ISAÄC DA COSTA (1798-1860)

UIT PALESTINA.

Zy hebben my dikwijls benaauwd van mijne jeugd af, zegge nu
Israël; zy hebben my dikwijls van mijne jeugd af benaauwd.

Ps. CXXIX.

   Het was de tijd, toen edelhuis by huis
zijn mannen zond, den schouder onder ’t kruis.
Des Keizers vaan, met Frankrijks lelieglansen,
met Englands leeuwen gingen voor, — de lansen
der Ridders zich verbroedrend in den stoet
me Bisschopsmuts en breden pelgrimshoed.

   Toch was ’t de tijd niet meer dier eerste kreten
vernomen door de volgers der Propheten
met schrik en spot, by beurten, uit Euroop! —
In rook vergaan was menig stoute hoop
op glorie, op veroovring in die streken,
waar, heimweekrank, reeds duizenden bezweken
onovertroffen sedert, en geen zon
meer opging over Godfrieds van Boullion.

   Diep was, na hem, de Christenheid verbasterd,
en fel, om haar, de Christennaam gelasterd
in de overheerde woningen van Sem.
De toon van Clermont was gedaald. Jerusalem
droeg nog wel hoog de kruisvaan op haar muren,
(hoe ook verbaasd een schepter te verduren
naar leenrecht uit het West!) en forsch en fier
stond in haar midden steeds de Tempelier,
het zwaard op zij, verplegende haar kranken.
Toch meer en meer begon de tent der Franken
te schudden in dat verre Morgenland,
onveilig en ontbloot. Want aan den kant
van ’t Noorden was Edessa reeds ontvallen;
en wel had weêr Euroop zijn duizendtallen
geleverd, maar geen taal zelfs van Bernard
vermocht, die te bezielen met een hart
genoegzaam tot herovering van rijken.
Weldra — en zelfs de hoofdstad gaat bezwijken.

   De Olijfberg in die dagen zag zijn top
bestegen door een Dichter. Hy zag op.
De weduwstad lag voor hem, — hy versteende,
en schiep weêr aâm, en riep het uit, en weende!
Wat tranen, eeuwen in en eeuwen uit,
bevochtigden dien grond al! Wat geluid
van weegeklaag, van onweêrhoudbaar snikken,
werd dáár niet al gehoord, by de eerste blikken
op Sions overschot. Wat borst, zoo fier,
wat hart van ijs of ijzer, dat niet hier
brak en versmolt en smart had van zijn zonde,
en daden van den God der goôn verkondde?

   De Vreemdling op d’ Olijfberg stapte voort.
wie was hy? van wat maagschap? uit wat oord?
Geen trots hier, als des krijgsmans, is te lezen
in oog of tred. Geen pelgrim kan hy wezen, —
met rozenkrans noch kruis aan hals of hand, —
geen vreemdling, maar eigen zoon van ’t land!
De donkerbruine huid, het vuur der blikken,
deed d’ Arabier herkennen zonder wikken,
sprak niet wt anders nog op dat gelaat,
dat, neen, geen kroost van Ismaël verraad,
maar stamverwant. ’t Zijn de onmiskenbre trekken
die langs heel de aard den Isrelliet ontdekken.

   Dat was hy! van zijn tweeden moedergrond,
van Spanje, kwam hy, om waar Sion stond,
in heerlijkheid sints eeuwen uitgeschenen,
te aanschouwen met zijn oogen, en te weenen.
’t Was zijner jeugd gelofte lang geweest.
Thands duldt zijn geest geen uitstel meer. bevreesd
of mooglijk hem voorkwam de ban der jaren;
want, vóór den tijd, besneeuwden hem de haren
en weefden voor zijn oogen reeds een wolk
de droefheid over ’t noodlot van zijn volk, —
de studie in den doolhof der Rabbijnen, —
de dichtgeest, die ook sterken weg doet kwijnen.

   Dáár treedt hy van den bergtop af, en voort!
Daar staat hy voor de Benjaminsche poort.
Daar zal hy Salems straten in gaan treden.
Maar neen! hy trekt te rug de vlucht der schreden.
Hy wil nog meer genieten van zijn smart,
nog eerst van rouw verzadigen zijn hart
by d’ aanblik van die moeder der Propheten,
die stad, des grooten Konings eens geheeten.
Hy wil de dorheid proeven van dien grond,
waarover de Aard al haar geweldnaars zond,
en kust dien grond, hem als in de armen knellend,
en drinkt de bittre wateren, hem wellend
uit hart en oog, en wentelt zich in ’t stof,
en rijst weêr op, om Gode een lied van lof, —
een lied der klacht als voegt aan bannelingen —
voor d’ ingang van de weduwstad te zingen!
Het was dat lied, gelijk hy-zelf, vermaard,
in Spanjes Synagogen lang bewaard,
en aangewend waar immer Joden zerven
of by der vaadren graven komen sterven.
De Maagd van Sion klaagt er ’t onderscheid
van toen het uit Egipte werd geleid,
gehoed door haar van God gezonden mannen,
of — toen de haat dier meer dan aartstirannen:
Nebucadnezar, Titus, Hadriaan,
voor eeuwen Isrels zon deed ondergaan:

„Een vuur, een vuur gloeit in mijn aadren,
   wanneer ik opvoer in mijn lied
dien blijden uittocht mijner Vaadren
   uit Pharaoos verbaads gebied! —
Een koorts schaamte verwt mijn wangen,
   De krachten weigren zich mijn stem,
wanneer ik meld in rouwgezangen
   mijn uitgan uit Jerusalem!”

„o Lied, door Moses aangeheven,
   by Mirjams rinkelbom en trom,
toen ik Egipte mocht begeven
   en zijn verworplijk godendom! —
Ach zangen, druipende van tranen,
   op Jeremias harp gesproeid,
toen ’k heentrok onder vreemde vanen
   de handen smadelijk geboeid!”

„Hoe vriendelijk wenkte me uit de wolken
   de glans des vuurkoloms by nacht,
toen me uit de hand der vreemde volken
   de hand mijns Gos had uitgebracht! —
Maar by ’t bestormen van den tempel,
   wat zwarte wolken van rondsom, —
met wat verfoeisels op den drempel
   van Gods ontheiligd heiligdom!”

„De wateren der Schelfzee ruischten
   op dat ontzachlijk uitgangsuur,
de wateren der Schelfzee bruischten…
   straks rezen ze op my tot een muur. —
Ach waatren slechts, die overstelpen,
   met stekend zout, met stikkend zand,
geen golven langer om te helpen —
   toen ’k balling uitging uit mijn land.”

„Van uit den hemel — mannaregen,
   verkwikkend bronnat uit de rots;
toen ik mijn vrijheid had herkregen
   by ’t tusschentreden mijnes Gods! —
Absinth en gal en bittre waatren,
   toen ik ter naauwernood ontkwam,
by ’t hoongeschater mijner haatren
   om Salems stad- en tempelvlam.”

„Toen ik Egipte was ontkomen,
   Met Moses staf en heilgebed,
zag ’k eerlang Horebs top omzoomen
   van ’t volk, verbeidende Gods wet. —
Ach samenscholing by de stroomen
   van ’t onmeedoogend Babylon,
toen my de vrijheid was ontnomen, —
   mijn lange vreemdlingschap begon!”

„Des Heeren zwaard, het oog verblindend,
   ging ter bevrijding voor my heen,
mijn trotsche vijanden verslindend.,
   toen ’k uit Egipte ben getreên! —
Dat zwaard, ach! tegen my gegrepen,
   ach! tegen mijne borst gewet,
toen ik mijn kindren heen zag sleepen
   van Sions hoogten, wreed verplet.”

„o Feesten, Sabbaths, wonderteeknen,
   toen ’k uit Egipte was geleid!
ach vasten, tranen, ijzren keetnen,
   my in de ballingschap bereid! —
o Jubel-, rust- en vredesjaren,
   my na Egiptes dwang beloofd!
ach felle ellenden en bezwaren,
   sints Sions onheil, op mijn hoofd!”

