Jan Diderickszoon

Sonnet II

Niets hield ik, alles heb ik weggeschonken
Aan U: de wankle jaren van mijn jeugd,
Al wat mij heugt, al wat mij niet meer heugt,
Het wilde vuur, de sintels en de vonken,

Wat ik eens weten noemde en ook mijn vreugd,
Mijn onvreugd mee, gedachten uitgeblonken,
Verlangens, die mijn zinnen eenmaal dronken,
Mijn duistre zonden en te bleeke deugd,

Al wat ik had en was en deed, ik gaf
Het U, Gij naamt. Hoe wildet gij 't ontvangen?
Zoo poover is 't en slecht en dwaas en laf.

Ik gaf, gij naamt - en zie het wonder nu:
Ik heb niets meer, geen daden, noch verlangen,
En niets wordt ...l: in mijn plaats vind ik U.


Bron: De 200 bekendste, mooiste, tederste, leukste sonnetten / Samengesteld en ingeleid door Robert-Henk Zuidinga. - Amsterdam: Sijthoff, 1985
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster