ISAC DA COSTA (1798-1860)

AAN MIJN OUDSTEN ZOON,

OP DEN DAG ZIJNER BEVESTIGING ALS LID DER

CHRISTELIJKE HERVORMDE GEMEENTE.

Mijn zoon, mijn eersteling heeft zich een lid beleden,
werd als een lid begroet van Jesus Kerk op aard.
Heil hem! heil dezen dag! met tranen en gebeden
ga stille lof en dank in onze ziel gepaard!
Ja, dank en lof aan Hem, die ’t oudren wilde geven
het kind, voor achttien jaar met Zijnen doop besprengd,
als jongling aan hun zij’ den stond te zien beleven,
die aan ’t geschokte hart een nieuwe roepstem brengt.
Ja, tranen by het zien op schuld, ellend en zonde,
maar tranen, waar de blik op ’t Godslam heen door dringt;
wien aan het hout des vloeks die schuld het hart doorwondde,
maar aan dat hout geboet, in liefdes diepten zinkt.
Mijn zoon! hoor onze be, en hoor’ haar God van boven!
De God des levens, der genade, des herstels;
Wien slechts de levende, de levende zal loven,
de God van Abraham, de Gol Israels!
„o! laat ook dezen voor uw aangezichte leven,
„ook dezen spruit des volks, door u gekend weleer!
„Hy leve een lid dier Kerk, die steeds u de eer zal geven,
„veroverd op den dood door ’t sterven van haar Heer!”

1843.


Ingezonden: 24 juli 1997

E-mail: J.R. van Wijk