ISAAC DA COSTA (1798-1860)

DE VERLOSSING VAN NEDERLAND

Als ’t aardrijk weêr begint te bloeien,
als ’t land zicht dekt met geurig groen,
de stroomen onverhinderd vloeien,
na ’s harden winters hevig woên;
als blad en bloem de sneeuw vervangen,
een Zefir d’ onbetoombren storm,
dan kinken Philomeles zangen,
de mensch herleeft de kleinste worm,

Zoo grijp ik ook, schoon dicht’ren zingen,
het speeltuig in de zwakke hand;
ook ik, ik wil de cither dwingen
voor ’t vrij geworden Vaderland.
Hoe flaauw mijn laaggespannen snaren.
Hoe kunsteloos mijn zangster zij,
mijn hart gebied, dat ’k uw altaren,
Nederland! Dit offer wij’!


Wy zijn dan eindlijk vrij! Wy zijn den ijz’ren band
Dingland! Dan ontrukt, waarin gy Nederland
zoo lang gekluisterd hieldt. De ketens zijn aan stukken,
waardoor de fiere kop van Hollands leeuw moest bukken,
dien leeuw, te lang door u en door uw volk veracht,
dien leeuw, die reeds te lang naar wraak, naar vrijheid smacht.

Gelijk de reiziger, die aan ’t geweld der baren
ontrukt, zijn Vaderland na duizend doodsgevaren
herziet, met warm gevoel den dierbren grond betreedt,
en sprakeloos van vreugd, ’t geleden kwaad vergeet,
het zoetst genoegen smaakt, nu hy het woên der winden,
de golf die ’t ranke schip al draaiend ging verslinden.
Al d’ijsselijken nood, waaraan ’t ten prooie lag,
in veiligheid aan gade en kind’ren schetsen mag,
zoo moet ge, o Hollandsch volk! Het slaafsche juk herdenken,
waardoor een wreed tiran uw voor’ge roem dorst krenken,
en zweren by de deugd der vad’ren, by het bloed
van hen, door wie weleer uw vrijheid is behoed:
(wier geesten tot uw heil nog om dees landen zweven)
dat ge eer uw stad, uw land der vlam ten prooi zult geven.
Of dat ge uw dijken eer doorbreken zult, uw werk
vernielen, en de zee doen dondren uit haar perk,
eer vreemde meesters weer van vrijheid u berooven,
en in vergetelheid uw’ schoonen naam verdoven.
Hoon! O slavernij! O nooit vergeetbre schand!
Afstammelingen van de heldenteelt, die ’t land
van Spanjes wreeden Vorst weleer heeft vrijgeslagen!
Bloost, Nedelanders! Bloost, gy hebt den naam gedragen
van woeste snoodaarts, die natuur en recht ten spot,
hun’ koning doemden tot een smadelijk schavot,
hun koning, die voor ’t heil van die ontmenschten blaakte,
en eigen veiliheid voor hun behoud verzaakte.
Bloost, Nederlanders! Bloost, gy hebt het juk getorscht
van ’t monster, dat naar bloed en naar vernieling dorst
van ’t monster, dat uw land ontzenuwde en uw telgen
den moederarm ontscheurde om rijken te verdelgen
en gantsch Euroop voor hem in ’t stof te zien geknield.
De tijd is daar! Wreekt nu, met d’ouden moed bezield,
den hoon u aangedaan: gy hebt uw naam herkregen,
gy zaagt Oranje weêr; klemt den gevreesden degen,
waar ’t Spaansche heir voor vlood! Uw sterk gespierde hand
duld’ nu geen Gauler in ’t herboren Vaderland.
Hy viel, hy de Euroop in ’t ijzeren juk wou knellen,
die waande dat geen macht zijn reuzenkracht kon vellen;
het recht verwon; hy viel: een woesten stroom gelijk,
die de ijdle golven breekt voor d’ opgeworpen dijk.

