[Coster Pagina]

Selectie uit de Kwatrijnen (1924)

Jacob Israël de Haan (1881-1924)

Eetwagen

Hij dronk de wijn. Ik zag de zonnestralen
Eén eeuwig ogenblik verspelen in zijn glas.
Hij zal nooit weten (God weet waar wij dwalen!)
Dat ik de dichter van zijn wijnkelk was.

In de trein

Geen naam. Geen woord. Ik weet slechts, dat hij lachte.
Hij lachte, toen hij haastig langs mij ging.
Nu door de dagen en de nachten
Martelt herinnering.

Nachttrein

Een luitenant, maar niet meer dan een knaap.
Wij reisden samen des nachts in de trein.
Wat lot genoot hij lachend in zijn slaap?
Terwijl ik waakte en kromp van pijn.

Ontwaken

Ik wachtte tot hij waakte, en toen, ik schreef
Mijn weinig woorden op, terwijl hij lachte.
Wij scheidden, maar ik zweer: zolang ik leef
Zal ik 't wonder van 't wederzien verwachten

Droefheid

IJdel zijn veel, ijdel zijn weinig woorden.
IJdel is 't Lied, dat ik gelukkig zing.
Voor één ogenblik, dat mij fel bekoorde,
Martelt eeuwig herinnering.

Weemoed

Nooit zult gij weder dezelfde wijn drinken
Als hedenavond. Nooit breekt gij meer open
Dezelfde vruchten. Al uw liefde en hopen
Verzinken

Rome

De Eeuwige Stad. O, Lied, wat is er eeuwing?
Van Rome naar Jeruzalem reisde ik
Langs zeeën diep en bergen bar een sneeuwig:
Ik vond niets eeuwig dan het ogenblik.

Bedeljongens

Zij hebben niets dan hunne klederen
Sierlijk geslagen om hun lijf.
Maar o, hoe zij mijn hart vertederen
Met hun blikken en hun bedrijf.

Rust

Het ruisen van de regen hoor ik niet
Door het ruisen van de Zee.
Ademloos luistert mijn Lied.
Soms ruist de zeewind mee.

Branding

De Zee breekt over de schuimende keien,
De Eeuwigheid luistert naar zijn Lied.
Wanneer mijn Liederen schreien
Luistert de Eeuwigheid niet.

De regenboog

Wie zal in de regenboog scheiden
De regen van de zon?
Zó dacht ik, dat ons beiden
Niets scheiden kon.

Een matroos

Een lichtmatroos: zijn donkre haren,
Zijn ogen bloeien, zijne wangen blozen.
Denk niet aan de duizenden lichtmatrozen,
Dien jong en schoon als deze waren.

Zelfmoord

Toen scheidde ons het Leven.
Thans scheidt ons de Dood.
Gij rust. Ik word gedreven.
Langs wroeging, vreugde en nood.

Een Dienaar

Hij dient mij statig. Moest ik hem niet eerder
dienen, die zó veel schoner is?
Nooit had ik een Dienaar schuwer en teerder,
Nooit voelde ik zó mijn vreugde en mijn gemis.

Mijn Dienaar

Als ik hem rope, zal hij mij gaarne geven
Twee sinaasappelen aan éne tros.
Ik kan izjn ogen donker laten beven,
Zijn wangen gloeien doen van snelle blos.

Onrust

Ik lees gedichten van Gutteling en Perk.
Zij stierven. Als ik sterf, wie zal mij dan nog lezen?
Wat baat alles? Het Lied is menslijk werk,
Thans of later: 't zal eens vergeten wezen.

Havenroeiers

O, kon ik in de Maat van 't Lied,
De maat van mijn twee roeiers vangen.
Maar ach: het leven van mijn zangen
Is het leven van 't Leven niet.

Ontroering

Twee sinaasappels van één tak met blaren.
Ik zie schreiend het wonder aan:
Neen: niet vergeefs zijn zó veel kwade jaren
Over mij heengegaan.

Smart

Dit: dat ik overal heb liefgehad,
En nergens kon vergeten,
Dat ik tot Vreugde neergezeten,
Slechts wroeging had.

Snel geluk

O, pluk de donkre rozen vóór zij dorren.
En kus de lentewind: hij waait snel over.
Geen tweemaal wandelt gij onder 't zelfde lover.
Machtloos als al uw vreugd is al uw morren.

Eeuwige spot

Ik denk aan alles, wat ons heeft bewogen
Van getij tot getij.
De Eeuwigheid glimlacht met zijn spottende ogen.
De Aarde valt voorbij.

Zeewind

Zijn sterke maat, zijn ruisende rijmen
Heeft het zeelied niet minder dan het mensenlied.
Ik luister. Maar de hartsgeheimen
Van de zingende zee versta ik niet.

Laatste Sabbath (Amsterdam)

De laatste dag. Langs uwe grachten,
Mijn schone stad, ga ik aanbiddend voort.
Nooit en nergens vergeet ik uwe prachten.
Maar ik heb de stem van Jeruzalem gehoord.

Jeruzalem

De eerste Sabbath langs uw straten,
Jeruzalem, ga ik verwonderd voort.
Een vreemde? Neen: nooit meer verlaten
Sinds God mijn bede heeft verhoord.

De zee

Is één stad rijker of schoner
Dan de zee eindeloos?
Kent gij milder bewoner
Dan schipper en matroos?

Gedronken wijn

De wijn gedronken, het uur genoten,
Zeg mij wat overblijft.
Tussen verlangen en gemis ligt het besloten,
Al wat het leven drijft.

Zonneschijn

Wij zien naar zee. Wij zien naar zon.
En ziet de zon niet meer dan wij?
Van dat de vroege dag begon,
Lacht zij blijde en vrij.

Begrafenis

In ene smalle kist wordt hij gedragen,
Die niet genoeg voor rijker uitvaart won,
Als men ons rijk uitdraagt zijn dan de vlagen
Ons zoeter van lentewind en van zon?

Donkere nacht

Mijn handen tasten. Niets dan de nacht
En mijn hart, dat hijgt en vreest.
Wat is er vroeger, mild en zacht
Menig stout Feest geweest.

Angst

Mijn handen vol herinneringen.
Mijn hart doodsvol van angst.
Wat zal ik nog spelen en zingen?
De wroeging duurt het langst.

Vloek

Des daags verlang ik naar de avond.
Misschien zal hij koel zijn en teer.
En 's avonds, hijgend en gehavend
Verlang ik naar de morgen weer.

Jemenietisch Lied

Mijn hart kan van uw Lied niet scheiden.
Ons Volk leed door al eeuwen pijn.
Zing het nog eens, voordat tussen ons beiden
Dagen en jaren zijn.

