Frederik van Eeden

LIOBA 


 

III 
MIDDERNACHT IN 'T DUIN. MANESCHIJN.

DUIN ELVEN.   

Ziet, Syritha's licht!  
Milder vliet het van de kromme hoornen  
op de wolke^en wekt ons, nachtgeboor'nen,    
tot de reien, licht.

Melkwit blinkt het zand,  
fluistrend tripplen wij in luchte rijen  
't maanlicht in, uit donker der valleien    
Heia! hand in hand.

 Sterrebeelden staan  
stil te blinkren in omgraasde plasjens. 
Ritslend zachtjens hoort men in de grasjens   
kevers wandlen gaan.

 Zilv'ren straalt de zee— 
ziet ons hupp'len, hupp'len op de kruinen  
van de doodstil, blank beschenen duinen,—   
vlinders zwirren mee.

 Stil!—gerucht! gerucht!  
Hoeven stampen, grove stemmen naadren,  
bergt u schielijk in de schaduwblaadren,    
Weg!—gevlucht! gevlucht!   

Tancolf en Hemming te paard

HEMMING. 

Stoort mijn geleide^u? 

TANCOLF.   

Niet als 'k zwijgen mag. 

HEMMING. 

Ik vrees niet voor uw veiligheid. 

TANCOLF.   

                  Noch ik.  
Ook heerscht landvrede tusschen Scheld en Wezer  
volkomen, sedert lang. 

HEMMING. 

Ik zal maar kort uw teeder samenzijn  
met nacht en sterren en duin elven breken,  
eens minnaars hart vermeit zich best alleen—  
of met eene andere, maar die ben ik niet. — 
Zult gij ook zwijgen als ik vraag om woord  
dat 't Rijk, mijn broeder Horic en mijzelf gelijk'lijk
raakt? 

TANCOLF.   

                Vraag. 

HEMMING.   

Koning Haralds wonde  
heb ik gezien, gij ook? 

TANCOLF.   

            Neen! 

HEMMING. 

Ei wel, blind wist ik het tóch,—al had ik 't zwarte merk  
van Dood's hand niet gezien, ik rook Dood's adem.  
Wie zoo gegrepen is, raakt niet meer vrij.  
Dat weet gij ook, jong als gij zijt. 

TANCOLF.   

           Ik weet. 

HEMMING.  

Recht zoo. Ook dat der Staten evenwicht,  
't wondre verband dat houdt den reuzenbouw  
des Rijks bijeen, rondom dit lage land  
van IJsland tot Siciliën, van den Ebro  
tot Zwarte Zee, in Harald's zwaardhand rust.  
En dat geen vorst, zoo niet op land en zee  
gelijk stoutmoedig, en als hij ervaren,  
zoo ver gebiedt, en van uit Noorsch domein
Favara's zonnig paradijs beheert. 

TANCOLF. 

Ik weet het. 

HEMMING. 

         Ei, bij Odin! voor uw jaren 
zijt gij zoo dom niet.  --  Maar dan bleef ook dit 
wel geen geheim voor uw vroegrijp verstand: 
dat wie de zorg voor nakroost jong vergat, 
stervend en oud 't verzuim niet licht herstelt,
tenzij.... Ziet gij kabouters?—Luister toe 
met vol begrip,—dat ik geen woord te veel 
aan 't oude kwaad geef, voor uw onschuld nieuw. 
Tenzij.... tenzij.... om winter konings nest 
de koekoek zwerft. Verstaat gij? 

TANCOLF. 

Ik versta. 

HEMMING. 

Dan wel u, Tancolf.—Blijf mij diep verstaan. 
Want Hemming Reginfriedszoon zal het recht 
zijns broeders schutten tegen bastaardij, 
en redden 't Rijk uit vrouwe^of kinderhand. 

TANCOLF. 

Mooi, Hemming.—Zie, 't laatst van den zomerdag 
hangt als een bleeke mist nog in 't Noordwest. 
De melkweg schijnt, de spitsgehoornde maan 
werpt schaduwen van ons op 't witte zand— 
Dat 's licht genoeg, mij dunkt, gij kunt de voegen 
wel aan mijn rusting zien. Houdt gij er van 
te paard te vechten, of te voet, mij 's 't één. 

