die neêrploft en vernielt,
maar levend lichaam werd. Zie met hoe rappe leden
het op- en afwaarts streeft trots duizend tegenheden,
straks op het slagveld zelfs èn dicht èn keert èn zwenkt,
zijn wendingen volvoert, zich inkrimpt of verlengt,
een aanvalt of ontwijkt naarr de aangeleerde wetten;
of, stroomen langs en door, hier opdaagt om te ontzetten,
daar ijlings aangerend als met een vlaag of ruk
van storm of wervelwind, de panden stuk voor stuk
van Neêrlands kostbaar erf op Spanje weêr komt winnen.
Niets anders dan wanneer met ingespannen zinnen
twwe spelers worstelen op ’t vorstlijk schaakvierkant:
het paard in dol galop, de toren langs haar rand
of strakke rechtelijn, neemt man voor man gevangen.
De vorstelijke Amazoon doorzwiert en dunt de rangen
des Tegenkonings wien, naar alle zijden bloot,
geen keuze langer rest, dan overgave of dood!

   Maar by geen schaakstrijd, neen! tot meer dan dertigmalen
beproefd aan vest by vest, aan stad op stad, bepalen
die zegetochten zich, steeds blinkerder gelukt,
waarvan de weêrgalm nog het nageslacht verrukt,
en ’t hart in vlammen zet van dichters en van helden!
Onovertroffen Hoofd! men zag op de open velden
uw krijgskunst even diep, uw krijgsvolk even stout.
Getuigt het, Thielsche heide, en torens van Turnhout!
waar Varax ruitren eens zoo hoog de borsten droegen,
straks Maurits honderden hun duizenden versloegen;
en Neêrland riep: „Hy zag, Hy kwam, God overwon!
„het was de Morgenstrer van Nieuwpoorts gulden Zon”

   Ontzachlijk Guldenjaar! aan wat herinneringen
uit twee en dertig maal voltogen jubelkringen
sloot zich de duinzang aan, gehoord van Vlaandrens kust! —
Was Vlaandre, was de Kerk, zich ’t uur nog wel bewust,
toen ’t opgetogen Gent met luide lofgezangen
het vijftiende eeuwslot vierde, en op zijn schoot ontfangen
en welkom juichen mocht d’ aanstaanden Erfgenaam
van grooten Karels Kroon, en van dit Neêrland t’ zaam
met Spanjes op één hoofd gedaalde Koningshoeden!
Toen, wen zich groot en klein op dezen hoogtijd spoedden
naar hofpoort of kapel, tot hulde of dankbetoon,
in naam van Romes kerk aan haren nieuwen Zoon
door Neêrlands Abtenschaar de rol werd aangeboden
der Schriften, met dat wood van JESUS, door de Joden
in ’t veeg Jerusalem vernomen: „Onderzoekt!
De stem, voor later stond niet vruchteloos geboekt,
vond reeds in Karels dag haar wondere vervulling.
Voor ’t zwaard des Geestes sloeg het uur van zijn onthulling:
de Bijbel aan den leek hergeven! Door de kracht
van ’t doorgebroken licht werd straks tot stand gebracht
die machtige ommekeer, — die gisting, eerst, en scheiding
van elementen, lang verbonden, — voorbereiding
van nieuwe vormingen, — waaruit ook Gy ontstondt,
aloud Gemeenebest van ’t Stichtsche Staatsverbond!
Op eens volwassen en in vollen dosch geboren
nieuw Neêrland! waart ge een plant tot hoogen groei verkoren?
of slechts een wolkenbeeld, dat wegstuift? Tachtig jaar
van dwars doo ’t onweer heen en rots- en strandgevaar
voorbeeldloozen koers beslisten ’t, eer nog Vrede
haar olie uitgoot op de branding! En gy mede,
o strand van Nieuwpoort, waar der Helden blinkend bloed
in ’s Lands gedenkrol schreef: „Ja, God bleef Neêrland goed!”