Een Lied

Zal ik ooit in mijn zangen vinden
De zoete weelden van het droeve Jemenietisch Lied?
Wat Joodse harten kan verbinden,
Die haten weten 't niet.

Nieuwe liederen

Zo vaak denk ik: "Dit is het laatste Lied,
Nu zal die weelde mij voor goed verlaten.
En altijd weder vind ik nieuwe en rijke maten
Voor vreugde en voor verdriet.

Angst

Hij zong vandaag. Tot in mijn diepste dromen
Vervolgt mijn hart de schoonheid van zijn zangen.
Waarom is hij langs mijn wegen gekomen?
Draag ik niet reeds genoeg verlangen

Zijn Lied

Hij zong. En zalig is mij 't zoeken
Van zijn Lied tussen waak en slaap.
Wat men niet vindt in zoveel boeken,
Men vindt het in 't Lied van een Jemenietenknaap.

Zijn Lied

Was ik geen dichter, ik was het geworden
Luisterend naar zijn Jemenietisch Lied.
Zij dreven ons door eeuwen heen, de horden,
Maar de kracht van ons Volk braken zij niet.

Angst

Als ik de zon was, kon ik vreedzaam zijn
Met zijn mond, zijn ogen, zijn haren.
Nu blijf ik ver, met doffe pijn,
Sidderend voor gevaren.

Huivering

Als ik mijn donkere gedachten
Niet kon verbergen achter woord en lacht,
Hoe zoudt gij weten van mijn wilde nachten,
Van mijn gedreven dag.

Jeruzalem

Ook hier ben ik de diep-gekwelde mens.
Mij martelt het raadsel en zijn onthulling.
Wat baat mijn mateloos hart de vervulling?
Altijd, altijd, drijft mij een stouter wens.

In rust

Maar lees de woorden van mijn liedren niet.
Lees het onleesbare achter woorden.
Dan zult gij weten, wat mij wreed bekoorde,
Wat mij verlokte en toen verliet.

Specerijen-bazar

Dromend gaan door de specerijenstraatjes.
De huisjes zijn van zoete geur doorstoofd.
Het wolkt uit dozen, balen, kast en laadjes,
Ene bedwelming om mijn zalig hoofd

De schooiers

Laat mij de schalke schooiers. Houdt uw rijken,
Die dom en doelloos door de straten gaan.
Wanneer hun Dagen voor de Dood bezwijken,
Wie ziet hun dan nog al hun schatten aan?

Gaarkeukenstraatje

O, dit is zeker een der beste straatjes,
Waarin de genieter zijn dag verslijt.
De kok stooft en zijn lieve luie maatjes
Bedienen u van alle heerlijkheid.

De Bazar

Hier is koop en verkoop gewijde kunst.
De verkopers zitten stil of zij dromen.
Zij vragen niet luid aller lieden gunst.
Zij wachten tot de kopers komen.

Moede herfst

Ik ben zo moede. Ik denk aan hen, die waren
Met mij knapen in ene blijde klas.
Weer daalt een jaar. De bruine en gele blaren
Dwarrelen in het gras.

Droefheid

Ik ween. Maar niet on mijn verloren jeugd.
Maar omdat zij, die met mij knapen waren,
Als ik verloren hun onschuld en hun deugd,
En als ik zwerven door de lege jaren.

Jaffapoort

Mijn zingend Hart: wat is er mooier
Dan de Poort van Jeruzalem.
Waar in de zon een schalke schooier
Een liedje zingt met een verloren stem.

Ezeltje

Ezeltje op uwe sterke hertepootjes,
Wat gaat gij driftig door de smalle straat.
Gij struikelt niet over stenen en gootjes.
Een trouw en sober kameraad.

Schijn en wezen

De Maan in gloed. Vanwaar vangt hij zijn licht?
Van de zon. Vanwaar de zon het zijne?
't Is alles schijn, waarmee zij allen schijnen,
Hun wezen is de glans van Gods gezicht.

De rivier

De Maan in 't water, de Maan aan de lucht.
Wat is hier wezen? Wat is schijn?
Vraag niet. Geniet uw avondlijk genucht.
Laat licht en lied u zalig zijn.

Troost

Want óf het Leven óf de Dood
Bevrijdt ons van alle bezwaren.
Kommer u niet om mijn gevaren
En schone nood.

Ochtend

Het water speelt met de wind.
De zon komt lachend toegelopen.
Machtloos zingend hart: weer begint
Een dag van hooploos hopen.

Het oude lied

Een lieve jongen en en een héél lief meisje...
Ik leg mijn hand op mijn hart zwaar van pijn.
't Is altijd weer dat oude, nieuwe, wijsje.
Misschien zal 't leven hun genadig zijn.

De wind

De wind waait zijn eeuwig gedruis
Van de Olijfberg om ons huis.
De wind van Londen, Rome, Napels en de Zee.
De wind van mijn dodenstee.

Bij de bron

En heel dit landschap is toneel.
't Mild leven is hier éën gespeel.
De Dood waakt, een almachtig regisseur,
Over elke schaduw en elke kleur.

Onrust

Vind ik te Jeruzalem rust en vrede,
Die mij rustloos te Amsterdam nooit geviel?
O, vrager dwaas, niet in deze of andre stede
Is rust of onrust, maar slechts in uw ziel.

Ontwaken

Hij lachte en bracht als elke middag mild in schroom,
Twee sinaasappels en de koffie sterk gezet.
Ik dronk en waakte. Niet Napels, een sluwe droom.
Jeruzalem: tijd voor 't ochtendgebed.

Brandzon

De zon. De zon. Wat zoude ik geven
Om eens door Hollandse wind te gaan.
Maar mijn lot lag besloten in mijn leven.
En ik leed ook, had ik anders gedaan.

Troost

Troost u, want was ik in Holland gebleven,
't Verlangen naar dit Land liet mij geen rust.
In onrust geboren, word ik gedreven
Tot waar de Dood mij kust.

Berusting

Wie te Jeruzalem sterft, vindt zijn stede
Waar de Olijfberg diep helt naar 't lage dal.
Wat zal ik dan nog zwerven in onvrede?
Gods aarde wacht ons overal.

Heimwee

En is mijn verlangen tot rust gekomen
Naar Jeruzalem, nu laat mij geen rust
Verlangen naar Holland, zijn diepe stromen,
Zijn woud en weide, duin en kust.

Tijd-Eeuwigheid

Geen dag, die duurt. Maar zoude ik de onduur weten
Van iedere dag zonder de Eeuwigheid?
Waaraan zal ik tijdloze Eeuwigheid meten
Dan aan de eeuwge onduur van de Tijd?