HEMMING. 

Zacht aan! Zacht aan! 

TANCOLF. 

          Neen, hard, ik bid u zeer. 
Neem mij mijn vreugd niet. Vreugd, die God vergeve, 
had ik voor 't eerst om smaad aan Vrouwe^en Heer, 
want daar ik dien zeer zeker hoor te wreken 
brengt dit mij kans op sterven zonder schand. 

HEMMING. 

Is 't zóó met u?—Hého!—is 't zóó met u? 
In plaats van zege^is 't wanhoop.—Kameraad, 
ik heb naast u, te menigmaal getoond 
dat ik niet vrees, dan dat 'k uit vrees voor hoon 
uw dwaze minnaars woede niet zou mijden. 
Zoek niet in mij voor zelfmoord 't instrument. 
Zeg 't mij dan recht, ik ken uw woord als vast: 
Er is niets tusschen u en haar, gij gaat 
als hooploos vluchtling, na verloren kamp? 

TANCOLF. 

'k Ontvlucht mijzelf,—zij weet van kamp noch vlucht, 
Niets is er tusschen haar en mij, bij God! 

zij rijden zwijgend, de paarden schrikken. 

HEMMING. 

Hou in!—Hier is het Kruisduin. Staat daar niet 
een wit figuur?—De witte vrouw van 't kruis!  
Hou in!—Keer om! 

TANCOLF.   

           Hemming, gij heiden! keer.  
't Kruis lijkt uw schrik. Mijn hulp is 't. Keer. Vaarwel.  
Zorg voor uw veiligheid. De mijne^is vast. 

HEMMING. 

Gij Christen met zelfmoord'naars moed. Zie toe! 
Trotseer onkenb're dingen niet! 

op Tancolfs paard wijzend   

                    Gardrofa  
is wijzer dan zijn ruiter.—Zie hem sidd'ren.   

zij rijden langzaam door.  

LIOBA  zingt.  

Met zijn verwonderlijke lichten  
heeft Hij den donkren nacht begrensd,  
die spellen meer dan weemoed wenscht  
met hun stil vonkende gezichten— 
meer dan mijn zwaarst verlangen, meer  
is daar verborgen, eindloos meer.

Nu lijkt het of de gouden zuilen  
van eenen Licht hof zichtbaar zijn,  
waar men den last van zorg en pijn  
voor eeuwig vrij zijn mag verruilen,  
waar men der uren schaduw niet  
bewegen ziet—bewegen ziet— 

TANCOLF. 

Lioba! 

LIOBA.   

Is dat Tancolf? 

HEMMING.   

                Freia! Freia! 
Vergeeft de kruisgod meineed zoo geree? 
Dan moge Mjölnir wreken!—man, gedenk 
wat Hemming zei.—Vermaakt u nu.—Goenacht! 

TANCOLF. 

Wreek zelf, maak uit waar recht, waar meineed is! 
Sta dan, en vecht! 

HEMMING. 

             Een andermaal. En gauw. 
Geniet nog, zoolang 't langt. Tot weerzien, beiden!   

Rent terug.  
Tancolf stijgt af

LIOBA. 

Wat was 't dat Hemming zei? 

TANCOLF.   

Wat ligt daaraan?... 
Ben je dan toch gekomen! 

LIOBA.   

             Dat ik niet vrees  
is mij nog 't vreemdst van al de vreemde dingen  
waarmee mij 't leven telken dag verrast.  
Ik dacht het duin was vreeslijk, middernachts— 
Hier zwerft toch wolf en ever—en het spookt— 
naar huislui zeggen—ginder bij dien poel.  
Maar, och, ik wandel als aan moeders hand 
n landen van bekendheid en vertrouwen.  
Het maanlicht doet zoo vredig, in het zwart  
der schaduwen rust liefde, geen gevaar.  
En al die stemmekens, gewichtig-zacht,
van krekels, berkenloover, en wat meer  
fluistert in donker, ritselt tusschen 't kruid,  
ik ken ze wel, en zij mij,—'t zee geluid  
spreekt als een vriend, die weet wat ik begeer.  
De luwte^omvat me met een veilige^arm, 
en zie, mijn schuwe, bloote voeten voelen  
in 't eigen bed geen inniger bedoelen  
dan in 't zacht zand, van middagzon nog warm. 