   Wat pracht van kielen, met wat vracht van oorlogslieden,
voor Rammekens, vermoeit zich ’t luchtruim te bespieden,
of de adem, die de wolk haar richting geeft en vult,
aan der tienduizend ontstoken ongeduld
haar laving brengen mocht van uit een frisch Noord-Oosten,
’t Geldt Vlaandren met dat heir! ’t geldt, om den Zeeuw te troosten!
Duinkerken met die vloot! Hoe gaat ze Joost de Moor
in ’t turen op dat nest van waterwolven voor?
hoe Warmond, uit den stam dier oude Wassenaren
met Hollands varensvolk zoo monter op de baren,
als aan der Eedlen hoof, sints Holland Holland heet,
ter kruisvaart en tournooi en leenmansplicht gereed!
Helaas! hoe laat de mast zijn blanke vleugels hangen,
als moedloos, dat de lucht zich weigert aan ’t verlangen
van scheeplingen en soldaat, en, blazend uit den Zuid,
de zeegolf opruit, en met tergend windgefluit
het krijgsontwerp belacht en tegenstreerft der helden,
verwinnaars reeds in hoop op slag- en pekelvelden!
Wat spelt die wederstand, zoo kwellend voor den moed
die voorwaart dringt en drijft? Van nu aan tegenspoed?
En neêrlaag? toen, vooral, de jongste Junijdagen
’t ontzaggebiedend heir in twee gescheiden zagen.
Het volk, de Schelde langs by Philippines schans
ontscheept, vernam op eens het keeren van de kans.
Hy vond geen vijand hier, in eigen krijgsgelederen
door muiterij geknakt, en ijlings te vernederen, —
maar eenen, die veelmeer by d’ eersten invalskreet
om legervaan en Hoofd herzameld en gereed,
en eer verrassend dan verrast, de Staatsche benden
te woord stond. Leffinghem scheen onafzienbre ellenden
te spellen, toen Graaf Ernst in Nieuwpoorts ochtendstond
den fel betwisten, voet vóór voet bevochten grond,
bezaaid met vaandelen, en achtmaal honderd lijken,
in ’t eind ontgeven moest, en naar Ostende wijken.

   Zoo was dan ’t voorgevoel, aan half het land gemeen,
niet ijdel, toen de schaar met zuchten en geween
uit Dordrecht en Den Haag zijn dappren begeleidde,
en, door geen glans verblind van wapepraal, niet scheidde
dan luid’ weeklagend, dat een Hoofd, zoo onvertsaagd,
zoo kostbaar, aan den raad der Baatzucht wordt geaagd
op avonturen, die èn Prins, èn heir, èn schepen,
èn Vrijheid, èn Geloof in ’t wis verderf gaan slepen!

   Neen — dat zal God verhoên, de God van Nederland,
de God, o Maurits van uw vaadren, — HY, Wiens hand
het lot der volken stiert, de kans der Legerscharen.
Uw moed, steeds kalm en koel, had van des volks bezwaren,
door kundig Hoofd aan Hoofd getrouw uiteengezet,
geen enkle zich ontveinsd. Thans was u de eerste Wet
gehoorzaamheid. Uw oog, een wijl — wellicht — betrokken
by ’t hachlijk aanzien van den dag, staat onverschrokken.
’t Had eerlang alles en in alles stout voorzien,
om op den mullen grond den Spanjaard ’t hoofd te biên,
die, overmoedig op zijn bloedige ochtendzege
en tuk op nieuwen roem, vast aanspoedt. Allerwege
groeit ’s Prinsen leger aan, doorstreeft het zan, doorwaadt
de kil, laat los de stad, bezet de vlakte, en staat
in liniën geschaard, straks op een wenk der oogen
van stelling wisselend, en naar den eisch bewogen
van ieder nieuw bestaan der felle weêrpartij.
Daar staan zy, nog zoo korts elkaêr van wederzij
en stip of dunne streep in de oogen, — duizendtallen
geordend om in ’t eind, elkaêr op ’t hart te vallen,
de krijgskreet op de tong, de zegepraal in ’t oog!
Een dubble donderbui gelijk, aan ’s hemels boog
met sombre plechtigheid opkomend, de een in ’t Zuiden
en de ander uit den Noord. Met angst en schrikgeluiden, —
met stilte banger nog. — verbeiden veld en vee
de botsing, — ’t aardrijk zucht of ’t ware in barenswee.
Straks, lang genoeg geperst, ontladen zich de wolken
in vuur- op vuurschicht, die met hagelsteen en kolken
van regen, met gedruisch van hoos en wervelwind,
verwoestend neêrschiet en de hoop des jaars verslindt.
De zon, wanneer zy keert aan de uitgeraasde transen,
beschijnt het treurtooneel met nog onzeekre glansen,
maar verwt den regenboog, die Noachs lijdend kroost
van uit dat eigen zerk èn heil belooft èn troost.