Adil Effendi

O, zal de Nacht ook voor hem leeg en heet zijn,
Die naast mij rijdt, Adil, een stoute knaap?
Zal 't leven hem vol lust en onlust wreed zijn,
Eén marteling waken en slaap?

Berusting

O, laten wij berusten in de Tijd.
En niet meer worstelen met de Eeuwigheid.
Geniet uw avondvrede, kameraad.
Is de dag dan niet schoon, omdat de dag vergaat?

Kwatrijnen

Die na mij komen, lezen mijn kwatrijnen.
Zij zullen sidderen, als zij verstaan,
Met welk een marteling van hartepijnen
Ik zingend door het Leven ben gegaan.

Doodsangst

Ik weet zeker, dat Gij zult overwinnen,
Eeuwigheid: met uw slechte knecht, de Dood.
Maar met mijn ziel en mijne felle zinnen
Zal 'k u bestrijden tot mijn laatste nood.

Ogenblik-Eeuwigheid

Kon 'k één ogenblik hen getweeën scheiden:
Ogenblik en Eeuwigheid,
Of één ogenblik hen verenen beiden,
Ik rustte van mijn strijd.

Twee Arabieren

Eén heeft een kaftan donkerblauw verschoten.
En de ander ene kaftan zwaar en paars.
Zij spreken als twee vertrouwde genoten.
Leven is toch wel iets héél wonderbaars.

Onzeker

Droom ik van Jeruzalem te Amsterdam?
Of leef ik wakker te Jeruzalem?
Ik vraag. Maar als er antwoord kwam,
Ik zou weer vragen: "Is dit Droom of Stem?"

Strijd

Het ogenblik is 't ogenblik der Eeuwigheid.
De Eeuwigheid is de eeuwigheid van het ogenblik.
Van de ochtend tot de avond voer ik
Tegen heb beiden machteloze strijd.

Geleiding

Ik ben (wat zochten mijn geheime zinnen?) Doelloos verdwalend langs wegen gegaan.
Buiten de stad... een tuin... een huis, daarbinnen
Zag ik een knaap peinzend voor zijn bed staan.

Droom

Vannacht... ik droomde. (Of waakte ik? Was het dag
En droom ik thans het lied, dat ik schrijf?)
Ik zag, hoe schoon Amsterdam westwaarts lag
Aan water wijd en vol bedrijf.

Onrust

't Is alles onrust en brekende bloei.
De rode rozen en de rijpe vijgen.
Zeg honderd jaar... nog honderd... weder hijgen
Dan nieuwe harten in een nieuwe groei.

Droefheid

Gisteren was het mijn verlangen,
Wat heden genot is.
Morgen bewenen mijn machtloze zangen
Machtloos gemis.

Jonge herders

Zij weten niets, mijn Arabische knapen,
Van al wat mijn hijgend hart verontrust.
Zij sterven zalig, als zij zijn geschapen,
In ongebondenheid en hartelust

Mijmering

De fel-rijpende granaatappels hangen
In schaduw van 't geblaarte zonnig-teer.
Ik mijmer en in de maat van mijn zangen
Proeft gij daarin de rijpe vruchten weer?

Herders

In ongebondenheid zijn zij ontvangen.
In ongebondenheid wekken zij weer.
Mij martelt staag het gebonden verlangen.
Wat baat mij de zede en wat baat mij de eer?

Een Knaap

Al uw verlangen was eens mijn verlangen.
En al uw rijk genot was mijn genot.
In de zachte mijmering van mijn zangen
Weent ook uw Lot.

Rustloos Lied

God; waarom zendt Ge mijn rustloze zangen,
Die mij storen diep in onze gebeden?
Ontbindt mij van al mijn verlangen,
En geef uw vrede.

Jeruzalem

In Amsterdam was het mijn heilge Stad.
Hier is het een stad vol geheime straten.
Een driftig volk van verleidlijke Maten.
'k Heb steeds schoonheid meer dan heiligheid liefgehad.

Schoonheid

Hoe vaal zou vreugd zijn zonder Lied.
En leed ondraaglijk zonder zang.
Schoonheid, mijn Vriend, verlaat mij niet.
Het bitter leven lang.

Klacht

Niets dwazer dan klagen om een Dode.
Niets dwazer dan om levenden één klacht.
Voor korte tijd zijn wij genoden,
Dan wordt het nacht.

Schoonheid

Ik kan niet leven zonder schoonheid.
Ik kan niet leven zonder lied.
Al uw weelde, al uw rustige gewoonheid,
Zijn meer dan mijn onrustge schoonheid niet.

Adil

Gij kunt niet zonder onrust bloeien,
Stoute Knaap, die tot een stoute Man rijpt,
Van onrust tot onrust, zó zult gij groeien,
Tot rust des Doods uw onrust grijpt.

Wanhoop

Want in de wijn proeft elke Man zijn verleden.
Ik proef in elke wijn slechts bitterheid.
Ik heb vergeefs gedwaald, vergeefs geleden.
Zwaarder dan te Amsterdam is hier mijn strijd.

De taal

Het meest verlang ik weer de taal te horen,
De taal van Holland, altijd om mij heen.
Hier leef ik, half verheugd en half verloren.
De taal van mijne liedren spreekt niet één.

Heimwee

Kon ik vanavond dwalen langs een vaart,
Een Hollandse vaart onder Hollands luchten,
Waal kalme tjalken varen breed-bedaard,
En vogels strijken hunne laatste vluchten.

Avond

Wanneer het niet meer dag en nog geen nacht is,
Voordat de sterren aan de hemel staan,
Wanneer de wind zó wonderzoet en zacht is,
Laat ik mijne dromen naar Holland gaan.

Herdenken

Wat is de Zaan een mooie, brede stroom.
Ik ben een jongen te Zaandam geweest.
Jeruzalem zó teder als een droom,
Herdenk ik hier mijn jeugd en elk Joods Feest.

Holland

Moest ik Holland, onrustig, eerst verlaten
Om te weten, hoe rijk en schoon het is?
Onrustig hier, herdenk ik in de maten
Van mijn lied mijn machtloos gemis.

Adil

Gij wilt uw jeugd voor mijne jaren geven?
Ik geef gaarne mijn jaren voor uw jeugd.
Gij wordt door uw stout verlangen gedreven.
Terwijl mij niets dan machtloos missen heugt.

Dwaasheid

O, dwaze Knaap, die om de Grijsaard lacht.
Dwaze grijsaard, die de Knaap jeugd benijdt.
Of niet des grijsaards lot de jongen wacht,
De grijsaard niet jong, was te zijner tijd.

Chassidische dansen

Hij danst als David zijne vrome dansen
Op de muziek van de zingende knapen.
De dag verbrandt. Zijn donkere ogen glanzen,
Mij bonst het bloed langs hart en slapen.

