ISAÄC DA COSTA (1798-1860)

WACHTER! WAT IS ER VAN DEN NACHT!

EEN LIED DES TIJDS, VOORGEDRAGEN IN DE HOLLANDSCHE
MAATSCHAPPIJ VAN FRAAIJE KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN,
OP 13 DECEMBER 1847.


Men roept — Wachter! wat is er van den nacht?
Wachter! wat is er van den nacht? De Wachter
zegt: de morgen is gekomen en het is nog nacht.
      Jesaja. XXI: 11, 12.

   De wereld onzes tijds, met weten ingenomen
zoo als geen vroegere ooit, zuigt in haar dorst by stroomen
de vrucht der drukpers in, die gistend tot ons komt
en hoofd en hart om strijd of prikkeld of verstompt.

   Geen boeken evenwel die deze dorst verzaden!
Neen! op der stormen vlerk, gelijk de orakelbladen
der Pythonis, gevoerd, of liever, over volk
aan volk van uit den schoot der bliksemzwangre wolk
by vlagen neêrgedaald, brengt Kennis en Beschaving,
ons menschdom, uur aan uur, in ’t Vlugschrift versche laving!

   Een breede plas van licht, die de oogen scheemren doet!
Een even snel vergaan als weêr gewassen vloed!
Een zee van letters, waar, by ’t zweepen van de winden,
steeds vreemder schaduwen op rijzen en verzwinden
in allerhande vorm, — en dan op eens ”e”en beeld
(het uwe, o Geest des tijds!) zich afdrukt en herteelt
volledige, dan of Daguerre ’t onder ’t zweven
bespied had, aangelokt en op zijn vlak doen kleven.

   Is ’t waar? en wordt bij ’t zweet der rustelooze pers
door Vlugschrift en Journaal naar ’t leven steeds en versch
het beeld, de stem des Tijds hebaard? zijn zin, zijn pogen,
beloften, dreigingen, vermeten, en vermogen,
ons ieder dag verhaald? van ieder nieuwen stap
die ter volmaaktheid voert, verslag en rekenschap
gebracht? zoo sta het vrij die godspraak te ondervragen!
Ja, by het kroost der Pers zich met de vraag te wagen,
die uit het binnenst roept: „Wat is er van den nacht,
„o Wachter! welk een dag wordt aan de kim gewacht?”

   ’t Is licht, ’t is schitterimg, waar oog of oor zich wende!
’t Is overschittring van wat leemte ook of ellende
door glans en gloed van Kunst, betoovring en Muziek,
triomfgeschal van Rede en Wijgeerte en Kritiek
en Wetenschap, wier hand Natuur in ’t jok geslagen,
en aan de luim eens kinds, eens stervlings welbehagen,
dienstplichtig houdt. ’t Is roem op werklijkheid en — schijn,
’t is onafhanklijk, zoo nog niet onsterflijk zijn!
Bezweering, zoo nog niet bemeestring aller kwelling!
’t Is voortgang, die zich-zelf vooruitstreeft; ’t is versnelling
des levens, met de vaart waartoe de stoompers prest; —
beweging, onverpoosd, naar Zuiden, Oost en West,
met spoed steeds aangezet, indien nog niet op pennen
van Dédalus door ’t ruim, of met vertrouwbaar mennen
van ’t golvend luchtpaard door de wolk. ’t Is ongeduld,
getergd door ’t geen den wil ’t zij hindert, ’t zij vervult; —
straks, proeving van een kracht tot maatschappijontwrichting,
zij ’t ook onmachtig nog tot stichting of herstichting, —
’t Zijn banen steeds verwijd, tot kennis, grootheid, eer!
’t Zijn goden altemaal, — zoo niet die Godheid meer,
die Edens onschuld schiep, Wiens Wet op Horeb straalde,
Wiens liefde op Golgotha verzoenend zegepraalde, —
toch goden, mild van gunst, en niet te streng van tucht
voor wie zich-zelf ten god wil zijn, noch voor die zucht
naar goud, nog nimmer, dat — voor ijzer afgewogen
of door een strook papier vertegenwoordig — oogen
betoovert, zwaarden temt, en de Aarde wetten geeft.