   Kronijk van d’ ouden dag, en overleveringen
des gullen tijdgenoots, wel nimmer om te dingen
naar Clioos eerlof of den lof der poëzij
beschreven, maar van praal en ijdlen opsmuk vrij,
of met nog ruwe stift aan magen en beminden,
en onder d’ indruk-zelf van eigen ondervinden,
getuigt! Gy, schijnbaar dor, toch in de aanschouwlijkheid
van ’t zonder kunst van stijl stout neêrgeworpen feit
zoo rijk aan leven, rijk aan dichtstof, voor den dichter
verheffend tevens en beschamend, in verlichter
misschien! maar, trots zijn trots, niet dichterlijken tijd.
Meldt uit dat schittrendst vak van tachtigjaargen strijd,
meldt enklen ons voor ’t minst der wederzijdsche helden
van uit het worstelperk der Vlaamsche zeezandvelden; —
en hoor’ het nageslacht, bewondrend en in dank,
na vijfmaal zestig jaar, dier namen grootschen klank,
der natie lieflijk of barbaarsch, doch waar de glorie
van heel een eeuw in spreekt, geheel eens volks historie!

   Zegt van der Staten heir, de rangen van den Geus,
het eerst de bloem en keur, — de aanvoerderes, die de keus
des Veldheers door hun trouw rechtvaardigden, — de mannen
wier lange ervaring, met de diepte zijner plannen
vertrouwd, den zin begreep, of ried, van elk bevel, —
den wenk voorkwam des noods, — dan pijl- of kogelsnel
tot stand bracht, — Oversten van voetvolk, in de krijgen
sints Alva, lang gewoon van rang tot rang te stijgen,
en Ruiterhoofden, die vooral sints dezen dag
den Spanjaard noopten tot erkenning en ontzag.

   Geen deel van ’t Stichtsch verbond, of ’t had op deze velden
zijn aandeel in den roem, en leverde zijn helden.
Uit Friesland, aan de spits der vendels van Nassau,
streed Taco Hettinga, wien Grovestins, de Blaeu,
Assuerus, Ripperda, op Spaansche, Walen, Ieren,
by de oopning van ’t gevecht reeds hielpen zegevieren.
Uit Utrecht en zijn Stift was ’t regiment ontboôn
van Huchtenbroek, Calvaert, en Jonker Jan van Loon,
wien ’t Vaderland eerlang Ostende toebetrouwde,
met Rijsenborgh, gezegd de Maarschalk van Abcoude.
Voor Zeeland, wien de dood op ’t Leffinghemsche bed
drie Hopliên afsneed, stond van Prince, met Pagnet,
en Rolle en Ingenhave, en beide van der Nooten.
wier vaders, om den bond in Pallandts zaal gesloten
berooving, ballingschap en wederspoed getroost,
hun zwaard vermaakten aan een zegerijker kroost!
Van ’t oovrig Nederland, aan Zuiderzee of Schelde
gelegen, aan den rand van Hunze, of IJssel, telde
het leger heel een schat van zonen, vaak van naam
of afkomst Waalsch of Vlaamsch, maar met Noord-Neêrland t’ zaam
volhardend in de kamp, verbroederd aangevangen
Voor God en Gideon!” — of in dezelfde rangen
sints eeuwen t’ zaam genoemd: Van Gent, Inbyse, Blois,
Hertaing en Baertenberg, Ghistelles en Dubois,
met Herauguières, van den Tempel, Randerode
en vijftig anderen, die ’t lied des Dichters noode
voorbijsnelt. — maar niet u, in voor- of tegenspod
van Balen! even koen, wiens nooit verlegen moed
voor Nieuwpoorts wallen mede in ’t hachlijkst uur besliste,
en, — wie geen evenknie dien voorrang ooit betwistte, —
ontzachlijk driemanschap van Baxen, gaadloos groot
en fabelachtig stout! — Maar ook den Bondgenoot
moog ’t Hollandsch nageslacht met wilg- en palmtak eeren!
Gaf niet Brittanje ook hier zijn schittrende De Veren,
Lord Grey de Wilton, en Sir Rovert Henderson,
en Edmund, kolonel die van soldaat begon?
Die beiden moest eerlang het heldenmoedig leven
voor Neêrlands zaak en wraak op Neêrlands grond begeven! —
Aan zijner Zwitsren spits vecht als een leeuw of stier
Hans Kriech, — met d’ eigen moed, wellicht met losser zwier,
de Fransche strijdgenoot: Dussault, La Simendière,
by d’ Ommervilles vaan; en gy — of blijf van verre
voor ’t minst nog dezen dag, te wakkre Châtillon!
bloem al te ras verbloeiend by de eerste lentezon!
Moest dan in Neêrland meê bloed uit de hartaar stroomen
van martlaar Coligny? Moest, Nieuwpoorts storm ontkomen
Ostende, toen ze in ’t end den puinhoop overgaf,
ook afstand doen van u en uw gelauwerd graf?