Vrome dans

Hoor: de Knapen zingen sneller.
En de vrome Man danst snel.
Zijn dans drijft de Knapen feller,
In een heilig wisselspel.

Wanhopige droom

Op school was ik altijd samen met hem.
Nu ben ik naar Jeruzalem gegaan.
Ik droom... zijn lach... zijn vraag, zijn lieve stem,
Wat hebben mij vijf en twintig jaren gedaan?

Raadsel

Dat wij, door 't Leven tot de Dood gedreven,
Toch elke dag het leven weer beginnen.
Dat wij, vermoeid van ziel, machtloos van zinnen,
Niet durven sterven en niet durven leven.

Haïm (= Leven)

Ik vraag zijn naam. Haïm. "Zo moogt gij leven,
Dat gij de Stad en het Land hersteld ziet."
Hij lacht. Wat kan ik voor zijn lach meer geven
Dan 't weemoedig glimlachen van mijn Lied?

Ontroering

Is 't geen ontroering: één van vijftien jaren,
Zó schoon, die Haïm, dat is Leven, heet.
Hij weet niet wat door mijn hart komt gevaren,
Dat niet meer vreest, en niet meer vergeet.

Doodsangst

Uw naam is Haïm. Ach, gij zult toch sterven.
Zó sterft mijn Lied, het Lied van uwe Naam.
Wat baat het rusten en wat baat het zwerven?
Eén is onze Dood, gescheiden of saam.

Voorbij

Ik zag hem eens in de driftig Stad,
Waar 't Leven drijft zijn lust en zijn gevaren.
Nu weent mijn Lied, of ik hem haren
Wreed heb gekend en liefgehad.

Ontmoeting

Ik vraag zijn jaren. Hij lacht schuw en teder.
Hij bloost. Dan zegt hij "vijftien jaar."
In zijn blikken beleef ik weder
Mijn jeugd en mijn gevaar.

Kwatrijnen

Uit welke diepten breken mijn Kwatrijnen,
Gelijk de bron breekt naar de klare dag?
Met al mijne zonden, met al mijn pijnen
Troost het kleine Lied met zijn lach.

Een kleine Haïm

Is 't geen levensliefde: de naam te geven
Van Haïm, Leven aan een kleine Knaap?
Zijn Moeder heeft hem haar melk gegeven
En God van Zijn godlijke slaap.

Slapende knaap

Gij zijt geen wijsgeer en gij zijt geen dichter.
Gij zijt een kleine Jemenieten-knaap.
Maar wiens voeten gaan over de aarde lichter?
Wie geeft God een geruster slaap?

Wreed wederzien

Ik zie hem weer. Nooit is één weerzien teder
Als het verrukt ontmoeten, de eerste maal.
Hij slaat zijn ogen niet meer neder.
Hij spreekt een doordringende taal.

Onrust

Onrust: wat zoude ik graag mijn gebed zeggen
Te Amsterdam in de Grote Synagoge.
En gij: hoe gaarne zoudt ge uw hoofd neerleggen
Tegen de Klaagmuur in gebed gebogen.

Een fluiten

Een fluit: hij floot een wijde wereld open.
Mijn jeugd... Amsterdam aan het zonnig IJ.
De kalme tjalken... stomers, die fel lopen.
Mijn boot... Jeruzalem... het is voorbij.

Teerder dan liederen

Geen menslijk woord is zó teder en stil,
Als buiten Jeruzalem de avondlucht.
Wanneer mijn lied die schoonheid zingen wil,
Vergaat het in een zachte zucht.

Avond

Het menslijk woord is zwaarder dan
De bloei van de blauwe avondlucht.
Dus: dat ik niet bewaren kan
In 't lied wat door de avond zucht.

Dwaze trouw

Ik ken een Dichter te Jeruzalem,
Een Arabier, die zijne Vriend verloor
Voor veertig jaar en veertig jaren door
Op de doodsdag gedenkt een treurlied hem.

Hassan

Alleen een witte broek en een blauw truitje.
's Avonds vouwt hij zijn blote pootjes saam
Onder zijn sierlijk lijfje en op zijn fluitje
Speelt hij van zaligheid zonder naam.

Slapende Knaap

Op 't zonnig muurtje bij de Jaffapoort
Legt hij, de stoute Knaap, zich slapend neer.
Het leven drijft zijn dwaze driften voort.
Hij glimlacht in een droom zo teer.

Wijsheid

Is niet wijzer de Knaap, die dromend rust,
Waar de zon zalig schijnt over de Muur,
Dan hij, die drijft van lust tot lust
In één verlangen zonder duur?

Onrust

Rusten in 't Leven kan ik niet.
Rusten in de Dood wil ik niet.
Mijn angst en wroeging ban ik niet.
Mijn doffe klagen stil ik niet.

Twijfel

Wat wacht ik in dit avonduur,
De Stad beslopen door de slaap,
Gezeten bij de Tempelmuur;
God of de Marokkaanse Knaap?

Klaagmuur

Ook hier ben ik de zinnelijke Dichter,
Genietend door zo menig Land gegaan.
De lach van de Marokkaan valt mij lichter
Dan 't wenen van wie met mij bidden staan.

Backschisch

Hij loopt zo lief op zijne blote pootjes.
Of zijn woorden op blote pootjes gaan
Zó lief vraagt hij backschisch. En zijn genootjes,
Die backschisch vragen, komen om ons staan.

Weifeling

Waarom ga ik op 't avonduur,
Het teder avonduur, naar de Heilige Muur?
Omdat mijn hart tot God zijn smarten klaagt?
Of omdat Hassan daar mij vleit en vraagt?

Troost

Jeruzalem: laten ook hier de mensen
Maar mensen zijn, met al wat menslijk is,
Hun kleine daden, al hun enge wensen,
Toch voel ik hier minder mijn zeer gemis.

Verlangen

Mijn onrust drijft mij. Wat zoude ik weer gaarne
Knaap zijn in het lage land langs de Zaan.
Of weer in Haarlem, waar boven het Spaarne
Nu zeker schoner sterren staan.

Droefheid

Die 's avonds langs de Jaffa-straatweg loopt,
Met een anjelier, die naar kaneel geurt,
Die geen verlies telt en geen winst meer hoopt,
Hij weent en weet niet, wat met hem gebeurt.

Aan alle Vrienden

O, schrijf mij dikwijls uit Holland een brief.
Gij zijt zo ver en ik ben zó alleen.
Meer dan ik dacht heb ik u allen lief.
Meer dan gij weet is het, dat ik hier ween.

