Jacob Israël de Haan

De zegen

Ik was dertien jaar: toen legde zijn handen
Een vrome Man ten zegen op mijn hoofd.
Zijn zegen heeft mij niet behoed voor schanden,
God gaf. Hij nam. Zijn Naam blijve geloofd.
De zegen van mijn Vader ... als wij keerden
Bij Moeder thuis van het Sabbathgebed
Zegende hij zijn Zonen; wat wij leerden
Van Vader heeft mijn leven niet gered.

De zegen van mijn Moeder vóór zij stierf...
Vraag niet, hoe vaak ik langs zingende wegen
Haar leer vergetend mijn leven verzwierf.
En zingt een Knaap, zijn hart en lippen rein,
Over ons allen het Lied van Gods Zegen,
Zal nu zijn zingend woord mijn zegen zijn?


Bron: Overzicht van de ontwikkeling der Nederlandsche letterkunde - vierde deel / Frans Bastiaanse. - [S.l.] : Nederlandse Bibliotheek, 1927
Bundel: Zelfkeur II
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster