ISAÄC DA COSTA (1798-1860)

SOYONS COMME L’ OSIEAU.

            Soyons comme lóiseau, posé pour un instant
      sur des rameax trop fréles,
            qui sent ployer la branche et qui chante pourtant,
      sachant quíl a des ailes. — VICTOR HUGO.   

Zijn we als de vogel, wien in schommelende abeelen
   een onbezorgde wiegling lust;
die ’t takjen trillen voelt, en evenwel blijft kwelen —
   zich-zelf zijn vleugelen bewust.

                              (Anders.)

Aan den zanger van ’t wond mag de dichter zich spieglen,
   by het schudden des loofs onvervaard.
’t Is zijn lust, zich al zingend op ’t takjen te wieglen —
   o! ten wolken heen drijft hem zijn aart.

 

De nachtegaal ontziet zich niet te zingen,
   ofschoon de boomtak schudd’ en trill’;
zy geeft zich meê aan al zijn schommelingen —
   en wijkt naar boven als zy wil.

                              (Anders.)

Het vogeltjen op ’t golven van de takken
   zingt ongestoord den toongalm die hem lust;
de brooze twijg dreig’, daar hy kweelt, te knakken —
   hy is zich-zelf zijn vleugelen bewust.

      1839.


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden op: 21 juli 1997.