’t Was middernacht. De slaap, door ’t menschendom afgebeden,
goot zijn verkwikkend vocht op d’afgetobde leden.
Maar Frankrijks dwing’land waakt; door felle smart geprangd
ontvlucht de rust zijn oog, dat na haar zoet verlangt.
Nu dondert in zijn oor de wraakstem van ’t geweten;
zijn bloed verstijft, terwijl zijn leden rillend zweeten,
de kracht zijn ziel begeeft: beweegloos staat hy daar
met strakgespannen oog en opgerezen heir,
daar schikbre beelden zich in ’t matte brein vergad’ren,
de schim van Lodewijk hem dreigend schijnt te nad’ren,
het zwaard te toonen, dat zijn misdaên straffen moet,
en hy een bloedrivier ziet zwalpen aan zijn voet.
Zijn moed keert eind’lijk weêr: de nare hersenspoken
verdwijnen: hy barst los, en spreekt in woede ontstoken:
„Neen, schoon mijn oog door u gefolterd eeuwig waakt,
„schoon gy de dagen my tot nare nachten maakt,
„en my mijn wandaên steeds weêrgalmen doet in d’ooren.
„Geweten! ’k trots uw wraak, ik zal uw stem versmoren
„wat menschenbloed, wat ramp het koste, ik zal den tijd
„mijn naam doen sparen, u en gansch ’t heelal ten spijt.
„Europa hate my! Ik zal haar meester wezen;
„’k begeer haar liefde niet; ’k wil my van haar doen vrezen
„Geweten!, ja de straf die gy my dragen doet,
„wordt op dit denkbeeld in het lijdend hart verzoet.
„Welaan! Het zwaard hervat! ’k wil tot de verste streken,
„’k wil tot Europa’s grens het oorlogsvuur ontsteken
„het uitgestekte land, door Peters wijze wet
„in vroeger eeuw beschaafd, zij door mijn volk bezet!
„’t Zal overwinnend zelfs tot in zijn hoofdsteên dwingen,!
„en daar zijn opperheer tot onderwerping dringen.
„Zoo vestig ik de kroon onwrikbaar op mijn kruin,
„en heersch op heel Euroop of op Europes puin."
Hy spreekt: de zon had naauw haar gouden kar bestegen:
hy roept zijn benden zaâm, voorspelt een wisse zegen;
zy volgen hem, hy snelt, verwint; de vijand vliedt,
en ’t zegevierend heir stroomt op zijn grondgebied.
Reeds is ’t op ’s dwinglands wenk naar Moscows wal getogen,
vol hoogmoed nadert hy wat schouwspel treft zijn oogen!
Een zwarte wolk van rook stijgt op; aan alle kant
vertoont de vuur’ge lucht den ijsselijken brand.
De schrik op dit gezicht vermeestert zijne zinnen,
hy snelt vertwijfelend in aller ijl naar binnen,
en ziet …… de ontvolkte stad ’t vernielend vuur ten buit.
Vergeefs barst hy verwoed in lasterwoorden uit:
Zijn volk tracht op zijn last den woesten brand te doven:
Vergeefs! d’ onbluschbre vlam stijgt meer en meer naar boven.
Driewerven rijst de zon, en driemaal daalt ze neêr,
de vierde dag verrijst en Moscow is niet meer!
(het menschdom zag ’t verbaasd) uw eigen’ stad verbrand.
Die daad heeft aan Euroop de vrijheid wêr gegeven,
en dankbaar zal ’t uw naam, zoo lang ’t bestaat, doen leven,
en gy, o Nederland! Gy, dat dit voorbeeld ziet!
Herleeft in u de gloed der vrijheidsliefde niet?
Denkt ge aan uw Reddren niet, den schrik der dwingelanden,
wier vuist u heeft verlost van Spanjes wreede banden?
Gord, gord in ’t eind het zwaard, o Neêland! Aan uw zij!
En wreek in ’s vijands bloed uw voor’ge slavernij!