Aan een jonge Dichter

O, groet de Hollaandse zomer van mij.
Ik zend u de straffe groet van mijn zomer.
Dank voor uw brief, verrukkelijke Dromer.
Mijn Droom van Jeruzalem is voorbij.

Iets teders

Er is toch wel iets teders in het leven:
Een jongen heeft mij postzegels gevraagd.
En ik heb hem een volle brief geschreven
Terwijl het schemert en een vogel klaagt.

Twijfel

Schrijf mij niet over Holland en de Mei
Hoe mooi en mild die alle dagen is...
Neen: schrijf mij wel. Mijn onrust is voorbij.
Rustig weet ik mijn werk en mijn gemis.

Angst

Schaduw en lantarenlicht zijn doorgeurd.
De huizen geuren van de kleine straat.
Ik huiver, wijl er toch niet meer gebeurt
Dan dat de Eeuwigheid door het Specerijenstraatje gaat.

Kamelen

Zij stappen statig door de smalle straat.
Zij breken niets in de Bazar vol winkels.
Zij hebben elk een kleine kameraad,
Die voert hen trots tussen kijkende kinkels.

Verloren jeugd

Kon ik op wieken van de wind
Als vogel vliegen naar de sterren.
Dat kan alleen een schuldloos kind.
En mijn jeugd is verre.

Eeuwig Ogenblik

Hemel. Wind. De sterren. Adil en Ik.
De Eeuwigheid heeft eeuwig voor mij bewaard
In zijn eeuwig verband dit Ogenblik.
Maar 't valt uiteen in eeuwge vaart.

Ochtendrood

De Dag is voor het Leven.
De Nacht is voor de Dood.
O, wonderteder beven
Vandaag van 't ochtendrood.

De Dood

Ik heb hem zó gehaat. En ziet: zó teder
Komt hij tot mij in mijne milde slaap.
Hij buigt zich over mijne stede henen,
Een glimlachende Knaap.

Hongerend kind

Een jongen schreit zó smartelijk en zuiver.
Hij kent honger en niet één andre smart.
Ik luister met hartstochtelijke huiver.
Wat is het leeg in mijn moe hart.

Klacht

Gij klaagt: "Alles ontneemt mij de Eeuwigheid."
Ook meer dan de Eeuwigheid u heeft gegeven?
Gevangen klaagt ge in de ban van de Tijd.
Klaag niet. Zelf uw klacht kan buiten de tijd niet leven.

Heimwee

Ach: alles wat ik nog verlang,
Is moe van drift en moe van drang,
Moede van winst en moe van derven
In Holland leven in Holland sterven.

Dwalen

Doelloos verdwalen, waar het maandal straalt,
En waar de vijgen van Katamon rijpen,
De dauw over de rozen drenkt en dan begrijpen
Dat nooit een mens doelloos verdwaalt.

Einde

Genoeg, dat ik een Dichter was.
Laat nu mijn jongren dichters zijn.
Ik luister gaarne. Mijne jeugd ging ras
En ieder lied eindigt in pijn.

Nieuwe Liederen

O, dacht ik, dat het Lied mij had verlaten,
God schenkt de Dichter macht op zijne Tijd.
De rijke rijmen en de losse maten
Brengen mij deze Nacht weer heerlijkheid.

Bedouïenen

Daar staan zij naakt in hunne bruine broosheid.
Van het hoofd tot de voeten rank gebouwd.
Zij weten niet van schaamte en schaamteloosheid,
Terwijl mijn Lied hen vals beschouwt.

Wanhoop

Jeruzalem: moet ik u dan verlaten,
Gij, die de pracht waart van het Joodse Lied.
Ik dwaalde doelloos door uw dorre straten
En vond uw vroomheid niet.

Arabische knapen

Zij koelen in de zee hun hete leden.
En branden zich in 't zonnig zand weer heet.
En de Dag is in de Eeuwigheid vergleden
Eer één van Dag en Eeuwigheid weet.

Inzicht

Mijn jeugd, mijn blijde jaren, mijn worstlende jaren,
't Ligt alles heden open als één Dag.
Langs hoeveel nood ben ik gevaren,
Voor ik mijzelve als een ander zag.

Jeugdlied

Geef mij nog eens het lied der eerst jaren.
Mijn jongenslied, mijn zwak, maar zuiver lied.
Niet wreed, niet wroegend, niet vol van gevaren.
Maar zalig-zingend, anders niet.

Vriendschap

Ik zeide: "Ik telde de uren tot de avond."
Hij zeide: "Ik heb de minuten geteld."
O, hart van vreugde en van wroeging gehavend.
En telkens toch door nieuwe vreugd gekweld.

Geluk

Wanneer wij rijden door de nachtlandschappen,
Rondom de Heige Stad Jeruzalem,
Als onze paarden door de nachtdauw stappen,
Wat hoor ik dan in zijne blijde stem?

Vergeefs Gebed

De volle Maan en de drie sterren stralen,
Wij spreken bij de Muur 't Avondgebed.
Straks zal ik met Adil Effendi dwalen,
Waar gene vroomheid mijn ziel redt.

Nachtrit

In maneschaduw zijn wij weggereden.
Wij keren in 't schaduwloos zonnelicht.
Eén nacht. Hoe zwak vallen alle gebeden.
Hoe gaarne ben ik voor mijn lot gezwicht.

Nachtrit

Ik vroeg Adil, waaraan hij rijdend dacht.
Hij zeide: "Aan Allah" in een eenvoud groot.
God voert ons heden veilig door de nacht,
En morgen veilig naar de Dood.

Weemoed

Ach: al die twijfel. Al dat zeker weten.
Die wroeging door de dagen en de nacht.
Kon ik de twijfel en zekerheid vergeten.
Een Arabier zijn, die eet, drinkt en lacht.

Doodsangst

Laat ik u kussen en u nogmaal kussen.
Geeft u liefde voor mijne liefde weder,
Wat baat het ons: eens zal de doodwind blussen
Uw vlam en mijne vlam, en wij zinken neder.

Onrust

Adil is moede en hij legt zich te slapen.
Ik ben moe, die rustloos niet slapen kan.
Hij is te El-Kuds de stoutste van de Knapen.
Ik ben een angstig-rustloos man.

Arabisch paard

Was ik gekomen langs al wegen wijde,
Verliet ik meer dan ik in Holland liet
Om éne dag dit trotse paard te rijden,
Ik klaagde niet.

Adil rijdt uit

Denkt gij dat des Dichters liederen treden
trotser met hunne rijmen en hun maat,
Dan dit Arabisch paard, stout van leden,
Met zijn ruiter door 't zontij gaat?

Doodsangst

Mijn hart rust niet. Hoe zal mijn lied dan rusten?
Benijdt mij niet, gij, die mijn liederen leest.
Wat bleef over van luide en stille lusten?
Een leven, dat leven en sterven vreest.

