Een dolende gids

Cornelis Paradijs

Wat wil die dolle jong'lingtrits,
Zich dwaas'lijk noemend Nieuwe Gids'?

Wier schaamt'looze opgeblazenheid
Ons ergert en ten hemel schreit.

Eerst waagden zij het in de bladen
De dichtkunst en Gods naam te smaden!

Geen dichter was zóó groot, zóó hoog,
Dien niet hun zwadder stout bespoog.

Men riep tot hen: `Doe zelf eens wat!'
Toen maakten zij een waard'loos blad.

Doch zie! als 't in de wereld kwam,
Ontbrak hun richting en `program'.

Er stond niet: `Wat wij willen' in,
Dies vatte niemand hunnen zin.

En dan hun eigen maaksel: foei!
Dat was erbarmelijk geknoei!

De taal was slecht, de vorm was zwak,
Terwijl zelfs de inhoud gansch ontbrak.

Ook de gedachte was verward,
Geen regel sprak van hart tot hart.

O gij verdoolden, jong en klein,
Zult gij een Nieuwe Gids ons zijn?

Gij, die op alles schimpt en scheldt,
Wat door u-zelf niet is gesteld!

Die spot met dicht- en zedewetten,
En leeft van ontucht en sonnetten!

Pas op! - Weet, dat de Heer zal treffen,
Wie ingebeeld zich durft verheffen.

Dan stort gij neder, ijd'le trits,
Door donderslag en bliksemflits!
En stelt zich de Oude, ervaren Gids
Weer welgemoed aan 's dichtkunst's spits!


Grassprietjes, 1885

[Cornelis Paradijs pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.