   In ’t midden van dat heir, de menigte dier dapperen
uit half Euroop vergaârd, prijkt, kenbaar aan het wapperen
der op den hoogen helm geplante Oranjepluim,
de Prins, op ’t blank genet dat, overdekt van schuim,
met brandende oogen en van drift bewogen manen,
de trilling uitdrukt, hem met al die legervanen
gemeen, van ongeduld en schier onhoudbren gloed.
Oranje temt dat vuur, en in zijn rijken stoet
van Anhalts, Holsteins, Solms, Gebieders, Graven, Heeren,
gekomen om naast hem de kunst des krijgs te leeren, —
het fnuiken aan te zien der Spaansche hovaardy, —
blikt welgevallig op twee broeders aan zijn zij’:
Justinus, d’ Admiraal van Zeeland, Willems basterd,
maar om geen andre vlek licht by zijn stam gelasterd,
en Fredrik Hendrik, die met tranen en gebeên, —
dat toch des Veldheers last zijn prille jeugd niet speen’
van dees gerijpten oogst van lauwren en gevaren,
niet weêr te wachten vast in eeuwen of in jaren, —
in ’t eind zijns broeders hart een hachlijk „ja” ontwrong,
thands, steigrend naast hem, juicht! Zoo leert het arendsjong
op zijner oudren vlerk met liefde en lust gedragen,
het spoor ten wolken in, trots dreigende onweêrsvlagen!

   Dees tegenover staat Albertus, Cardinaal
Primaat van Spanje, straks èn Bruigom, èn Gemaal,
en sints vierdubbel held in ’t vuur. Ook hem omkringen
veldoversten van naam, doorluchte Vreemdelingen:
Montelimar, van ouds de vijand van zijn Vorst;
D’ Aumale die, als hy, naar kamp met ketters dorst,
en liever hulde brengt aan Oostenrijk en Spanje,
dan, Lotharingen, zoon en bloed van Charlemagne,
aan de oude Ligne ontrouw, met klanken flaauw of valsch
voor Hendrik van Bourbon te buigen knie of hals. —
De Graaf van Reffesheid leidt op zij kurassiern
uit Duitschland, — uit Milaan met keur van Cavalieren
Graaf Balbiano zijn vrijwilligers, naast Rho,
Pallaviscini, Buongiovanni, Fabio,
der Fabiussen van Oud-Rome — zoo zy melden —
nog steeds herkenbaar kroost. — Ook België zendt helden
en namen, rijk aan roem in allerlei bevel
of dienst in vrede en krijg: Richardot, Pilmorel,
en Longueval-Bucquoy, en, die hem heeft vervangen
in ’t opperste bevel van zijner Walen rangen,
Vliesridder, Graaf en Heer Lannoy Lamotterie,
met dien ten Veldheerstaf, door kracht van krijgsgenie
van scheermes en lancet geklommen La Barlotte,
die aderldom en dood met d’ eigen lach bespotte,
schoon by dien adel om zijn opkomst mijn misschien
in arren moed benijd, dan om zijn deugd ontzien.

   Ter eer van ’s Keizers bloed, ter viering de Infante,
door ’t Vaderlijk besluit Voogdes noch Gouvernante,
maar Erfvorstin voortaan der Nederlanden, geeft
hier Spanje, of ’t waar op nieuw, al wat het kostbaarst heeft
van strijders. Oversten en ridderlijken loten:
Toledoos, uit één tronk met Alva voortgesproten,
Monroy, Arosteguy, de Silva, Carvajal,
met Torres, uit het bloed der kroon van Portugal,
met Barcamonte, del Villar en Espinosa,
Zaéna, d’ Avalos, — en gy, vooral, Mendoza!
uit glorierijker huis geboren, dan wellicht
het huis uws Konings zelf, dat voor den praal schier zwicht
uws breeden stambooms en zijn tallelooze zonen
uit twintig takken, met Hertogelijke kroonen
en Gravenwrongen en banieren overlaân,
de prijs van ridderdeugd en oorlogsheldendaân
niet slechts, maar wijsheid mede, aan ’t roer der Koninkrijken,
in ’t purper van de Kerk bewezen, by het prijken
ook met de palm der Kunst! — Beklaagbre, wien dees dag
geen nieuwe lauweren om ’t voorhoofd slingren mag.
Geen afkomst baten zal uit zoo doorluchte Vaadren,
geen onverbasterd bloed in eigen levensaadren,
geen titels eener Gade, erfdochter van Colon,
die met America Castielje en Arragon
vermenigvildigde. — ’t Is in dit natte Noorden
ons, zonen van Euphraat-, Jordaan- of Ebroboorden.
te kil, — te kil voor ’t minst, wanneer geen schooner zaak
den arm te wapen draagt, dan Inquisitiewraak,
den middeneeuwsche Kerk ter heillooze eerbetooning,
tot elken prijs gewild door een ontzinden Koning. —
Ga, eedle Arragonees, ga, fiere Castiljaan!
zing van uw Cids den roem, waarvoor de Halvemaan
van uit Asturiës onwinbren hoek bedwongen,
verbleekte en nederzeeg, van plek tot plek verdrongen
tot Calpes ovezij! of brenge later dag
u versche gloriën uit grootschen slag op slag
by Salamancaas en Toulousen, op de Gallen
behaald naast Wellington, — uit Saragossaas wallen,
het aandeel van wier asch in d’ Europeeschen strijd
uw Palafoxen zelfs door Moscow word’ benijd!…
Maar in zijn duinen is de koele Nederlander
te huis en meester. Ziet! èn ros èn staf èn stander
en voeten glijden uit ’t doolhof van dit zand.
Gy zult dees avond nog, roemruchtige Admirant!
nadenkend aan den disch uws Overwinnaars spijzen,
en, eerlijk Edelman, eens vijands krijgskunst prijzen!