Adil

Hij sliep in de bonte weelde van bloemen.
Wat stoorde zijne droom? Een vreemde geur?
Of de donkere bijen, die zwaar zoemen?
Of boze herinneringen van een kleur.

Buiten

Het water lacht, als het de zon begroet.
Het water schatert, dat van de rots breekt.
Hier is het leven klein, maar het is goed,
Terwijl Adil Arabisch met mij spreekt.

Donkere ogen

Uw ogen zonder de zon zijn uw ogen.
Maar wat is zonder uw ogen de zon?
Wij rijden door de woudlaan windbewogen,
Waar het diepe water breekt uit de bron.

Vriendschap

Ik heb u lief als mijn mond de granaten.
Ik heb u lief, gelijk mijn Lied zijn maten
En de ruising van zijn rijmen bemint.
Ik heb u lief als de roos zon en wind.

Rijkdom

Want meer bemint mijn mond nu de granaten,
Sinds wij te samen aten één granaat.
En meer de donkre koffie, sinds wij zaten
Samen waar de Maan langs Katamon gaat.

Toeval en Wonder

Wat is 't verschil tussen Toeval en Wonder?
Ik kwam de Poort uit met mijn lot bezwaard.
De Sabbath eindigt en de zon gaat onder.
Daar draaft Fachmie voorbij trots op zijn paard.

Wanhoop

Waar is het lieve, waar is het lichte,
Dat nooit verdriet en nooit verlaat?
Goed: wij gaan weder een gebed verrichten,
Maar ik haat God met een volkomen haat.

Morgenrit

Dat ik God heden haat, het is Zijn Wil.
Dat ik Hem liefheb is Zijn Genade.
In de morgenmist geurt het land zó stil.
De paarden gaan peinzend hun smalle paden.

Hete dag

Heden vind ik Jeruzalem vervelend.
Al mijn vreugde en mijn spanning zijn voorbij.
Vaal stuift het Land. Het gras broeit grauw en gelend.
De dofheid van een moede Mei.

Jemenieten-dans

Die danst: een lange, zwarte wrede jongen.
De Duivel? Maar wie durft hem dat te vragen.
De wereld spot in zijn bonte sprongen.
Vrouwen gillen. Koperen bekkenslagen.

Herman Robbers

Hij noemde mij "de diepzinnige dichter."
Is mijn Lied dieper dan een glas met wijn?
Gaan de voeten van mijne verzen lichter
Dan de voeten van Nazief zonder pijn?

Bede

Ach: laat mijn lied niet dieper zijn
Dan 't glas Rischon-le-Zion wijn.
Ik weet het wel: de wijn en 't lied
Weren het donker doodslot niet.

Wijsheid

Ach: wat men niet leert uit de wijn,
Dat leert men ook niet uit het Boek.
Een leven met minst mooglijk pijn,
Een stille Dood is wat ik zoek.

Begrepen

Er is geen ondeugd, die 'k niet heb voldreven.
Er is geen deugd, die 'k niet wanhopig veins.
Wat is het einde van het bonte leven?
Doods vale grijns.

Ik-zelf

Een hevig hater.
Een minnaar mild.
Die nu of later
De Dood toch stilt.

Aan alle Dichters

Uw litteratuur is litteratuur.
Waar is uw Lied, dat beeft van hartebloed?
Het goud wordt gelouterd in louter vuur.
En het Lied in Gods grote gloed.

De druiventros

't Wrede van ogenblik en eeuwigheid.
Proef ik in de druiven van onze tros.
Adil: hij breekt lachend de zijne los,
En proeft niet anders dan hun heerlijkheid.

Kol Nidre

Avond: ik keer van de vroomste gebeden.
Daar fluit Machmoed, de stalknaap, diep en zacht.
Het bloed beeft schaamteloos door mijne leden.
meer dan immer vrees ik de Grote Nacht.

Troost

Wees niet angstig voor wat wij saam voldreven.
God en wij beiden weten het alleen.
En Hij vergeeft, wat geen mensen vergeven.
En vaagt als wolken al uw zonden heen.

Nagib danst

Hij danst zijn sierlijke Syrische dansen.
Zijn voeten vinden maat en rijke rijm.
Zijn mond lacht zalig open. De ogen glansen.
Geeft hij ons of verbergt hij zijn geheim?

Droom

Vannacht droomde ik rijkelijk van Parijs.
Een zee van huizen, heemlen hoog, de Seine:
De Nerval, Baudelaire, Paul Verlaine.
Ik waakte. Hier. Mijn kamer wreed en grijs.

Ziek

Adils rode rozen geuren.
Ik lees, wat ik vroeger schreef.
De dag vergaat. Wat zal ik treuren?
Ik ging, waar het leven mij dreef.

Machtloos woord

Geen woord zo fris als ochtenddauw.
Geen woord zo heet als zomerzon.
Ik wilde, dat ik zeggen kon,
Wat ik gevoel aan liefde en trouw.

Vergeefs

Die door verlangen en herinnering
Ontrust, om rust naar 't zeestrand ging,
Hij zag de knapen baden naakt en teer,
Hij zuchtte en hij vond al zijn onrust weer.

Leegte

Ik ken de proef van zoveel zachte monden.
Ik ken het zoete en het bedroevend lied.
En dit is 't eind van wat ik heb gevonden:
Een leegte, die zich nooit verzadigd ziet.

Een naam

In uwe naam is al uw muziek gevangen.
Ik zeg uw naam, die muziek zingt zich weer.
Al mijn onrust, al mijn tuchtloos verlangen
Wordt, als ik uw naam zeg, rustig en teer.

Vrede

Was ik geen Dichter, ik was het geworden,
Door het horen van uwe schone naam.
Alles wordt stil, wat machtloos in mij morde.
Dit is mijn land en hier rijden wij saam.

Angst

De storm staat op. Het angstig duister
Siddert geslagen door de wind.
Mijn hart slaat groot. Ik wacht. Ik luister.
Van God ontzind.

Een klein kwatrijn

Avond. Vroeger heb ik in trots geschreven,
Liederen machtig van vreugde en pijn.
Mijn dag berust. En mijn gelaten leven
Is niet groter dan dit siddrend kwatrijn.

Ook vergeefs

Bij wijn en wellust heb ik mij gelegd.
Bij wijn en wellust is de nacht vergaan.
's Morgens ben ik wreed opgestaan.
"Is dit alles?" heb ik gezegd.

Verlaten

Niet één heeft zó goed het goede geweten.
Niet één heeft zó slecht het slechte gedaan.
En nu: verlaten voor mijn vuur gezeten,
Zie ik mij-zelve aan.

