Petrus Dathenius

Psalm 84



Hoe lieflijk, o Heer, en hoe rein
Zijn Uw woningen niet klein?
Lustig zijnz' en schoon boven mate;
Mijn hart verlangt met allen zeer
En zucht naar Uwen tempel, Heer,
Mijn ziel en lijf in dezen state,
Zijn in den waren God verblijd,
En zeer verheugd tot dezer tijd.

De musschen en zwaalwen 't samen,
Vinden eenen nest bekwame,
Och Heere der heerscharen krachtig,
O God, mijnTroost en Helper mijn,
Waar is dat Uw altaren zijn,
Daar gij woont, o mijn Heer Almachtig?
Wel hen, die in Uw huis eerbaar
Wonen, die loven U eenpaar.

Zalig is hij 't allen stonden,
Wiens kracht, Heer, Gij zijt bevonden,
Die neerstig bewaart Uwe wegen:
Als zij door dit jammerdal gaan,
Zij zullen met vliet recht voorstaan
Putten te graven zijn genegen,
Die werden gemaakt waterrijk,
Door den regen alle gelijk.

Zij zullen gaan van deugd tot deugd,
Totdat z'in Sion al met vreugd
Komen, en daar den Heer aanschouwen:
O Heer, der heerkrachten zeer schoon,
Uit den hoogen hemelschen troon,
Hoort mijn gebed in dit benauwen;
Gij Jacobs God mij doch verhoort,
Verneemt mijn smeeken naar Uw woord.

Heer, tot wien wij in den nood vliên,
Wilt uwen gezalfde aanzien:
Want veel beter is slechts een ure
In Uw Huis, dan elders, dit's klaar,
Duizend zijn; beter is ook daar
Een wachter te zijn aan de deure,
Dan 't is in de paleizen zoet
Der godloozen met overvloed.

Want onze God is vriendlijk en zoet,
Een zon en schild tot ons behoed;
Die ons geeft eer en genade:
Die de vromen in genen nood
Verlaten zal tot in den dood,
Geen ding ontbreekt hem, vroeg noch spade;
Zalig is hij, die op Hem bouwt,
En hem van harten gansch vertrouwt.


Vertaling van Jacob Revius
Statenvertaling
Naar de psalmenpagina