Soyons
comme lóiseau, posé pour un instant
sur des rameax trop
fréles,
qui
sent ployer la branche et qui chante pourtant,
sachant quíl a des
ailes. VICTOR HUGO.
Zijn we als de vogel, wien in schommelende
abeelen
een onbezorgde wiegling lust;
die t takjen trillen voelt, en evenwel blijft kwelen
zich-zelf zijn vleugelen bewust.
(Anders.)
Aan den zanger van t wond mag de dichter
zich spieglen,
by het schudden des loofs onvervaard.
t Is zijn lust, zich al zingend op t takjen te
wieglen
o! ten wolken heen drijft hem zijn aart.
De nachtegaal ontziet zich niet te zingen,
ofschoon de boomtak schudd en
trill;
zy geeft zich meê aan al zijn schommelingen
en wijkt naar boven als zy wil.
(Anders.)
Het vogeltjen op t golven van de takken
zingt ongestoord den toongalm die hem lust;
de brooze twijg dreig, daar hy kweelt, te knakken
hy is zich-zelf zijn vleugelen bewust.
1839.
Ingezonden op: 21 juli 1997.