   En toch? hoe hoog, hoe stout de Tijdgod zweeft en streeft,
een vruchtloos jagen naar bevrediging! een stemming
van onvoldaanheid by ’t bezit! een zielsbeklemming
op ’t steeds bekorte pad naar de einden van onze aard,
by ’t vorschen naar het doel dier teugellooze vaart!
En toch! by elken stap van vordring in de streeling
van trots en zinlijkheid, dat schrikgedrocht: Verveling!
Zy, dochter van de Weelde, en Wanhoops moeder, om
wier greep (of aanblik zelfs) te ontkomen, wellekom
gegroet wordt elke zweem van nieuwe lustverfijning
en puntverscherping van den prikkel. by verdwijning
van Schaamtes laatsten blos in ’t droomen van genot
of grijpen naar een schijn van schitterender lot!
Ja, welkom elk geweld gepleegd aan hooge wetten
van spraak of kunstsmaak zelfs, niet strafloos om te zetten
voorheen, maar thands vertrapt, zoo slechts des Kunstnaars stift
zijn beelden scherp genoeg in ’t weêrloos harte grift.
Getuig het Poëzy des Tijds! die om nog scharen
te schokken, aan ’t argot van raauwe moordenaren
een nieuwen hefboom dorst ontleenen, en die les
tot op de sophaad bracht van hertog en prinses.
Als of, — wen door Parijs met moord vertrouwde straten
de keten rammlend schuift van ’t schuim der onverlaten. —
geen naamloos roofgebroed alleen gewaarschuwd zijn.
maar ook de zaal der Pairs weêrgalmen moet: „Praslin!”
Ha! dochter van de Pers, die d’ adem dus doet trillen
en schokken in de borst, is reeds dat aaklig rillen
een antwoord op de stem: „Wat is er van den nacht.
o Wachter! welk een dag wordt aan de kim gewacht?”

   Een chaos! oud en nieuw in gisting met elkander!
verandring, wat ook vall’! behoud, wat ook verander’!
De Omwentling in haar kiem gekoesterd — in haar vrucht
verafschuwd! ’t Bijgeloof belachen — en geducht,
hetzij met Ongeloof hier kampend, dáár verbonden!
’t Geloof, zoo ’t mooglijk waar’, in twijfel van zijn gronden!
Het Recht niet heilig, dan als noodzaak of geweld,
de zeden losgesnoerd, de liefde klein geteld,
de kennis wijd verspreid, ’t zij tijdig of ontijdig,
maar, door miskenning van den zusterband, éénzijdig
en vaak verbrokkeld door het missen van een doel
van hooger aart, voor ’t minst, dan eindloos stoomgewoel
en fluitend spoorgesnor. En toch! die stoom geeft wetten
van ijzer, die weldra des werelds stand verzetten.
Die stoom is de adem van een nieuwe Heerschappij,
wier onbegrensde kracht elke andre werpt op zij’.
Een kracht, niet langer thands om ’t woedend samenhorten
der raderen gevreesd, maar om het nederstorten
van bergen zilver in den afgrond dien ze ontsluit.
Voorts — trillingen alom, als met een dof geluid
van Titans, onder de aard hun ketenen beklagend,
of aan die ketenen met woeste wanhoop knagend:
vertwijflende Armoê, die geen God meer aanroept, Roof
en Opstand, Burgerhaat om Wan- en Ongeloof,
en ’t honderarmig kroost van Staatsveranderingen,
het menschdom teisterend terwijl ze elkaâr verdringen.
Wy hoorden reeds van ver na- tegen nagebuur
en bondgenoot in ’t veld, en — de Alpen spogen vuur!
Een chaos: strijd alom van worden en ontworden,
van duisternis enlicht, van stilstand en wanorden!
Orakels van den tijd! Wat wordt er van dien nacht?
en Wachter! welk een dag wordt aan de kim gewacht?

   Wat dageraad breekt aan voor volkeren en kroonen?
Voor u (het eerst), voor u, mijn Vaderland? Betoonen
de teeknen dezes tijds zich gunstig voor ’t bestaan
van ’t plekjen duin en wier, den Westeroceaan
ontworsteld? o! Wat oord van ’s hemels welbehagen
weleer! wat plek van God gekoesterd, in de dagen
van ’t Hem gevallig pleit met Spanje tachtig jaar,
met Frankrijk keer op keer gekampt! Toen elk gevaar,
ja! dreigende ondergang dees natie werd ten teeken,
dat God stond aan haar zijde om ’t heilig recht te wreken
der vrijheid van ’t Geloof, — der vrijheid door ’t Geloof!
En is dat pand nog ’t uwe, o Neêrland? of een roof
der Wijs- en Vrijheid van gantsch andre den die tijden,
toen al de vogelkens des hemels zich verblijdden
en bij u nestelden in schaduw van den boom
geplant in martlaarsbloed by d’Evangeliestroom?
o Volk, in vroeger eeuw Hervormings Eerstgeboren!
wat werdt, wat zult gy thands? Wien wilt gy toebehooren?
den God des hemels en des Bijbels — of der Eeuw?
Van waar verwachten wy ’t ontwaken van uw Leeuw?
den geest dier Vaderen, betemmers van de baren,
en, met Oranje aan ’t hoofd, van aartsgeweldenaren?
Van waar herleving? Ach! zal ’t baten of de Wet,
die Vorst en Volk verbindt, herzien wordt en verzet,
en Voortgang en Behoud hun eisch doen? zal het baten……
zoo Voortgang en Behoud het eens zijn in ’t verlaten
van ’t geen de rotsgrond was, waar Neêrlands Staat mee stond:
het met der Heeren Heer betracht geloofsverbond?
Zal ’t baten? zoo het volk (de kleinen met de grooten)
der Vaadren erfenis laatdunkend blijft verstoten , —
ach! in wat school gevormd, wat leerling opgevoed!
van schriften, druipende van walgend slijk en bloed!
van dagblaân, uitgeleerd in waarheids schijn of lastring,
hun feuilleton gericht op zede- en zielsverbastring, —
van schouwtooneelen, steeds tot lager peil gedaald!
van gruwelen vertoond! van walglijkheên verhaald!
   Hoe? is voor ’t lichaam reeds in aanleg, bouw en krachten,
wat in den stroom zijns bloeds de voegdingstoffen brachten
door menging en gehalt bestemmend? zoo onthoud
dan ook des menschen geest geen spijs, die voedt! Geef zout,
geen gif, geef brood, geen dranke, gestookt in helledampen!
Of gaat ook voor ons volk de Tijd niet zwaâr van kampen,
waar de oude geestkracht by ter proef komt? Toont de tijd
voor Staten, klein van rang, zich vriendlijk? Is de nijd
van England uitgedoofd? Gaat Frankrijks hart niet langer,
zoo ver de Rijn zich strekt, van de oude ontwerpen zwanger?
Dat Frankrijk, dat nog steeds van d’ eigen bloedlust zwelt,
’t zij de aandrift Koningen of Hugenooten geldt, —
’t zij in den Barthelsnacht by bruiloftstoortslicht Guise,
of voor ’t Septemberfeest Marat zijn offers kieze!
En slaat ook Duitschland niet op Neêrlands Noordzeezand
den blik bewondrend en belust? en biedt de hand
van broederschap met minder dwang; en vindt het landschap
beminlijk toch! en wenscht den band van stamverwandschap
gehandhaafd op ’t gebied van Spraak, Philosophie,
Muzijk en Wetenschap en Vaart en Industrie;
ja, wil tot d’ Oceaan één zelfde Kunstvereering,
één Duitsche Vaderland, één zelfde Lichtregeering!
Maar in dat Duitschland-zelf wat is er van den nacht,
o Wachter! welk een dag wordt aan de kim gewacht?

   Neen! de eeuwen zijn niet meer, toen Zendeling en Herder
in daaglijks lijfsgevaar zijns Konings rijk steeds verder
in ’t woest Germanje bracht, en ’t eeuwenheugend woud
tot steden, rijk bevolkt, tot velden, dicht bebouwd
herschiep, ja naar Gods woord: lusthoven uit woestijnen!
Nog min wellicht de tijd, die Luthers zag verschijnen,
gevolgd en voorgegaan van ’t eêlste kennislicht,
maar dienstbaar, met dat licht, aan ’t Waarheidsrijk, gesticht
op de eeuwige liefde Gods en zijn gerechtigheden! —
De tijd, toen voor Euroop, bij psalmen en gebeden,
die leer ontsluierd werd, dat Woord herlevendigd,
waarvoor èn duisternis èn waanlicht eindlijk zwicht!!……
’t Zijn nieuwe Apostlen thands, Spinosaas graf ter glorie!
’t Zijn Strauss en Krause en Baur, herscheppers van historie
uit eigen Rede en Wil, en — goden van hun goôn!
’t Is Gutzkow, Duitsch Pindaar en Fransche Omwentlingszoon
de volken dagende ter kruistocht tot volbrenging
der leus van Diderot. ’t Is Heine, uit de eigen mening,