   Maar vóór het vallen van den avond en nog vóór
dat de Arragonner weg en degen hier verloor,
wat deinend wisslen van de hoop! Wat overspanning
van woede ginds en hier! Wat steeds op nieuw vermanning,
in duizenderlei vorm, van duizenderlei dood!
Wat uit de diepten-zelf van lijfsgevaar en nood
weêr aangegrepen moed, trots wreede lichaamspijnen!
Wat davrend moordmuzijk: geknal van karabijnen, —
gekletter van het staal, dat indringt of verplet,
het pantser beukt en deukt, — geknetter van ’t musket, —
waaronder ’t schutgevaert uit zijn ontsloten kelen,
uit zee, van strand, op ’t veld, begonnen in te spelen,
of dondrend uit het zand, door Maurits kunst bevloerd,
zijn grove basstem mengt. De waatren zijn ontroerd,
en rijzend met den vloed bezetten en beëngen
de ruimten van het strand en worstelperk, en brengen
den strijd steeds dieper in het duin. De zon, — de zon
van uit haar loopplaats, sints het vreeselijk pleit begon,
streed meê en blindde ’t oog der Spaansche tegenstanderen,
door diep beleid hun stelling te veranderen.
De ontknooping draalt, neen! wijkt. Een pijnigend verlangst
naar de eindbeslissing, een van weêrszij zeldzame angst
bevangt en overmant de harten, niet om leven
of lichaam, sedert lang het krijgslot prijs gegeven,
maar om de zege of smaad van Spanjes kroon en vaan!
de vraag: zal Nederland stand houden of vergaan?

   Heel Neêrland, Zuid en Noord, deelt in de hachlijkheden
van d’ ongelijkbren dag, door hoop en vrees bestreden
by beurten! naast en meest Ostende, waat het zwerk
aan oog of oor van verr’ den gang van ’t oorlogswerk
laat gissen of verstaan, — of ’t enklen vluchtelingen,
dwars door den vijand heen, gelukte door te dringen,
met weiflend antwoord of del fel bedreigden vraag
maar dezen eb en vloed van zege en nederlaag.
Daar ’t eerst is de uitslag dood of leven. Daar vergaadren,
benepen en benard, ’s Lands uitgetrokken Vaadren,
met Oldenbarnevelt, de wijsheid van den Staat! —
of met een hart, dat thands niet slechts van onrust slaat,
maar ook van naberouw in ’t end? — Hoe ’t zij, met oogen
bedaauwd, met knieën voor Gods Almacht neêrgebogen, —
gy in hun midden, vroome en eedle Casimir,
met handen, hier niet meer zich klemmend om rapier,
of staf van Veldheer, maar gevouwen, opgeheven
ten hemel, om, ook Gy dien Josua in ’t streven
te sterken, die nu draagt de hitte van den strijd,
tot de overwinning door uw moeiten ingewijd!

