ISAÄC DA COSTA (1798-1860)

P A R IJ S.

Lorsqu’ils contempleront cette orgueilleuse Babel qui
semble insulter à l’impuissiance de la Justice et qui
défle la vengeance de Dieu.

                                      LES RÉDUCTIONS POLITIQUES.

Die Stad, wier schittrende trofeeën
zoo prachtig rijzen tot den trans,
die over de uitgestrekte zeeën
den weêrschijn afzendt van haar glans;
die Stad, de zetel aller kunsten.
De bakermat van zoo veel roem,
zoo rijk (in schijn!) van ’s noodlots gunsten!
zy, aller wereldsteden bloem!

Die Stad, in weelde groot geworden,
in weelde, en moord, en krijgsgeweld,
door ’t woên van Jacobijnsche horden
en een gewetenloozen Held
tot Stedenkoningin verheven,
ontzachlijk, machtig over de aard,
en wie geen Almacht-zelf doet beven,
wier zwavelregen haar nog spaart!

Die Stad is ’t Babel onzer dagen!
Als Babel stort zy eens in puin!
De grond is moede haar te dragen!
De Hemel haat haar trotsche kruin!
Die Stad is ’t hedendaagsche Gomorrhe,
’t verbeestlijkt Sodom van Euroop,
dat, schoon de donder om haar knorre,
geen God vermoedt, wiens macht haar sloop’!

Wie stichtte u, Stad van goddeloosheid?
Wie vestte uw gronden, ijzren troon,
waar zich Onzeedlijkheid en Boosheid
verkondigen als Wereldgoôn?
Wat had, met Lucifers verbonden,
(ijs, droef misleide wereld! ijs!)
bouwde op hun Godgebate gronden
dat hartvertrokkende Parijs?

Wie plantte u, boom van Ongenade,
om op te groeien tot verderf,
voor d’ al te licht verleidbren zade,
die zonde en dood ontfing ten erf?
Wat gruwzame aard houdt u omsloten?
Wat gif is ’t, dat uw wortels voedt?
Wat pestwolk regende op uw loten?
Wat helvuur rijpte u met zijn gloed?

Trouwloosheid nestelt in uw bladen!
En wie zijn’ God vijandig is,
wie Recht en Waarheid wil verraden,
vindt in uw schaduw lafenis!
Uw bloesems zijn verboden weelden,
en lusten, waar de Deugd in smoort!
De vruchten, die uw takken teelden,
zijn heilischennis, koningsmoord!

En echter (o rampzaalge ontzindheid!
O dwaasheid, ’s Hemels gramschap waard!)
u huldigen in droeve blindheid,
de laffe volkeren der aard!
Zij strekken onbedachte handen
naar ’t hart- en zielverdervend ooft,
waar in des Satans prikkels branden,
terwijl het enkel heil beloofd!

Reeds krimpen Duitschlands ingewanden,
gefolterd door dat doodlijk vocht!
Het doet Itaaljes aders branden,
dat in uw vrucht verkwikking zocht!
Reeds heeft zy ’t half ontzenuwd Spanje
van kennis en verstand beroofd,
en zelfs het sterk gespierd Brittanje
stijgt zy bedwelmend naar het hoofd!

Maar wacht u, Stam zoo vol verleiding!
Uw takken reiken al te hoog!
En beef voor verdere verspreiding,
hoe welig ’t loof ook bloeien moog’!
want aan uw voeten, trotsche ceder!
Ligt de ongeziene bijl der straf!
Één wenk! — Gods wraakheraut daalt neder,
en hakt u van den wortel af!

Één woord zal uit den Hemel donderen!
en, Stad der steden! gy stort neêr!
Met al uw gruwlen, al uw wonderen,
uw ijdelheên en bloedig eer!
En de al te lang verbaasde volken
bezingen d’ ondergang der Stad,
die, ’t hoofd verbergend in de wolken,
den naam van God met voeten trad!

Ontwaak van uit den slaap der zonde,
ontwaak, Verleideres! Ontwaak!
Eer zich het schrikgeluid verkonde
der eindlijk losgebarsten Wraak!
Stoor de bedrieglijke droomen,
waar uw verbeelding zich aan boeit! —
nog is het lijfsgevaar te ontkomen,
ofschoon het ieder oogwenk groeit!

Die God verloochnen , zijn uw goden!
Uw Vorsten, wie den Vorst verraân!
Die zijn ’t, wier heillooze geboden
van plicht en eeden u ontslaan!
Weg met die Godverloochenaren!
Weg met uw Staatsliên zonder eer!
Keer tot uw half verwoeste altaren,
keer in uws Konings wetten weêr!

Verwoest die tergende trofeeën,
waarin uw hoogmoed zich vergoodt!
Wat zijn zy, dan de stem der weeën,
de aard overdekkende uit uw schoot?
Hun pracht doe ’t hoofd des dwazen buigen
die hart en zelfgevoel verzaakt,
zy zullen tegen u getuigen
in ’t uur des Oordeels, dat genaakt!

Bekeer, verneêr u, smeek genade!
De keus is licht, de tijd is kort!
De wereld slaat angstvallig gade
wat van uw hachlijk noodlot word’!
Hoe zal de toekomst van u wagen
gy, thands der Duivlen Paradijs?
Zijt gy het Ninive onzer dagen.
of ’t aan den Vloek gewijd Parijs?


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden: 15 juni 1997.