Het bekende: Et des boyaux enz. in welken geest Gutkow nog
onlangs een vers schreef, van geen dubbelzinnige beteeknis.

van Fransch en Duitsch vergif op heel den Duitschen Bond
vuurschichten slingrend als uit Voltaires mond.
Ach! Duischlands diepten meê gaan zwanger: zwarte wolken
vergaadren: en ook dáár ontroeren zich de volken.
Aloude wijsheid van het Weener Kabinet,
aan al wat is gerouw, ook zelfs aan Mahomet!
zult gy ze stillen?…… of zult gij het, Pruissens Koning!
door al wat Christen was ten dagen van uw krooning
met weemoed toegejuicht, als gy ’t belyden dorst:
„Mijn schepter en mijn volk zijn van der Vorsten Vorst……
Of vond by koningen of volken deze stemming
een weêrklank? Alles zweeg! in toorn of hartbeklemming.

   Uit Frankrijk roept de stem: „Wat is er van den nacht,
o Wachter! welk een dag wordt aan de kim gewacht?”
De Julijschepping staat. ’t Zijn achttien zomerzonnen
van dat de lelie knakte in ’t stamhuis der Bourbonnen, —
Hoe zaagt gy dus van ouds, Bourbon en Orleans!
(twee staken van één stam, niet meer hereenbaar thands!)
elkander dreigend aan, op ’t wonderlijkst veroordeeld
elkaâr ten ban te zijn, ten vijand, en ten voorbeeld?
o! Schuldloos zeker, toch ontzettend stond reeds dáár
Philips van Orleans by ’t half gesmoord misbaar
aan ’t hof van Lodewijk den Trotsche, om Frankrijks Kindren
op één na weggesnoeid; — rechtvaardig, in ’t verhindren
van ’s Konings jongsten wil by Frankrijks Parlement,
zat dáár, een nieuwen tijd ten teeken, de Regent, —
Eerlang…… o! ziet gy hen?…… op de eigen bloedzeegolven
gaat Orléans Bourbon naar ’t moordbijlwerktuig volgen!
Philippe Egalité en Lodewijk Capet!……
God van gerechtigheden! ’t Is Uw vergeldingswet.
En straks! de Omwentlingskolk door ’t Keizerszwaard verslonden,
het Keizerrijk ontstaan, het Keizerrijk ontbonden!
En weer een Orlénans geplaatst naast den Bourbon!
en weêr Bourbon gedaald, en de Orlélansche zon
gestegen! welk een zon, omschitterd van wat stralen!
All’ koningskinderen: Joinville en Aumalen,
Nemours en Montpensiers, en — Orlélans?…… verdween!
Graaf van Parijs! zult gij uws Grootvaêrs plaats bekleên?
Of, — schept Bordeaux nog moed, — zult gy, van Orléannen
omstuwd, gelijk weleer de Leenvorst van zijn mannen,
de Fransche Julijkeus gestand doen? tegen hem?
en Bonapartes schim? en — de oude Omwentlingsstem,
weêr brullend uit haar graf? Hoor, luide dan de wetten,
heel de oppervlakte langs van Frankrijk, met banketten
den weêrgalm toegejuicht, en ’t daverend onthaal
van Robespierres leer in Lamartines taal!

   Moet dan de vraag in bloed weêr opgelost? de twisten
die in de Wetenschap als in de boezems gisten,
door ’t vallen van de bijl weêr doorgehakt? — de vraag
zoo diep, zoo roerend, en ontroerender gestaâg,
der Maatschappij gesteld: Wat wordt er van uw Armen? —
Het Evangelie roept; Eens Heilands vol erbarmen!
Het Communismus eischt: Door my het evenwicht!
De Revolutie dreigt: Aan my het eindgericht!
En op dien laatsten galm rinkinelen de ketenen
de moorders in hun hol, volvaardig te verrekenen
met heel de maatschappij, en vragende inkt en bloed
voor de aanklachtsacte, die zy voeren in ’t gemoed.
De gronden schudden. ’t Is de hand des Ongezienen, —
Wiens recht, Wiens raad, Wiens weg ook die ze ontkent moet dienen, —
zoo de ordeningen nog in stand zijn. Toch is ’t nacht,
on Wachter! welk een dag wordt aan de kim verwacht?