   Maar ook nog elders in des Spanjaards Nederlanden
stijgt uit een boezem, door nog andre dan de banden
van eenerlei belang en haardsteê aan het lot
van Maurits volk verhecht, een smeekgebed tot God! —
Ziet ge in dat rijk kwartier van Brabants hoogen adel
dat hofplein? — op dat plein die knechten, toom en zadel
aanbindende aan een stoet van rossen, als ter vlucht
gereed gehouden op het eerste schrikgerucht? —
En ziet ge in dat vertrek, dat bidvertrek, dien Grande
en Ridder van het vlies, pas met gejuich ten lande
verwelkomd by den trein van ’t Aartshertooglijk paar? —
En ziet ge op dat gelaat die Nassaustrekken, maar
meer Spaansch, meer somber, met een schaduw overtogen
van lijden, doch beheerscht door manlijk wilvermogen? —
’t Is, — twee en dertig jaar na d’ onvergeetbren roof
van Leuven, — ’t is diezelfde, in Spanjes Kerkgeloof
en hofdwang en den boei zijns eigen rangs omsloten,
Philps Willem van Oranje! ook hy, een leeuw gesproten
uit leeuwen, en zich-zelf het leeuwenhart bewust, —
maar ach! als een wiens aart kustmatig werd gesust,
wiens oog verdofte, die het tergende beletsel
van ’t houten traliewerk en splinterig staketsel
verafschuwt, en ontziet; dan weêr een oogenblik
zijn staat vergetende, den tuin vervult met schrik,
wanneer hy ver in ’t rond dat diep gebrul laat hooren,
waaruit de Woudvorst blijkt. Dus ook de Vorst, geboren
uit zoo verheven stam tot zoo verborgen kamp.
Maar neen! op dezen dag verschrikt geduchter ramp
dat prinslijk gemoed. Wien zullen de oorlogskansen
in dit ontzachlijk uur met de overwinningsglansen
begunstigen? Wien’t hoofd doen lukken in het zand? —
of Spanje of Habsburg, of Oranje en Nederland?
Dat Spanje bracht hem groot, dit Neêrland was zijn moeder?
Albertus is zijn vriend, en Maurits is zijn broeder,
zijns vaders zoon, zijn naam, zijn bloed, — dat bloed, die band,
behoudt in ’t barnen van den zielskamp de overhand.
En zie, ook deze, by een kruisbeeld neêrgevallen,
smeekt voor eens broeders hoofd met Hollands duizendtallen.

   En weder elders werd gebeden, — werd geroemd, —
te Brussel op dien dag. — Van ’t schittrendst hofgebloemt
van Staatsjonkvrouwen, rang- en stam- en Echtgenooten
van Brabants Edelen, Paleis- en legergrooten
omgeven, voert het woord de fiere Aartshertogin,
met kalme majesteit, met d’ opgeruimden zin
der blijdste zekerheid. Heeft niet haar moed de muiters
voorgister nog getemd, voor de opgezeten ruiters
verschenen in den dosch van ’t mannelijke staal
met mannelijke klem in vrouwelijke taal?
En zou dat leger, meer dan immer aan zijn plichten
herinnerd, in zijn trouw geen wondren thands verrichten?
Of mag zy minder van de ster van haar Gemaal
verwachten dan èn heil èn volle zegepraal
op ’s Geuzen overmoed? „Houdt vast uw hart, Mevrouwen!
„gy zult aan deze plaats weldra den leeuw aanschouwen,
„en ’t welpjen aan zijn zijde, in banden. Hoe de Held,
„den Stedendwinger, eens voor goed in ’t open veld
„ontfangen, hier zal staan? hooghartig of verslagen?
„Men zal zich, hoe het zij, geen hoflijkheid beklagen,
„na de overwinning aan een weêrpartij betoond!
„doch worden deugd en trouw in d’ onderdaan beloond,
„het Recht, het hoogste Recht eischt straf van dit Oranje,
„dat voor den dank en gunst van Keizerrijk en Spanje, —
„mijns vaders hooge dienst in krijg- en Landsbevel, —
„de oneedle rol verkoos van ketter en rebel.
„De aartshertog temt ze vast.” En of het Maurits hoorde,
en of het schampre woord zijn eedle ziel doorboorde,
een blik, bezielder dan ooit, ontschiet zijn oog
eerst stil, doch openlijk, geslagen naar omhoog!
En vrolijk rolt zijn stem door rangen en gelederen:
„Houdt, mannen! houdt het pad, dat deze Oranjevederen
„u wijzen. ’k Ga u voor! heel ’t bloed van Nassau meê! —
„Te bijten in dit zand, te drinken deze zee,
„of dat de Spanjaard ons den ijzren nek toekeere!
„Zie daar de keus. Gy hoort de mijne. Ik sneed met eere
„de toevlucht af der vloot. Wie onzer denkt te vliên?
„Wy willen, wel te moê, den dood in de oogen zien,
„wil ’t God! zoo zij voor eb het bloedig spel gewonnen!” —
„Graaf Gunther! voorwaarts met uw paarden.” — De escadronnen
des vijands schudden van den schok. Zy houden stand
een wijl. Een tweede stoot verzekert de overhand
op Alberts ruitery, die nu by honderdtallen
in ’t duinzand zuizelt en tot onder Nieuwpoorts wallen
de wijk zoekt. — dan, door schaamt bekomen van den schrik
een vaart neemt op haar beurt in inhouwt, straks door blik
en degen van den held op nieuw teruggeslagen
terrein en kracht verliest. Ten koste van wat wagen,
en schier ontzinden moed! — Ritmeester Cloet, ruk aan!
De Riddr (’t is zijn zwak!) is weêr te diep gegaan
in dezen dichten drom van speeren. Hoe zijn veder,
met helm en paard en al, daar wiegelt heen en weder,
en ’t tiental om hem wuift en wenkt als om ontzet!
Stoot-in de sporen! — Stout gedaan! zy zijn gered!
Zie hoe zy zich met glans door heel die menigt sloegen,
en met vereende kracht nu weêr den vijand joegen
steeds verder, verder, en weêr verder achterwaart. —
Dan kentert weêr de kans. — Maar ’t vlammendspuwend paard
trapt ondertusschen, met de woede van een strijder,
wat in den weg staat plat, of sleept van zijn berijder
de leden, opgescheurd door lans- of sabelwond,
en hangende in het zaâl, het rookend slagveld rond;
tot dat het in zijn vlucht doorstoken of doorschoten
met strepen van het vocht, uit eigen borst gevloten,
de sporen teekent, half aâmechtig doorgehinkt,
en pijnlijk siddert, en bezwijkend nederzinkt.