Zoo zag de Dwingland dan die stad in asch verkeeren,
waar hy de strengste koû zich vleide te trotseren.
Het kondigt al de komst des grijzen winters aan:
reeds vloeit de stroom min snel, en blijft beweegloos staan,
en dekt zicht met een korst: de droeve, lange nachten
verdubblen nu de koû: het krijgsvolk voelt zijn krachten
ontzinken: ’t zwaard ontvalt de machtelooze hand
Daar ligt gy zonder hulp, ver van het vaderland.
Rampzaligen! Weleer ontscheurd aan vriend en magen,
om voor een snood tiran de wreedste smart te dragen.
Daar ligt gy blootgesteld aan d’ akligsten dood,
vermoeid, verteerd, verstijfd, van koû en hongersnood.
Het monster ziet elk dag zijn volk by drommen sneven;
d’ een zinneloos van pijn, derft gillende zijn leven,
een ander valt verstijfd en afgemarteld neêr:
de dood dwaalt overal door ’t uitgeputte heir.
De vijand midd’lerwijl zakt neêr met rassche schreden,
en valt op ’t volk, door natuur zelf’ wordt bestreden,
en jaagt het overhoop; heir baat geen tegenstand:
een laffe vlucht alleen rest nog den dwingeland.
Nog wiegert hij den vreede aan ’volks gedurig smeeken:
hy zweert, van spijt ontzind, dien fellen hoon te wreken,
ontscheurt den onderdaan op nieuw en kroost en goed,
en snelt vol trotsche hoop zijn vijand te gemoet.
Rechtvaardig God! Zal dan de misdaad zegevieren?
Zal dan de lauwer weêr de Gaulen schedel sieren?
Neen, neen, het recht in ’t eind behaalt den zegepraal,
en de overwonnen Gal valt nu ten tweeden maal.
Leipsich, bij wier wal de dwing’land is verslagen,
zoo lang van Marathon het menschdom zal gewagen.
Zoo lang ’t zal denken van Platéa, Salamis,
waar Griekens vrijheid op den Pers bevochten is;
zoo lang zal ’t ook uw naam, uw heil’gen naam bewaren.
Gelijk wanneer de Nijl zijn opgezwollen baren
op ’t schoon Egipte stort, de drooge velden drenkt,
en rijken overvloed aan d’ akkerbouwer schenkt,
zoo stroomt aan alle kant het heir der Noordsche helden.
En brengt de vrijheid weêr gekocht op Leipsichs velden.
Trimf! Ook Nederland is van het juk bevrijd,
haar leeuw verheft weêr ’t hoofd, den dwingeland ten spijt.
laat dan ook uw moed, o Neêrlands volk, herleven,
en tracht op ’t edelst spoor uw vad’ren na te streven!
Juicht, langverdrukten! juicht! en gy, o dapp’re jeugd,
hef aan, en uit in zang uw vrijheidsliefde, uw vreugd!
„Diep lag het Hollands volk, vervallen kroost van helden,
„diep lag ’t vernederd in de ketens die het knelden.
„door een gevloekt tiran, Europes schrik, verdrukt.
„Diep lag het Hollnadsch volk, die lag ’t in stof gebukt.
„De Godheid hoorde in ’t eind, ons hartverscheurend weenen;
„zy wenkt……de vrijheidszon, zoo lang voor ons verdwenen,
„schiet ons haar stralen weêr. Ja Neêrland! gy zijt vrij!
„Gee vreemde hand alleen verbrak uw slavernij.
„Welaan dan! kondt ge zelf uw ketens helpen breken,
„gy kunt dan ook uw ramp, op Frankrijks dwingland wreken.
„Zie ons ten strijdt gereed! wiens hart staat niet in brand?
„Wie offert zich niet op aan ’t heilig Vaderland?