   Een stem van d’ overkant! De krijtgebergten schaatren:
„Leef, Groot-Brittanje! leef, en heersch op alle waatren!”
Brittanje! ja, gy staat grootsch aan der volken hoofd!”
twerwijl die grootheid-zelf nog aan een God gelooft,
zijn Evangelie eert, het woord van Godshistorie
en Heilsleer, meer dan ooit, verbindt aan elke glorie,
die om uw schedel speelt. Uit uwer zonen hand,
uit uwer dochtren mond, ontfangt het verre land
van Hindostan dat woord, aan tijd noch plaats gebonden,
eens Heilands, Paria geworden voor de zonden
der duizend duizenden ook dáár. o! Sints den dag,
die aan uw Luipaards voet den Aadlaar storten zag,
wat natie nog als gy? Des aardrijks einden bieden
uw’ koopliën koningseer; een volk van edellieden
erkent u heel Euroop, en eert tot in uw taal
van waardigheid en kracht een vorstlijk ideaal.
Wat natie nog als gy? de wereld, van uw plannen,
uw vloten, uw ontzag, uw staatkunde, als omspannen,
bliedt half in duizeling u hulde, en wie u haat,
slaat de oogen voor u neêr, en vraagt uw wijsheid raad, —
die wijsheid, in nog meer dan de oppermacht er zeeën
zich-zelf behagend, in dees meer dan krijgstorfeeën;
Op Wilberforces stem de Negerslavernij
in boei! op Cobdens woord de Britsche handel vrij!
De onmooglijkheid beproefd, maar ’t mooglijke ook gevonden
Aan rustloos onderzoek steeds vleuglen aangebonden
en vrije vlucht gegund in ’t ruime kennisrijk,
mits, — cijnsbetaling van Bespiegling aan Praktijk.
Wat natie zoo als gy? Het zonlicht in uw Staten
weet van geen ondergaan, en toont u onderzaten
van ’t uiterst Canada tot d’ ingebogen muur
van Chinaas hemelrijk, onthemeld door uw vuur.
En toch! ook gy ontzet en voelt by oogenblikken
uw binnenste aangedaan door nooit gekende schrikken.
Want aan den wortel van uw wonderboomen groeit
een worm, en knaagt een vuur aan dieper kolk ontgloeid.
Niet Ierlands honger slechts, met aaklig knarsetanden
haar levenden en doôn uitwerpende op uw stranden!
Niet Londens armoê zelf, beklagelijk gedrocht
met kronkelende pijn zich wentlend in zijn krocht!
Neen! Londens grootheid eer, zich-zelve steeds ontzwellend,
zich-zelf geen andre grens dan half een wereld stellend!
Weldra geen England meer dan Londen, dien abyss
van ontucht- valscheid, roof- en bloedgeheimenis,
die zich in nacht omhult, of wel , met Satansgrootheid,
zich toont in ’t openbaar, en al haar diepten blot leit.
Ziedaar de felle slang, die aan den wortel wast
van ’t gadeloos Brittanje! o Bergen opgetast
op bergen! goud op goud! gebouwen op gebouwen!
Wie durft de schittring van uw koepelglans vertrouwen?
De zwaarte van uw top, die reeds de wolken raakt?
Diep is der Weelde slaap, en toch — ook zy ontwaakt
en schrikt by wijlen van haar koets op, als de stoffen
van gaz, van stoom, van trots, reeds hier en daar ontploffen, —
als bank- op bankbreuk met den aardschok die ze baart
de pijlers van de Beurs doen siddren, — als de Aard
door Englands dagbladpers de vraag hoort overwogen:
„Is Englands rijk of arm? Dat reuzig volksvermogen
een sterkte op rots gebouwd, of op bezwijkend zand?”
En dieper schuilt het vuur, en feller dreigt de brand.
Uit Oxford is een stem, niet fluistrend meer, vernomen,
die naar den voorhof roept van ’t afgezworen Romen! (Het Puseyisme)
en dan, Brittanje! en dan?…… Wat wordt er uit dien nacht,
o Wachter! welk een dag wordt aan de kim gewacht?

