Petrus Dathenius
(1531-1590)

Psalm 61


Als ik roep, versta mijn reden,
Mijn gebeden,
O God, verhoort in 't gemeen,
Mijn ziel met angst bezwaard zeere
Tot U, Heere,
Heeft haren toevlucht alleen.

Op een steenrots, Heer geprezen,
Laat mij wezen
Gesteld, daar ik vrij zijn zal:
Gij zijt mijn toevlucht bevonden
't Allen stonden,
Tegen mijn vijanden al.

In uwen tempel zeer schoone,
Is mijn wone
Altijd, o God, met ootmoed;
Onder Uw vleugelen zijnde
Ik bevinde
Toevlucht en bescherming goed.

Want Gij geeft mij, Heer, genadig,
En gestadig,
Al mijn begeerten niet klein:
Want gij laat mij Heer, toekomen,
Aller vromen
Erfdeel, die U vreezen rein.

Gij zult de jaren vermeeren,
En vereeren
Uwes konings openbaar;
Zoo dat hij vast zal beklijven
Ende blijven
Nog menig geslacht en jaar.

Voor U ook, Heer, desgelijke,
Zal zijn rijke
Zekerlijk en vast bestaan:
Dat Uw waarheid en genade,
Vroeg en spade,
Dat behoede nu voortaan.

Zoo zal ik Uwen lof zingen,
En voortbringen,
En groot maken Uwen naam;
Ik zal met vlijt dan betalen,
Zonder dralen,
Mijn beloften, Heer, al 't saam.


Vertaling van Marnix van St. Aldegonde
Statenvertaling
Vertaling van Joost van den Vondel
Naar de psalmenpagina