TANCOLF. 

Lioba,—o mijn liefste! Waarom kom je?  
Wachtte je mij dan?—Wist je dat ik kwam? 

LIOBA.  

Noem je mij liefste?—Ja, ik denk, ik wist.  
'k Was immers niet verwonderd, was ik wel?  
En toch, ik weet niet, dat ik 't heb gegist— 
't sluit alles zoo in 't vreemde tooverspel  
van dezen ganschen nacht. Ook dat je zei  
“mijn liefste” was bekende melody. 

TANCOLF.  

Heb je 't dan mij beluisterend gehoord  
waar ik mij eenzaam dacht?  
'k heb voor de wreede vreugde, jou dat woord  
éénmaal te geven, mij zoo streng gewacht.  
Nu bracht de nacht en zoete schrik het uit.  
Vergeef 't me. En vergeet wat het beduidt.  

LIOBA.   

Ik vrees, het zal mij zwaar zijn te vergeten  
wat als de lieve modulatie klinkt  
van liedjens die men altijd heeft geweten,—  
ga mee op duin, dat als besneeuwd daar blinkt,  
zien hoe omlaag met veel verfijnde twijgen  
de ranke, zwart-en zilvren berkjes staan,  
hoe stil op zee het glanslicht leit der maan,  
en hoe de sterren zwijgen.  

TANCOLF.  

Mijn Lief, mijn Lief, mijn Lief,—wil toch niet spelen  
het kind en houden argeloos gelaat.  

LIOBA.  

Zie je dan niet hoe deze schoonheid staat  
gebeeld aan aard en hemel met juweelen  
glans en standvastigheid?    
                 Dit is geen uur  
dat kwam en gaat, als die van alle dagen,  
staat het niet stil, midde^in ons driftig jagen,  
kalm eiland van verhevenheid en duur?— 
't hoort immers tot mijn needrig leven niet  
wat ik nu voel en zie,—'t is een der vele  
uit wereld 's gang bestendigde tooneelen  
door God bewaard in tijdeloos gebied.  
Hier mogen we^even rusten nu, wij tweeën,  
vogels gevlogen, elk van andre kust,  
over de vale, rustelooze zeeën.  
zie het dan toch, mijn Lief, en rust.—  

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 

TANCOLF.  

Zacht wonder onder menschen, ik verbaas  
mij zoo om u, en vind mij grof en dwaas  
als ik wil volgen op deze^ijle wegen  
uw fijn maar zoo eenvoudig ziels bewegen,  
uw wezen is zoo wichtloos, zoo bijzonder,  
het schijnt van zelf en zonder vrees gestegen,  
waar ik mij zwaar voel en beangst verwonder. 

LIOBA. 

Beangst waarvoor?—Denk je dan dat ik wandel  
in droomen, voor 't gevaar der paden blind? 
Heel helder zie ik waar ik mij bevind  
en al der menschen waan en donkren handel— 
Verheldering is eindlijk losgeborsten,  
geen berg vuur—maar geruchtloos meteoor,  
wereld en menschen, die nauw ópzien dorsten,  
belichtend plots met magisch blanken gloor.  
Verdenk mij, lief, van zelfbedwelming niet— 
maar heb geen vrees—want wat kan ons bedreigen?  
kan dan de storm die kwaad en zonde hiet  
tot zulk een ademlooze hoogte stijgen? 

TANCOLF. 

