Jan van der Does

Wie dat eens van uw komst het nectar heeft gesmaickt

Wie dat eens van uw komst het nectar heeft gesmaickt
O Hout, dien zal noch vrees van all de Dijlsche staicken
Noch dolle Jans geblaes vol hoerekijntsche wraicken
Van u niet trecken af: mair deur u geest ontwaict
Men sal, alwaer Baldeez zijn hoornen zijn gekraickt
Zien enen nieu poëet met myrten thooft bedaiken
Niet in 't Latijn oft Wals, maer in onze moeders spraiken.
Droom' ick? of zij ick oick van dit zap nat gemaickt?
O, die d'Ausoonsche luijt in t'Duijts eerst hebt doen klinken,
O, die de ravens oick een swaents geluijt kost scincken,
Van u ist, dat ick ijet met Phoebus heb gemeen,
Van u ist, dat ick dorst De-Portes overstellen;
Van u ist, dat ick hauw mijn poëzij te leen,
Van u ist, dat ick derf mijn naem in uw blat spellen.


Bron: Spiegel van de Nederlandsche poëzie door alle eeuwen / Victor E. van Vriesland. - Amsterdam : De Spieghel, 1940
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster