Men belt deez dag voor t minst
word knaap noch maagd geboren,
zoo ver zich de oever strekt van Amstel,
Spaarne of Vecht!
Geen rijtuig, aangehold op onze steenen sporen,
geen klinglen met de schel van d
ademloozen knecht!
Geen echtgenoot twee, drie, om Schumer ongeduldig,
en zich dat wakker hoof betwistend in hun vuur,
maak zich op dezen dag aan rustverstoring schuldig
van t zilvren feestgerecht, zoo vluchtig
toch van duur!
Ganstsch anders een vertoon, dan versch geplukte wichtjes,
een schooner galm, o Vriend! werd heden u
bereid,
dan t krijten of gekreun van nuchtren aangezichtjes,
in deez hun vreemde lucht pas door u
ingeleid.
Wat zeg ik? Juist die kreet was immer in uw ooren
welluidend als muzijk voor t
plichtgetrouw gemoed;
gy zoudt ze niet versmaân, indien ze ook thands by koren,
van tienmaal honderden u brachten hunnen groet,
en riepen: Onze kreet, by de intreê van deze aarde,
waar t oog naar hooger blikt, heeft
haar beteeknis meê;
indien door weeën ons een aardsche moeder baarde
ontsluit ook de eeuwigheid zich niet met
barensweê?
29 Junij 1846.
Ingezonden op: 28 juli 1997.