„o Kamp van strijdbare Isrellieten,
   na dat Egipre ons vrij zag zijn,
en heilig dienstwerk der Levieten!
   hoe heerlijk zag u Sins woestijn! —
Maar toen wy Judaas erf verlieten,
   beroofd van uitzicht en van troost,
ach heir van smalende Edomieten!
   ach koopers van mijn kermend kroost!”

„Ach pijnigend verschil van namen! —
   toen Pharoos woede ging te loor,
hier, Moses en Aäron t’ zamen
   ons weidend in Jehovaas spoor,
en daar (o schrik) Nebucadnezar,
   straks, met my minder nog begaan,
Tiberius en Cajus Cesar,
   Pompejus, Titus, Hadriaan!”

„o Heiligheid der heiligheden!
   o Hoogpriesterlijke kroon!
o Wierookoffers en gebeden,
   op gouden schalen aangeboôn!
o Reiningende waterplassen
   waarin, naar de ordening der Wet.
mijn volk gantsch zuiver werd gewasschen
   van heel Egiptes smaad en smet!”

„Ach gruwlen en afschuwlijkheden
   en enkel spot met Gods bevel!
Ach beeldendienst en snoode zeden,
   afgoderij en overspel!
Ach, by verdrukking, ergernissen
   ontmoet, verduwd by elken stap!
Sints ik Jerusalem moet missen
   in steeds gerekte ballingschap!”

„Waak op, o God der legerscharen!
   Keer tot ons weder, — (ach, hoe lang?) —
als in die ver vervlogen jaren,
   als, eenmaal, by Egiptes dwang.
Keer tot ons weder, God der vaadren!
   hoor weêr naar ’t klagen onzer stem,
en wil eerlang Uw volk vergaadren
   In een hersteld Jerusalem.”

   De Dichter had zijn lied voleind. Hy zweeg.
Zijn stem, zijn geest scheen uitgeput. Hy zeeg
bewegingloos ter aarde, als in bezwijming
door ’t smerten van de diepe zielsdoorvlijming, —
of — nog in overpeinzing en gebeên,
als waar hy met zich-zelf hier steeds alleen!
Alleen? neen! op de plek, dus ingenomen,
was forsch en norsch een krijgsman afgekomen,
een ruiter, die van op zijn trapplend paard
den treurig neêrgeslagene ter aard
bespieden bleef. ’t Was een dier Beduienen,
de schrik niet slechts der eenzame ruïnen,
maar in hun stouten strooptocht in het rond
zich wagend vaak op dicht bevolkten grond.
„Spreek op (dus riep en spotte hy!) wie zijt gy?
„Verworpen Jood of Kelb! Zoo niet, belijdt gy
„ook Allah en Mohammed zijn Propheet
„met ons? Wat dreef u hier? dat ik het weet’!
„En brengt gy goud voor Frankische gestichten
„of Jodenbuurt, ’k zal u den last verlichten!”
En zwijgend en als doof voor ’t geen hy hoort
maar in ’t verstand niet opneemt, gaat hy voort, —
de Dichter, — zich steeds dieper in gedachten
te domplen, — schijnt de toespraak te verachten,
en slaakt op eens dien galm met veegen mond:
„Hoor Israël!” De Beduien verstond!
„Zoo sterft gy, basterdkind der Wet, rechtvaardig,
„niet door mijn hand, — uw bloed waar de eer onwaardig
„het edel staal te verwen van dit zwaard, —
„maar als de worm, vertrapte” Hy rukt zijn paard
naar achter met den toom, dat beide hoeven
van ’t steigrend ros hun kracht in ’t vallen proeven
op ’t hart des vreemdlings. Het brak. Ai zie!
zoo (zegt men) vond zijn eind de dichter Hallevi.


   Zy hebben, zegge Isrel, van ouds my gekweld,
benaauwd van der jeugd aan, geploegd als een veld.
Toch hebben zy tegen my niet overmocht.
Maar rouw blijft mijn deel en mijn leed onbezocht.

   Nee, antwoordt het Godswoord, dat nimmer vergaat,
niet altijd blijft Isrel der volkeren smaad.
Voor hem bad zijn Koning aan ’t smadelijk kruis.
Haast komt de Verlosser tot Israëls huis.

         1848.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden op: 16 mei 1997.