   America daagt op, bewelkomd steeds met kreten,
maar andre, als toen Columb, van golf op golf gesmeten,
in ’t eind haar kust omhelsde, en ’t hem verschenen land
verzekerde aan de Kerk en Koning Ferdinand!
Onze eeuw, sints tachtig jaar, ziet aan die Westerstranden
met heilverlangend oog, met uitgebreide handen,
een andren glans van roem, een andre ster van hoop
voor ’t oude en afgetobde en overvolle Euroop!
Des werelds loop keerde om. Dat Westen werd ons ’t Oosten
eens heiltijds, die onze aard van al de smart moet troosten,
geleden eeuw aan eeuw van de oude Dwinglandij!
Daarheen! van waar het eerst die versche klank van „Vrij”
Euroop doordaverde. Daarheen! wie lucht en leven
behoeft, wie boven stof en maatschappij wil zweven,
op meiren oeverloos, op bergen sterrenhoog,
op velden, eindloos vlak en ’t onbeneveld oog
door geene oneffenheên beleedigend. Daarhenen!
Wie van historie en ruïnenzich kan spenen
voor enkel menschheid en natuur; — wie arbeid wil,
’t zij voor een bete broods, die slechts den honger still’
hetzij om overvloed en schat. Rukt uit de pinnen
van de Europeesche tent, wie God en vrijheid minnen!
de vrijheid van de Kerk, en vrijheid van den Staat,
der pen, der pers, des wils, naar ieders lust of baat! —
maar naast die vrijheid, — hier, de Lynchwet (de Inquisitie

Lynchwet = Het Amerikaansche Volksgericht zonder vorm van proces.

dier wereld) daar de kreet van: dood aan de Abolitie!
en, naast dien volkswil en haar meesterenden blik,
in stelsel en praktijk de heerschappij van ’t Ik, —
voor recht, de ontwikkling van den enkling, — samentrekking,
van Staat- en zielkracht op dit hoofddoel, deze strekking!
Ach! de appel ook aldaar meer d’ oogen dan den mond
voldoening schenkend, en meer blozend dan gezond!
De driften, ook aldaar als in Europa gistend,
het schepsel ook aldaar met zijn Formeerder twistend!……
En toch! America! dat u geen Christen smaad’!
geen Protestant miskenn’! Een zaad, een kostbaar zaad
van Godsvrees, Christendom, Geloofstrouw, hebt ge in dagen
van vijandschap ten bloede uit England meedragen;
een zout, een licht, een kracht, door ’t Waarheidswoord dat sticht
Dat zout werd op uw grond niet zoutloos, en dat licht
niet uitgedoofd; die kracht bleef aan uw kroost gedijen,
niet krachtloos ooit gemaakt, zelfs door geen dweeprijen
als door de weligheid uws bodems voortgebracht.
Welaan, gy andre helft van ’t Britsche voorgeslacht!
wat aardsch of volksbelang uw kindren nog moog scheiden,
voor ’s werelds hoogst belang waak’ 't heilgeloof van beiden!
Volhard, America! in ’t brengen van de stem
des Redders aan de doôn in ’t droef Jerusalem,
en voorts, van pool tot pool, van ’t Westen tot het Oosten,
om hoogten te vertreên en needrigen te troosten.
En nu! de tijden spoên! Wat is er van den nacht,
o Wachter! welk een dag wordt aan de kim gewacht?
Zal ’t jonger werelddeel Europa blijven leeren
om vrijheid, orde en licht naar ’t Westen zich te keeren?
Werd voor ons nakroost dáár de vrijheidseeuw gebaard?
Of zal ’t, een vrijheid wars, te ras in dwang ontaard,
eer vluchten in zijn angst by d’ Arend van het Noorden,
waar, by het somber licht der scheemrende Ijszeeboorden,
de zoon der Westerkust den Oosterling ontmoet,
en ’t vrije America ’t vrijmachtig Rusland groet?

