Aan Jacob Cats

Cornelis Paradijs

U klinkt mijn cither, Hollands bard!
Wiens werk den tand der tijden tart,
  O Born van zooveel schats!
Wien Neêrlands volk zoo mint en roemt
En met den naam van Vader noemt,
  Terecht, o Jacob Cats!

Gij Vondel, Bredero en Hooft
Waart niet van dichtgenie beroofd,
  Dat ziet men aan 't debiet!
En gij ook, Bellamy en Poot
Waart lang niet van talent ontbloot,
  Maar Catsen waart gij niet!

Want Gij blinkt boven allen uit,
Gij sloeg een nationale luit,
  Gij zongt een Hollandsch lied!
De krans, die om uw slapen gloort,
Is van echt Vaderlandsche soort-
  Godvruchtig en solied!

Gij zongt op degelijken trant
Van vroomheid, deugd, gezond verstand
  En van het huw'lijkszoet!
Nooit zocht ge, in wat geen sterfling vat-
Een droom of rollend rozeblad-
  Den troost voor uw gemoed!

Waar is uw weêrga, zoet poëet,
Die Hollands taal als honig kneedt,
  Verheven fenomeen?
Welk land, welk volk, op heel deez' aard,
Heeft ooit een tweeden Cats gebaard?
  Dat kon ons land alleen.

Rust, dichter-pensionaris, warm
In 't Hemelrijk, in Godes arm,
  Wiens naam gij altoos preest;
De laatste Nederlander sterft,
Eer Jacob Cats zijn glorie derft
  En Nederland zijn geest!


Grassprietjes, 1885

[Jacob Cats] [Joost van den Vondel] [Bredero] [P.C. Hooft] [H.K. Poot] [Cornelis Paradijs pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.