   De linker draagt den last, waar zich de keurkohorten
van voetvolk naar den top opstuwen, of weêr storten
en slingren van de hoogte in ’t glibberige duin,
by beurten hinderlaag, verweeringschans of puin,
dat zich de vechtenden, verward door één gemengeld,
betwisten, voet by voet als in elkaêr gestrengeld,
en klevend in één slijk, of plassend in één vloed
van Spaansch, van Schotsch, van Fransch, van Duitsch,
                                                            [van Neêrlandsch bloed.
De Veldheer overschouwt de weifelende kansen,
en peilt het slagveld, dat geen wemeling van lansen,
geen rook of sulfervlam onttrekken aan den blik
diens aadlaars, even vrij van aarzling als van schrik
Wat ziet hij? in den drang der allervoorsten lijnen
De Vere zelf, verwond, op pieken van de zijnen
verwijderd, — ’t strandgeschut, zoo zorgelijk geplant,
haast door een stouten greep den Spanjaard in de hand
gevallen, Fries en Brit naar zee te rug gedrongen,
en — nog een oogenblik! — de zege zich ontwrongen.
Geen nood! hy geeft bevel. De benden snellen aan
tot op dit uiterst uur als opgespaard en slaan
den vijand blinkend af. „Viktorie!” roept — voorbarig! —
heel de opgetogen schaar die ’t aanziet. Ach! te karig
heeft nog der helden bloed geborreld aan dit oord! —
De Uurwijzer aan de kim schrijdt middlerwijle voort
en waarschuwt, dat de tijd vast inkrimpt, en het spannen
der laatste krachten vergt van de afgestreden mannen.
De stem des Veldheers geeft weêr steun. Zy staan in gloed,
van wederzij’. Want ook Alberts houdt zich goed,
en, aan de onthelmde kruin herkenbaar, gaat zijn scharen
vóór, op zijn fieren hengst, voor wonde of lijfsgevaren
gevoelloos in zijn vaart. ’t Geldt Spanje en Duitschland saam!
’t Geldt Isabella, ’t geldt den aangeërfden naam
diens Alberts, Rudolfs zoon en Habsburgs Rijksstoelstichter
die Keizer Adolf sloeg, den hooggeboren Dichter
uit Nassaus oudste bloed, hem sleurde van de zaâl
en neêrplofte in het zand, by ’t rampvol Rosendaal,
en op de nederlaag des doodelijk verwonde
de vastheid van zijn kroon en Keizerstitel grondde, —
„Val aan, val aan, val aan!” ’t zal Nassau zijn ditmaal!
Geen kroon voor Oostenrijk, geen dag van Rosendaal!
Oranje is aan de spits en stort, met losse teugels,
met heel de zwaarte van de beide legervleugels
op Alberts zwermen af. — Één laatste mengeling
en schonk der menigten beslist het grootsch geding.
De zon, eer ze in den schoot van d’ Oceaan dompelt,
ziet redloos allerweeg den vijand overrompeld,
en ’t heir, by d’ opgang nog zoo roemrijk, zoo geducht,
zich-zelf ontbindend in een ordelooze vlucht.