   Wie zou uw greep weêrstaan? wie zal uw vlucht beperken?
Tweehoofdige Adelaar, die met uw breede vlerken
twee werelddeelen dekt! ontzachlijk, ’t zij ge uw blik
op Polen neêrslaat of den Caucasus! Uw schrik
klopt in den boezem nog dier schaars getemde Gallen,
wier legers gy het eerst deedt waggelen en vallen.
Geen Westermogendheid, maar Oosterheerschappij
spreekt uit de ontplooiing van uw Keizersmantel, Gy,
sints Moscow, niet gewoon dan aan triumfen vieren.
Gy, waar gy ’t schreeuwen hoort der Revolutiegieren,
gereed te dalen uit de hoogten van uw nest,
en de aard te zuiveren voor ’t minst van deze pest!
Wat is ’t dat u weêrhoudt? — O! de Eeuwgeest kent zijn krachten
en gy spilt de uwe niet, te krachtiger door wachten,
te zekerder door kalmte en eedle matiging,
als toen van Balkans kruin uw blik den Othman ging
vernielen…en zich wendde!(Anno 1829.) - O Grootheid, opgewassen
nog sneller, zoo ’t kon zijn, dan in onze Ijmoerassen
’t genie van Peter-Baas ze dacht! En wat zult gy
in dezen barensnood of wisslend zeegetij
van tijden? walt zult gy beslissen voor de vragen,
der menschheid opgeleid in deze wondre dagen?
Gy, met uw honderden van stammen, tot één kracht
in de onderworpenheid vereenigd aan één Macht?
Gy, met uw duizenden steeds versch gevonden bronnen
van legers, vloten, goud, — by wijsheid, diep bezonnen?
Wat gaat ge ons zijn? een rots die schaduw geeft en laaft?
of — in zijn holligheên een werelddeel begraaft?
Europe, wie nog pas van uit het strenge Noorden
de staking werd gebracht uit Dwangzuchts hardste koorden
moet nog een tweede maal dat Noorden opgewekt
ter wraak, door ’t tergen van een Vrijheid, overdekt
met bloed, en ras verkeerd in louter tijgerwoede?
En dan — niet langer meer te redding, maar ten roede, —
ten oordeel, — dan wellicht om niet het mom alleen
van vrijheid, maar haar-zelf voor altijd plat te treên,
ja, Asië op Euroop ten zondvloed los te laten.
Moet dit nog ’t einde zijn der Europeesche Staten
na eeuwen Christendam, Beschaving, Overmacht? —
Vreest, Volken! vreest den God des hemels, en veracht
het woord de Almacht niet, die tot dit Heden spaarde!
En ook gy koningen! gy goden dezer aarde!
aanbidt den Zoon! Heil u en ons, zoo ge in dien naam
èn recht èn vrede zoekt! Wee u en de aard te zaam
van hoog- en overmoed! Hy laat zich niet bespotten!
’t zij ’s werelds Mogendheên, ’t zij volken samenrotten.
En dringend wordt de stem: „Wat is er van den nacht,
o Wachter! welk een dag wordt aan de kim gewacht?”

   Doch ook het Zuiden nog toont teekenen van leven!
Wat seinen zijn van daar den volkeren gegeven?
Wat vreemde trilling des Vesuvius! Hoe dus?
regeert in ’t Vatikaan een nieuwe Julius?
Een krijgsman, onderricht by Bonapartes vanen?
Een kerkhoofd, opgestaan voor ’t recht de Italjanen?
Neen! aangeboden met den naam van Liberaal,
om overleggingen op nog veel grootscher schaal
dan ooit de twistzaak stond van Guelf en Gibellijnen?
Zijn lof doorgalmt het Zuid, ja over Appenijnen
en Alpen, ’t vaderland van Luther, Ronge en Strauss,
en — Groot-Brittanje hoort de hymne van den Paus.
Hoe nu! uit Romes lucht het lichtwoord van Hervorming?
Welaan des! geen geweld als van kasteelbestorming!
’t Is Staatsverbeetring, ’t is herstel van orde en recht!
Maar dan ook aan de Kerk haar zuivring niet ontzegd!
Maar dan ook aan het licht ten onverganklijk leven,
aan ’t woord der Godheid-zelf, haar hoogen eisch gegeven!
Maar dan ook op die stem niets wankelends, niets flaauws,
en……’t Pausdom langs dien weg vernietigd door den Paus?……
Of wel, geldt deze roep, by Zuiderdriftenkoeling,
slechts dienstbaarheid aan de Eeuw, slechts aardsche vruchtbedoeling,
slechts doornen? ja, misschien by alles wat hy baart
voor ’t Ongeloof een vaan, voor ’t Bijgeloof een zwaard?
Spreek, Wachter! welk een tijd ligt in den tijd verborgen?
Maar, blijft de duistre nacht, o! zeg ons ook den morgen!

