ISAC DA COSTA (1798-1860)

              T E R   V E R J A R I N G

                               V A N   D E N

VELDSLAG BY WATERLOO.

Griekenland was vrijgevochten, en het schaatrend zegelied
had den wapenkreet vervangen, op zijn bloedig grondgebied!
’t Hart, onlast van ’t moedig krijgsvuur dat hun kracht gaf in den strijd,
gaf zich over aan een invloed, even krachtig, meer gewijd!
Nog bevlekt van ’t bloed des vijands, greep de dichterlijke hand
’t door een God besnaarde speeltuig voor ’t geredde Vaderland!
Lofgezang vervulde ’t luchtruim, en verkondigde overal
de overwinning van de Vrijheid, en des overheerschers val!
Alles luisterde, alles voelde ’t, alles werd op eens bezield,
en bood hulde aan ’t zwaard der volken, dat hun rechten heilig hield!
Leed en kommer was vergeten, en het fiere heldenoog
zag de nerslag slechts des Konings, waar heel Azin voor boog!
   Meer beschaafd, en meer gevoelig, kweekte Pallas stad alleen,
midden in haar zegefeesten, midden in haar krijgstrofen
’t droef geheugnis der helden, die haar redden met hun bloed,
en de vreugd verloor haar woestheid in het diep geroerd gemoed!
Dus, dus vierde Atheen haar zegen, en een somber pozy
vloeide aandoenlijk van de klippen der Atheense dichtrenrij,
en de lof-, en treur-, en lijkzang vloeide met een tranenplas
op het eerlijk graf der helden, dierbaarst offer aan hun asch!
Dichters! dit ’s een zang, u waardig, en de redders van Euroop!
Zingt hen aan het roemrijk einde van hun aardsche levensloop!
Wie de zege mocht beleven, huldigt heel een juichende aard;
maar den dooden held te kroonen, bleef voor uwe hand bewaard!
Zoo vereeuwig’ hen uw zangtoon, en vervang’ het ruwer lied,
dat de volheid van mijn boezem aan hun nagedachtenis biedt!

Wanhopig op het graf gebogen
   van ’t kroost, gesproten uit haar schoot,
verwijt, met blind gekreten oogen,
   het brekend moederhart zijn dood
aan heel de wereld, die haar ’t leven
   van den op ’t roemrijk oorlogsveld
voor ’t Vaderland gevallen held
   niet wer kan geven!

Zy vloekt den oorlog en zijn plagen,
   verwenscht dat onmedoogend zwaard,
naar dolle staat- en eerzuchtsvlagen
   verdelger van de kermende aard;
het hem, die, uit een rots gesproten,
   het eerst het gruwelstuk bestond,
’t metaal te delven uit den grond,
om ’t in een menschenborst te stoten!

Rampenzalige! Ja! wy ook trerren
   in uw onlijdelijke smart!
Wie ’t zwaard voor ’t onrecht op kan beuren,
   is me vloekwaardig aan ons hart!
Het bloed, dat druppelt van zijn handen,
   zal op hem kleven tot in ’t graf,
   en tot een eindelooze straf,
      op ’t schuldig harte branden!

Maar wie, om de eerbanier te volgen
   van Recht en Onschuld, ’t zwaard aanvat,
dien is geen Godheid ooit verbolgen
   om ’t bloed, dat om zijn voeten spat!
Die hiervoor dood- en krijgsgevaren
   met onverschrokken hart bespot,
      diens degen is gewijd aan God,
         den God der legerscharen!

Dit zwaard, o oordelijke helden!
   blonk in uw ridderlijke vuist
op Waterloos roemruchte velden;
   en Frankrijks krijgsmacht werd verguisd!
Te sterven onder ’t zegepralen
   was ’t wenschlijkst lot voor uwen moed,
   gy, braven! die met eigen bloed
Europes vrijheid mocht betalen!

Dus wenschten die rechtschapen zielen,
   en ’s Hemels wil bestemde ’t zoo!
Met d’ overwonnen vijand vielen
   ze op ’t zoenaltaar van Waterloo!
Nog treurt Europe in ’t triumfeeren
   om ’t heldenvolk dat zy verloor,
   en dankbaar zal zy, de eeuwen door,
hun zegepraal, hun graf vereeren!

Dat lijkcypressen ’t oord versieren,
   waar ’t zielloos lichaam molmt tot stof,
en eeuwig groenende laurieren
   verkondigen des dooden lof!
De wind, die dartelt in die luchten,
   verspreide op d’ uitgestrekten vlerk
   den naam, die schittert op den zerk,
en dien den vijand nog zal duchten!

Waar ’t bloed gevloeid heeft dier getrouwen,
   daar durft geen vijand ooit meet staan!
By wien hun tombe mag aanschouwen
   zal nooit de vrijheidszucht vergaan!
Zoo voer’ de heiligste der dagen
   het nakroost samen op hun graf,
en legge ’t daar den eed met geestdrift af,
om nimmermeer den vreemden dwang,
                           der vreemden naam te dragen!


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden op: 6 juni 1997.