ISAÄC DA COSTA (1798-1860)

H E T   T R E U R S P E L.

(ODE.)

Aartsengelin, die van Gods zij
gevlogen, uw aanbidbre heerschappij
op ons, vervallen stervelingen,
als op de reine hemelkringen,
onwederstaanbaar werken doet!
o Dichtkunst! tolk van God is ’t u gewijd gemoed
lust het u soms de blanke Cherubsveêren
van uit de hoogste hemelsfeeren,
naar onzen stofkklomp uit te slaan?
Lust het u soms in schraler lucht te zweven,
om met een nieuw, een Godlijk leven
te zaligen, zoo ver uw wenk kan gaan?
O neen! Wat zeg ’k het ware u honen,
uw vlucht te lokken naar deze aard!
Hoe zou de hemelklank dier tonen,
voor de Englen Gods alleen bewaard,
die klank, waar Zijn volkomenheden
zich spiegelen in al haar pracht,
voor dit ons uitgedord beneden
zich wederscheppen in zijn kracht?
Voor altoos weekt gy van deze aarde,
met al de weldaân die gy baarde
met ware schoonheid, deugd en recht!
En thands! één toon van u, die in verheevner orden
geheele werelden doet worden,
deed ons, onheiligen, aan aardsche lust gehecht,
met heel deze aarde, in ’t niet, waaruit wy werden, zinken!

Doch o! is ’t voor het minste geen al te stout bestaan
dien toon, hoe flaauw ook, na te klinken?
Is ’t met der schoonheids rijk voor eeuwig niet gedaan?
Is ’t niet vergeefs dat West en Noorden
zich paren aan de weeldrige oorden
van ’t door God-zelf geheiligd Oost,
om door hun vlammende gezangen
uwe albezieling te vervangen
by ’t u onwaardig menschenkroost?
Verkond ons wie der Kunstgodinnen
in Griek en Romers tempeltinnen
met heidensche offers aangebeên,
na u dien troon op de aarde mocht bekleên,
van waar gy éénmaal zelf het menschelijk harte roerdet
verhieft, vergeestlijktet, en aan Gods voeten voerdet!

Wien hoort de glans dier zegepraal?
Is ’t Clio, wier manhafte taal
den roem van ’s aardrijks vroegste tijden
aan ’t laatste nageslacht verkondt?
Die door des blinden dichters mond
het plekjen, waar eens Troje stond,
aan de eeuwigheid vermag te wijden?
Een rij van koningen, een fiere heldenstoet,
dien ze uit het graf herroept en ons aanbidden doet,
kent haar de zege toe! Zy vlechten hun laurieren,
stemt gy het meê, in één om Clioos kruin te sieren!
Maar nee! een andre toon ontstaat!
Euterpe roert de gouden snaren!
Daar treedt zy voor met losse haren,
de Godheid in het oog, die door haar spreken gaat!
Zy zingt! Het aardrijk is verdwenen!
’t Verleden en de toekomst smelt in éénen!
De hemel opent zich voor ’t menschdom. ’t Is te veel!
Geen stervling viel de kracht ten deel,
haar stouten hemelvaart te teugelen,
of ’t spoor te volgen van haar vleugelen!
De ziel verliest zich in die vlucht,
erkent haar machtloosheid, en stort in lager lucht!

Gy zijt het, Melpomeen! de kroon past op uw haren!
U zij het dichterlijk gebied!
u, die den gloed der lierzang weet te paren
aan ’t grootsch geluid van ’t heldenlied!
O! weigert gy niet aan deze oorden
dien toon, der hooge heemlen lust?
O! tokkelt ge die zilvren koorden,
waar op der heemlen waarheid rust?……
Ge ontrukt, ge ontrukt ons aan ons-zelven!
Gy voert ons tot de stargewelven,
tot voor dat licht, waar meê Gods Almacht zich omhult.
Gy kent, en gy verkondt die wegen,
waar door Zijn vonnis of Zijn zegen
zich in dit jammerdal vervult!

Maar hoe? wat bloed-, wat treur-, wat schriktooneelen:
Meestres van ’t diep geschokte hart,
die door het knijpen zelfs der smart
de ziel te boeien weet, te streelen!
Wat ijslijkheden voert ge ons aan?
Hier broeders, heet op ’t bloed van broeders,
daar aan zich zelve ontvallen moeders,
die aan haar eigen kroost verwoede handen slaan!
Hier vorsten, by den troon geboren,
ter neêr gebliksemd van dien troon!
Daar de eer, die braafheid scheen beschoren,
ontwijd aan gruwelen ten loon!
Wat vreemde tegenstrijdigheden,
door ’t sterfelijk verstand bestreden,
en die ge ’t weggesleept gemoed
erkennen en aanbidden doet!

Wat zwevende op azuren wolken
ontdekt gy d’ opgetogen volken
’t onzachelijk geheim van ’t Lot!
En wijst, by ’t stroomen onzer tranen,
bij ’t bulderen der driftorkanen,
op de Alvoorzienigheid van God!
De loop van werelden en tijden,
dus leert ge, is door één woord voor de eeuwigheid beschikt,
en ’t eens bestemde lot blijft pal en onverkwikt!
Den slag, door dit gedreigd, te mijden,
is boven ’t perk der menschlijkheid,
en al die standverwisselingen,
die zich elk oogenblik verdringenm,
geleiden ons naar ’t heil, door Zijn genâ bereid!

Verheven rei van ’s Oudheids treurspeldichteren!
van schoon-, van groot-, van waarheidstichteren!
en gy vooral, doorluchte dichtrenvorst,
o Eschylus! uw stoute dichtvlucht dorst
het spoor tot hooger waarheên banen,
den blinde heidnenzielen wanen!
De zetel van hun valsche goôn
schokte op het galmen van uw toon!
Uit hooger, ja, uit hemelsche oorden
drong met den klank van uwe woorden
een straal van waarheid in het hart,
verheffend voor den geest, en balsem voor de smart!
Zoo, Dichtkunst, voegt het u te loven!
de traan in ’t oog, het oog gericht naar boven!
bezield met heldenkracht, op vorstengrootheid fier!
Gy zijt het, Melpmeen! de kroon past op uw haren!
Dat dan die kroon uw haren sier’,
en roere uw Zustrenrei ter uwer eer de snaren!
Ter uwer eer? Tot die van God.
Van Hem, die heel des werelds lot
met éénen wenk bestemde, in één hand houdt omsloten!
Van Hem, uit wien de glorie daalt,
die om het hoofd van Vorsten straalt,
waarvan Zijn hand het éénig kan ontbloten:
Van Hem, die zegent, Hem, die wreekt
wiens invloed in den dichter spreekt,
wanneer het woudgediert zich opdringt aan zijn kluisteren,
het stof zelf zich bezielt, en aarde en heemlen luisteren!
         1819.

E-Mail: J.R. van Wijk
Ingezonden op: 6 juni 1997.