   Van ’t Oosten komt de zon. Dáár is, o Adams kroost!
uw bakermat. Van dáár het licht! van dáár de troost!
Maar ach, dat Oosten!…… Van zijn Godgewijde streken,
van al zijn wereldmonarchijen, is geweken
de wortel met den tak, het leven en de zon.
’t Werd vormloos als onze aard, eer dat de Geest begon
te broeden over ’t Ruim. ’t Zijn huilende ruïnen,
paleizen voor schakâls en stroopende Bedwienen.
Het zaad van Japhet nam de tenten in van Sem……
Het Oosten spreekt niet meer. Alleen Jerusalem……
ook zy een tombe…… maar Prophetenadems zweven
en lisplen om dat graf: Uw dooden zullen leven!
Wie zijn ze, die dit puin met lijkmisbaar en klacht
sinds achttienhonderd jaar beleegrend dag en nacht
in ’t slavenkleed, met hartverscheurend kleederscheuren,
dien negenden van Ab onafgemat betreuren.
waarop de Tempel viel? — ’t Is Israël, bekend
door ballingschap en ban van ’s werelds end tot end
’t Is 't volk, door d’ eigen smart verworplijk en verheven;
’t volk, dat den volkeren een Redder heeft gegeven,
en — voor zich-zelven derft, tot Gods gezetten stond;
het volk, der Heidnen smaad, maar dat des Christens mond
met deze taal begroet, met deze zegenzegging:
„Uw Jesus is mijn Heer! De krachtigste weêrlegging
„ ’t machtigst ongeloof is ons uw voortbestaan!
„Ons heil, wat Abraham geloofd heeft, gy misdaan!
„Een zon van heerlijkheid zal ’s werelds nacht doorbreken!
„wanneer gy knielen zult voor wien gy hebt doorsteken!
„Uw Koning, de onze, komt. Herleef Jerusalem!”
Reeds oopnen ooren zich en harten voor die stem,
en vallen schellen ook aan Israël van de oogen!
En voorts! daar is een strijd; een worstelen en pogen
naar ’t geen weêr de Eeuwgod toont van uitgelezen gunst
aan Rijkdom en Vernuft, aan Wetenschap en Kunst!
Een worstling, om den berg van tweemaal duizend jaren
zich af te schudden van den hals! Wat zal zy baren,
die worsteling? en ook hier: Wat is er van den nacht,
o Wachter! welk een dag wordt aan de kim gewacht?”

   De Wachter antwoord: Hoort het woord des Heeren Heeren!

Jesaja XI, Openbaringen XII, Openbaringen XXII.

De dag breekt aan, dat niet! een Koning zal regeeren,
een Rots, een Schuilplaats voor den hoogen waterstroom!
En Hy zal zijn een Scheute uit d’ afgehouwen boom
van Jesse, die den troon van David zal bekleeden
en richten Jacobs huis met heilgerechtigheden.
Hem staren als hun Hoop de verre Heidnen aan.
Met d’ adem van zijn mond zal Hy de boosheid slaan,
het jok verbrijzelen van ’s werelds aartstirannen,
de Macht der duisternis in ’t eeuwig duister bannen,
en vestigen op aard zijn eeuwig koninkrijk
van Waarheid, Recht en Rust. Daar zal geen ongelijk
noch haat zijn. Ephraïm zal Juda niet benijden,
geen volkren meer elkaâr, geen wolf het lam bestrijden.
Aan alle plaatsen zal Gods kennis zijn en vreê,
en overdekken de aarde als wateren der zee.
Een nieuw Jerusalem gaat van den Hemel dalen,
van waar op al wat leeft de Heerlijkheid zal stralen:
een meer-dan-Paradijs, van uit den Liefdesstroom
der hemelen gedrenkt, — met d’ eeuwgen Levensboom,
wiens blaadren voor altoos der volkren smart genezen!
God-zelf zal daar het Licht, zal daar de tempel wezen,
daar zal geen vloek meer zijn, geen zonde meer, geen nacht.
De Morgenster gaat op! Hy, Wortel en Geslacht
van David! — Vredevorst, naar wien Gods schepslen zuchten
Hosanna! ’t is Uw rijk! ’t zijn van Uw bloed de vruchten; —
van al wat de aarde leed sints de eerste zonde-ellend,
van al wat de aard misdeed, de ontknooping en het end!

      1847.


E-Mail: rudolpho@xs4all .nl

Ingezonden: 14 mei 1997 (Gewijzigd 13 juni 1997).