„O Goddelijke kracht van haat tot slavernije,
„zie hoe de Spanjaard zich ’t geweld der dwinglandije
„onttrok, en brandend voor zijn vrijheid en zijn Vorst
„der Gallen legermacht met moet verwachten dorst.
„Hy ziet zijn vruchtbaar land door ’t oorlogsvuur vernielen,
„maar voelt met nieuwen moed zijn eedle borst bezielen,
en zweert dat eer de vlam zijn land verteren zal,
„eer hy zich onderwerp’ aan den gehaten Gal.
„Het was in Nederland, (helaas! in andre dagen,
„toen ’t heir van trotschen Flips uit Holland werd verslagen,)
„dat de Iber ondervond hoe alles zwichten moet,
als vrijheidsmin een volk het zwaard aanvaarden doet.
„Heeft hy dan uit zijn land den wreevlen Gal verdreven.
„en zou het Nederlandsch volk voor ’s dwinglands benden beven?
„Wy vliegen dan ten strijd en vreezen geen gevaar
„voor ’t dierbaar Vaderland: gy teedre vrouwenschaar.
„die ons het leven schonkt! o stort ons geen tranen;
„wy scharen ons vol moed om vaderlandsche vanen;
„de zege volgt het recht: wy keeren winnaars weêr:
„de dwingeland en zijn rot valt voor ons zwaard ter neêr.
„Of doet een droevig lot ons ’t leven strijdend derven
„denkt dan hoe schoon het is voor ’t Vaderland te sterven!
„Dus werd het voorgeslacht van Spanjes dwang bevrijd
„Na tachtig jaren krijg. Dus zag, in later tijd,
„der Gaulen Vorst, die tot dees landen was gedrongen,
„zich overwonnen tot vernedering gedwongen.
„Oranje! aan uw geslacht zij Hollands dankbaarheid!
„t Was Eerste WILLEM, door wiens moed en wijs beleid
„de Nederlander op zijn beulen triumfeerde,
„die de eendracht onderhield, den tegenspoed trotseerde,
„en alles wagen dorst voor ’t welzijn van den Staat.
„Ja, toen hy lag geveld door ’t schandelijk verraad,
„rees zijn doorluchtig Kroost, in ’t zelfde vuur onstoken,
„en streed tot dat de Belg zijn keetnen zag verbroken.
„Wat Nederlander is zijn vaadren zoo ontaard,
„dat hy Oranjes naam niet in zijn hart bewaart?
„Zoo lang dit edel bloed regeert op Hollands Staten,
„zal nooit de dapperheid het Neêrlands volk verlaten.
„Wy vliegen dan ten strijd. Wiens hart staat niet in brand?
„Wie offert zich niet op aan ’t heilig Vaderland?
„Neen, nooit vergeten we u, gelukkigste aller dagen!
„toen wy den heldentelg, Oranje, wederzagen.
„Hoe klinkt nog in ons oor de zuivre vreugdezang,
„door ’t afgemarteld volk, na jaren ramp en dwang
„van ’t haatlijkst nonster vrij, met duizenden van tongen,
„o Vorst van Nederland, by uwe komst gezongen!
„Toen zwoert ge, o Hollands volk! met een onschendbren eed,
„dat gy de ketens, door den dwingeland gesmeed,
„alom vernielen zoudt. Wil, wil dien eed gedenken,
„en vrij, aan andren ook de vrijheid helpen schenken.
„O Gy, die met één wenk ’t oneindig Al regeert!
„Gy, wiens onbeperktheid, al wat bestaat, vereert!
„Hergeef Euroop de rust, zoo lang by haar verloren,
„verlos haar van ’t gedrocht, tot hare straf geboren,
„en droog de stroomen van ’t gestorte menschenbloed!
„Door eeuwen vrede zij de afgrijsbre krijg vergoed!
„’t Geluk herrijz’ voor ons na zoo veel tegenheden,
„en Neêrland bloeie weêr door Eendracht, Moed en Zeden!"
    1814
E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden op: 28 december 1996