ISAÄC DA COSTA (1798-1860)

IV. WILLEM DE TWEEDE.

                                                   Tu Marcellus eris!

De krijgskans is beslist, en Neêrland vrijgevochten;
   en Munster heeft den hoed gevestigd op haar kruin! —
De Spaansche macht stortte in. Maar nieuwe Staatsgedrochten
   verhieven ’t gruwzaam hoofd, gerezen uit haar puin!
Van op het Raadsgestoelt der opgekomen Steden
   doemt Burgerdwinglandij de Vrijheid tot haar buit.
Zy ijvert om den leeuw der Nassaus plat te treden,
   en ziet met ongeduld naar hun verwijdring uit!
Vergeten zijn de dienst, het bloed, de heldenwerken,
   tot Neêrlands heil besteed door hun doorluchten stam.
Men moet hun arm, hun macht verlammen en beperken —
   en de eerste tegenstand gaat op uit Amsterdam.
De tweede Willem weet, wat stormen zich vergâren,
   doorziet zijn recht, zijn plicht, met grijsheid kalmen zin;
en, met een kracht van ziel, zoo bloeiend als zijn jaren,
   rukt op het middenpunt van ’t broeiend onweêr in!
Doch ’t uur was nog niet dáár van Neêrlands rust en glorie
   Het grootsch ontwerp mislukt. De brave Willem sterft!
Nu heerscht de ondankbaarheid, nu kraait zy luid viktorie,
   ten spot van ’t jamm’rend volk, dat zijn beschermers derft.
En gy, o Nageslacht, dat uw verdrukking huldigt!
   ook gy valt Willem af, en hoont zijn heldenasch:
en hy wordt door uw mond van tiranny beschuldigd,
   wiens braafheid haar bestreed, wiens zucht uw vrijheid was,
hy, die, zoo de arm des doods zijn vroege jeugd gespaard had,
   d’ ondragelijken trots der Steden had beperkt,
en ’t heillot, dat Gods gunst voor dit geslacht bewaard had,
   door onbezweken moed reeds in zijn tijd bewerkt!


E-Mail: J.R. van Wijk

Ingezonden op: 6 juni 1997.