Hebron-Berseba

Er vliegt een vlucht van kleine kwartels.
Een arend vaart gestadig door de lucht.
Mijn hart bezint op iets liefs en dartels.
Maar voor ik goed weet is 't ontvlucht.

Machtloos

Ik lees mijn liederen. Ik voel het leven.
Straks leest een Knaap mijn lied en ik ben dood.
Dan sterft ook hij. Geslachten gaan gedreven.
En wat hen drijft, weet geen in drift en nood.

Gelaten

De kleine woorden van de dag zijn weer gesproken.
De kleine dingen van de dag zijn weer gedaan.
't Geluk, dat ik verwachtte, is niet ontloken.
Ik kan gelaten slapen gaan.

Droefheid

Als ik niet slapen kan, wie brengt tot slaap
De slag van mijn geslagen hart.
Ik ben zó moede... ik was een knaap.
Het is alles niets. Dood en zwart.

Getemd verlangen

Laat mij niet meer dan de lach van dit kind.
Niets meer dan het zacht ruisen van de wind.
Een weinig wijn en de schijn van de zon.
En de rozentuinen van Katamon.

Mijn lied

Ik ben geen groot, ik ben niet een wijs Dichter,
Mijn lied zing enkel zinnelijk en teer.
De voeten van mijn vers gaan licht en lichter,
Wijsheid... grootheid... maar is muziek niet meer?

Granaten

In de granaten proef ik 't Eeuwig Woord.
Proeft gij in mijn woord de felle granaten?
De tuin van Katamon: ik ben verlaten.
God is wreed. Hij heeft niet verhoord.

Het nieuwe leven

Zijn Vader reed paard, toen hij werd geboren.
Hij rijdt en raast in een automobiel.
Jeruzalem valt in een vaart verloren.
Waar blijft de schoonheid van zijn vrome ziel?

Kwatrijnen

Vraag van mijn lied geen wijsheid en geen grootheid.
Dit zijn vier regels en meer heb ik niet.
Maar tot de wanhoop van mijn wrede doodstrijd,
Laat mij het lied, het lyrisch lied.

Zatheid

Toen elke zonde tot het eind vervuld was,
Toen er geen teer geheim te schennen bleef,
Toen elke schaamte schaamteloos onthuld was,
Dacht ik: "Is dit alles, wat ik beleef."

Droefheid

Het is de moeite niet waard te weerstaan.
En 't genieten is niet de moeite waard.
Nog weinig jaren en wij zullen gaan
Naar 't donker dal met onze vloek bezwaard.

Voorbeschikking

God zegt: "Ik zal, die Ik verblijd, verblijden."
Is er dan gene zonde en gene deugd?
Dan kan ik ook wel eens met Omar en Fachmie rijden
De wegen van verboden Vreugd.

Alles één

God, die de Meester is van Zijn geboden,
Is ook de Meester der verboden Lust.
Vandaag deel ik de wijn met mijn genoden.
Morgen vier ik de vrome Sabbathrust.

Alles van God

De mensen hebben lust en leed gescheiden.
Maar God houdt hen als dag en nacht te saam.
Ik ken de lust. Ik ken het hevig lijden.
Ik loof Gods éne Naam.

Aan de lateren

Wat ik geschreven heb, dat blijft geschreven.
Wat ik misdreven heb, dat is gedaan.
Ik sterf getroost. Maar zij, die later leven,
Zullen mijn lied, mijn leed en mijn hartstocht verstaan.

Gods gaven

Mijn vroomste liederen heb ik geschreven,
Wanneer ik opstond van het zondig bed.
God heeft mij een schat van zonden gegeven,
En God alleen heeft mij van mijn zonden gered.

Laat mij alleen

Denk niet: "wat is hij arm, wat is hij eenzaam."
Alleen de zwakke is arm in eenzaamheid.
Mij is 't Lied van zoveel dichters gemeenzaam.
En 't eigen lied troost de Dichter, die lijdt.

Hassan

Zijn moedertje ontdoet hem van zijne klederen.
Het water rimpelt van het kleine bad.
Mijn hart siddert in één geschuwd vertederen.
Is Jeruzalem niet Gods Heilge Stad?

Het waardloos lied

Ik weet het wel: de wereld breekt in rampen.
Ik schaam mij voor de kleine schoonheid van mijn lied.
Wreed wonder, waar de volken bloedend kampen,
Zingt mijne ziel getroost van 't wonder, dat gij ziet.

Klaagmuur

Niet meer dan stuivend stof zijn deze stenen,
Op de ijzige windvaart van de Tijd.
Wat baat het of harten hier wenen?
IJdelheid. IJdelheid.

Wanhoop

Zegt niet: "mijn leven is mislukt."
Neen: het Leven is ene mislukking van God.
De hand, die heden bloemen plukt,
Krampt morgen in zijn laatste lot.

Laat mij

Want alles kan men overwinnen,
Maar niet zichzelve en de Dood.
Laat mij de weelde van mijn zieke zinnen
En al mijn nood.

Fouad spreekt

Er zijn dieven, die grote woorden spreken.
En de paarden vervoeren uit hun stal.
Zij kunnen met hun woorden deuren breken.
Heer: ik vrees. De dieven zijn overal.

Bazar

De donkere Bazar met zijne straten.
En ieder winkeltje ene warme nis.
Daar zitten de kooplieden zó gelaten
Of handel wijsheid is.

Klein leven

Zij drinken kleine koffie-kopjes.
De kleine koffie-knaapjes gaan
Sierlijk gekleed op rode slofjes,
En brengen af en aan.

De gidsen

Jozef en Benjamin: twee stoute rakkers,
Rijden met ons op mooie paarden mee,
Door de Bazar en langs de pottenbakkers,
Door gerstvelden naar de zonnige zee.

Gaza

Zo zal ons dit van Gaza blijven:
Het huisje, waar men zeven vlecht,
Waar pottenbakkers hun wiel drijven.
En de twee jongens lief en slecht.

Afscheid

Wij rijden hier. Zij wuiven ginder,
De twee knapen, Jozef en Benjamin.
Heeft men een stad niet dikwijls lief voor minder
Dan voor twee jongens stout van zin?

Nacht

De tastende ontucht van uw teedre handen.
Het duister... geur van rozen en van wijn.
Morgen zal wroeging weder wreder branden.
Maar heden: laat ons zalig zijn.

Wijn

Drink ik de wijn in ongemeten maten?
Of is mijn lied verliefd op het woord "wijn"?
Hoe menigmaal, met mijn droef lot verlaten,
Troost wijn en lied voor schuwe pijn.

