Dit gedicht werd aan Da Costa ingegeven door zijn gevoel van verontwaardiging bij gelegenheid dat hem onder het oog kwam het in de Zangen als motto daarover geplaatste: „Extract uit het Recès van den Extraordinairen Landdag in Maart en April 1795 bij continuatie binnen de stad Zutphen gehouden,” waarbij Bilderdijk uit den land uitgezet werd, en dat luidt als volgt:

      Dingsdag, den 14 April 1795.

   Op de Missive van Hun Hoog Mog, geschreven in 'sHage den 26 Maart laatstl., ter geleide van een Extract uit het Register der Resolutiën van Hun Hoog Mog., van dienzelfden dag, neevens een request, door zeekeren Willem Bilderdijk aan de Provisioneele Representanten van 't Volk van Holland op voorsz. datum gepraesenteerd, daar by te kennen geevende, gemoedelijke bezwaaren te hebben teegens den Eed by Hoogstdezelve op den 9 van die Maand vastgesteld, en houdende eene doorstralende verkleefdheid aan het vernietigd stelsel van list en geweld, voords eene ontkenning der wettigheid Onzer gezegende revolutie, en der eeuwige waarheden war op zy steund; Gedelibereerd zijnde, Is goedgevonden en verstaan, dat gem. Willem Bilderdijk, als een zeer gevaarlijk sujet, ingeval zig binnen deze Provintie mogte komen te bevinden, het verblijf binnen dezelve zal worden ontzegd, gelijk ontzegt word by deze.
   Wordende ten dien einde het Hof Provintiaal gelast, de respective Muncipaliteiten aan te schrijven, om op de executie van dien naauwkeurig te letten.
   Ten welken einde Extract dezes aan welgem. Hove zal worden ingezonden.