   Men zegt, dat op dien stond, by ’t dondren der bazuinen
twee groote schaduwen gezien zijn op de duinen.
de een, prinselijk van gestalte, en met de rechterhand
geslagen op het hart, en die voor God en ’t land
door ’t opgetogen oog zoo wel erkenbre wonde,
terwijl de linker aan den halsvriend (Aldegonde
in zweem en zwier gelijk!) zicht vasthield, beider oog
met dankbren weemoed, dan geheven naar omhoog,
dan weêr omlaag gewend naar ’t strand, en naar die velden
pas van het bloed doorweekt der Nederlansche helden.
’t Bazuingeschal, op eens, ging over in een lied
dat de echo opving uit het roerend wolkverschiet:

   „Wilhemus van Nassouwe
      „was hy van Duitschen bloed!
   „Den Vaderland getrouwe
      „bleef by tot in den doet!”
   By leven en by sneven
      in God, zijn Heer getroost,
   is Neêrland nagebleven
      zijn zegen — en zijn kroost.

Straks volgden stemmen als in antwoord, die daar loofden, —
een koor van geesten, met den bijl voorheen onthoofden,
of versch verslaagnen met het zwaard, hun God in ’t hart,
thands vrij van éénen dood van heel eens levens smart:

   Hy heeft geen welgevallen
      aan de eigen kracht des mans, —
   de macht der duizendtallen, —
      de scherpte van de lans, —
   de menigte der paarden
      die met den oorlogsheld
   zich in slagorde schaarden, —
      der wagenen geweld!

   Den Heer der legerscharen
      zij eenig lof en dank!
   Dat velden, bergen, baren
      weêrgalmen dezen klank!
   Die ’t heir doet zegepralen,
      is Isrels God en Heer!
   Met orgels en cymbalen
      verbreidt in ’t rond Zijne eer!

   Van uit der heemlen glori
      slaat Hy de wereld gaâ, —
   geeft aan Zijn volk viktorie,
      d’ ootmoedigen genâ, —
   de nederlaag aan Spanje,
      wiens Rijksmacht de aard omspant,
   de zege, door Oranje,
      aan ’t needrig Nederland!

   Verkondigt het, gy duinen
      gy duinen van Nieuwpoort!
   en zeggen ’t uit zijn puinen,
      Ostende verder voort!
   Reeds houden zich èn Noorden
      èn Oosten op dien kreet,
   straks Theems- en Boyneboorden
      ter wedergalm gereed.

   Verneemt hem, Wereldrijken!
      en Vorsten, aardsche goôn!
   gy Frankrijks Lodewijken,
      gy Stuarts op uw troon!
   Beheerschers van de Volken,
      en Machten van den Tijd!
   uit hooger dan de wolken
      verneemt hem wijd en zijd!

   Hooghartigen weêrstaat Hy,
      en nu, en t’ allen stond.
   Zijn hateren verslaat Hy
      met d’ adem van Zijn mond!
   ’t Geheim van allen zegen
      (Oranje en Neêrland! hoor ’t!)
   is in Gods vrees gelegen,
      Zijn dienst, Zijn gunst, Zij woord!

   „Tot God wilt u begeven!
      „Zijn zalig juk neemt aan!
   „Als vroome Chritnen leven,
      „’t zal hier haast zijn gedaan!”
   Wie zich aan God wil geven,
      zijn dienaar wezen mag,
   „diens ziel in ’t eeuwig leven
      „verwacht den jongsten dag.”

   Des werelds zwijmelkelken
      vergallen in den nood!
   De laauweren verwelken
      by d’ adem van den dood!
   Te niet gaan koninkrijken
      en sterren vallen uit;
   ja, deze heemlen wijken
      by ’t jongst bazuingeluid!

   Maar heil den Heldenscharen
      wie ’s Heeren vrees bekoort!
   maar heil den Martelaren
      die kampten voor Zijn woord!
   Hun wordt van God gegeven,
      om ’t zoenbloed van den Zoon,
   voor dit verganklijk leven
      een onvergankbre kroon.

Dus ’t lied naar Marnix hart. — Met wapperende veder
keert Maurits ruiterij van ’t eenzaam slagveld weder.
Geen vijand zag zy meer op dees haar laatsten rid! —
Maar de Overwinnaar in het stof gebogen , bidt.

         1859.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden op: 1 juni 1997.