Het Lied

Wat is het, dat mijn Liedren drijft?
De wijn of enkel maar dit woord?
Terwijl mijn hand de woorden schrijft,
Wordt het hart door de dorst bekoord.

Gelukkige dronk

Van drinkers heb ik 't blijde Lied gelezen,
Vóór ik een Dichter en een Drinker was.
Mijn hand: beef niet. Mijn hart: laat af van vrezen.
Het lied is heerlijk en een beker keert men ras.

Twijfel niet

Meer is een Dwaad, die leeft, dan een Dichter, die dood is.
En de verloren Tijd vindt niemand weêr.
Twijfel niet, wijl de wijn nog vol en rood is,
Uw mond dorstig en teer.

Gelukkige avond

Dit is wel een avond om te verdromen.
De beek, die langs de tenten gaat.
De zilverschaduw door de donkre bomen.
En 't hart, dat niets begeert en rustig slaat.

Klaagmuur

Jeruzalem: hier is God wreder,
Dan Hij in één Stad is geweest.
De Klaagmuur: ik buig mijn hoofd neder,
In een Gebed, dat beeft en vreest.

Schoonheid-Vroomheid

Laat mij niet leven zonder lied.
Laat mij niet leven zonder Gods gebed.
Ach: angstig wanklend weet ik niet,
Of Schoonheid of dat Vroomheid redt.

Twijfel

Zijn handen houden hoog de Wet geheven.
Wat hebben zij vannacht tastend gedaan?
O, God, red mij van dit twijflend leven.
Laat mij bezwijken of weerstaan.

Angst voor God

Zij zullen nog mijn liedren lezen,
Als ik geen liederen meer lees.
Zij zullen in beklemming vrezen
God, die ik heden vrees.

Onrust

Die te Amsterdam vaak zei: "Jeruzalem"
En naar Jeruzalem gedreven kwam,
Hij zegt met een mijmrende stem:
"Amsterdam. Amsterdam."

Eeuwigheid

Laat de Eeuwigheid dan sterk en eeuwig wezen,
Hij kan zich toch slechts verkeren in 't Ogenblik.
Dit is het: wagen zonder vrezen,
Genieten zonder schrik.

Vóór de nacht

Met Adil heb ik de paarden gereden.
Met Saïd deelde ik de verboden wijn.
Met Machmoed... met Nazief... ik strek mijn leden
Tot onrust in één wrede pijn.

Een leed

Met Adil... met Machmoed, door lust gedreven.
Met Hassan, met Khaliel drinkend te saam.
Ach: ik ben altijd dezelfde gebleven,
Alleen een andre naam.

De zonden Gods

Mijn zonden zijn zonden van God in mij.
De wijn, de rozen, mijn vreugden van God.
Geniet dan uw vreugde en uw zonden vrij.
Het is alles één Lot.

Aan...

Ik lees uw brief bij 't licht van een lantaren.
Als gij mij liefhebt, schrijf mij dan niet meer.
Laat mij alleen met mijne gevaren.
Met mijne zonden, schuw en teer.

Schandelijke blindheid

De lust, die eenmaal uw zinnen ontzinde,
Heeft tot ziekte gekeerd u schandelijk verblind.
Men voert u langs de straat, o, blinde.
Uw lot kent elk verdorven kind.

God geleidt ons

Wonder, die heilig van 't onheilig scheidt,
En heilig met heilloos in éne ziel verenigt,
Hij voert mij huivrend langs de heerlijkheid
Van zonden, waarvoor men ene man stenigt.

Het Lied

Mijn Lied: sta op. Want Gods Lied is gekomen,
Hij wekt uw woorden met Zijn Eeuwig Woord.
Ik voel Zijn Liefde door mijn leden stromen.
Ik heb gesmeekt. God heeft verhoord.

Alles Gods schuld

Wanneer de zonde wederom vervuld is,
En de afschuw siddert door 't misselijk bloed,
Weet ik, dat er geen schuld buiten Gods schuld is,
En gene misdaad, die God niet misdoet.

De chauffeur

Hij voert de wagen, als een schip zijn steven
Door stromen stuurt langs klip en kaap.
Wat scheidt langs het ravijn de Dood van 't leven?
Een Arabische knaap.

Eenheid

Neen, zeg niet: "God en Satan beide.

Alles is God in God alleen.
Al vale schuld en al het lijden,
Alle vreugd en geween.

Gods wil

Gods wil is willoos. Zijn Genade
Kiest waar hij kiezen wil.
Zo voert Hij mij langs al zondige paden
Naar de Klaagmuur in de maanavond stil.

Zekerheid

Ik ben van God zó zeker,
Als God is van mij.
Geen zoete en niet één donkre beker
Gaat mij voorbij.

Waanzin

Want dat ik, zat van zinnen, zat van leven,
Altijd weer nieuwe zatheid zoek.
Dat ik door lust en waanzin voortgedreven,
God te Jeruzalem vervloek.

Angst

Vergeef, o, God, vergeef, is het geen laster,
Dat mijne zonden Uwe zonden zijn?
O, voer mijn voeten veiliger en vaster,
En houdt mijn hart van laster rein.

Onderwerping

Wie nimmer bitter met God heeft gestreden,
Hij kent de weelde der nederlaag niet,
Wanneer weder door zijn ontspannen leden,
Het geluk siddert van het Heilig Lied.

God

Ik smeek tot U uit mijne diepste ellende.
Schoon ik zeker weet, dat Gij niet bestaat.
Waarom komen mijn nacht en dag schenden
De weelden van het meest geschuwde kwaad?

Ziek

Mijn ziel is ziek van zonden als melaatsheid,
Boeten noch beden baten mij.
Wat nut mij of ik belijdend het kwaad mijd,
Geen zonde gaat mijn huis voorbij.

En morgen?

Wie heden 't Boek van zijn Kwatrijnen sluit,
Wat zal hij morgen met de Dag beginnen?
Geen leven komt buiten zijn grenzen uit.
Deze: Eeuwigheid, Ogenblik, Ziel en Zinnen.

Het Einde

Ik eindig het Boek van mijne Kwatrijnen.
En wens u, lezer, beter lied en lot.
Maar toch: geslagen door harde pijnen,
Weet ik het goed: "Mijne hulp is mijn God."



Overgenomen uit:"Ik ben een jongen te Zaandam geweest", een bloemlezing samengesteld door Gerrit Komrij.

[Arjan de Boer heeft alle kwatrijnen] [Coster Pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.

De hier beschikbaar gestelde teksten vallen buiten het kopijrecht. Ook de HTML-versies mogen wat ons betreft vrijelijk gebruikt worden voor studie of genoegen. Neem alstublieft kontakt op met coster@dds.nl wanneer u ze gebruikt voor handelsdoeleinden.