Mijn licht, mijn ster, schijn mij geduldig vóór. 
Ik weet niet waar wij gaan. Ik vrees mijn spreken 
als wie in bonte droomen ligt, den dag 
vreest, scheemrend tusschen de oogeleden door.  
Spreek gij, uw stem ontwijdt niet en het rag 
der droomen zal bij die muziek niet breken. 

LIOBA. 

O noem geen droom wat een verlicht ontwaken 
en vast als d' ochtend is na warren nacht.  
Ik lag somtijds in schoonen droom en zag 't  
blikkren van duizend looverkens en 't blaken  
der zon op 't meer in lijnscherp vizioen.  
Dit is nu wakend leven, dacht ik toen,  
zóó stellig kan mijn zelf geen beeldsel maken.  
Maar zie, toen kwam het machtig daglicht sterk  
en lachte weg het kunstig droomenwerk,  
zoodat ik rees in heuchelijk verwondren.  
Zoo rijs ik nu nog blijer. Naar diep ondren  
zinkt mijn doorleefde leven als een schijn  
door vaagheid droef.—— 
Een nacht waarin ik morgen weder toef  
en zal dit vaste Licht vergeten zijn. 

TANCOLF. 

O veilig, groot vertrouwlijk wereldhuis!  
O vast verdek van vonkenstarre wanden!  
O donzen vloer van nachtelijke 1anden!  
zee bevredigd, met uw diep geruisch!— 
O oogen met bleek sterre tintel licht 
stil blinkend in dit innige gezicht!  
kan deze pracht vergaan? Zal dit zich wenden?  
Was dit ééns niet? en kan dit eenmaal enden? 

LIOBA.  

Nu weten wij. Zeg nu niet meer. Nu voelt  
ons hart Gods glimlach. En nu rijze' in 't rond  
zijn hemelingen van hun licht gestoelt  
en zien ons en erkennen ons verbond.  
Nu scheemren hemels onafzienbre gronden  
en d' uitgang uit al aardsche leed ligt vrij,  
dien weg en zijn gewisheid kennen wij,  
nu wij elkander vonden.  
Een korte wijle, lief, en 't licht verschiet,  
sluit zich weer dicht en laat ons duister achter,  
wat ons gewerd, mijn lief, mijn wachter,  
blijft eeuwiglijk en wij verliezen 't niet.  
Neem nu weer op der zwarte dagen wicht,  
alle^angst en weifling van den nacht afschuwlijk,  
in toekomst van ellende, lang en gruwlijk,  
valt ons alével dankbaarheid nog licht 
na dit dicht ziels beroeren,  
dit wonderhoog vervoeren.   

Zij dalen af en gaan naar Tancolfs paard.

LIOBA. 

Vaarwel! 

TANCOLF.   

Is 't afscheid? 

LIOBA.  

        Vaarwel, voor altijd. 

TANCOLF.  

Wee! is dit liefde?—Kent die hindernis?  
Duldt die dan scheiden? Wil die niet vereenen  
zoo wat verganklijk als wat eeuwig is?  
De ziel verbonden, kan dan 't lijf alleen en  
verlaten blijven? Heeft uw min die macht  
niet dat ze 's werelds wet en mode  
vervangt en straf en lasterspraak veracht,  
noch menschen gunst noch bijval heeft van noode,  
dat ze^alle lust en lijfsbegeerten heiligt  
en reinheid in haar teeder streven ziet 
deugd, schoon 't duizendmalen zonde hiet? 

LIOBA. 

Mijn liefde^is macht, die voor al kwaad beveiligt.  
O lief! hoe richt gij valsch, hoe weegt gij slecht  
't hart zoo gedwee in uwe hand gelegd.  
Hoe rekent ge tot kleine vrees voor ijlig 't  
geweldigst werk wat liefdë in ons doet. 

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 

Hoor toe en berg mijn schuwe konde  
zacht in den wijglans dezer stonde.— 

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 

Ik deed een bedetocht. 'k Lag aan den voet  
van 't kruis daarginder, smeekend om een kind.  
Dit was mijn diepst verlangen, dacht ik. Blind,  
blind als ik was, ik arme, voor den groei  
der liefde bloem die in een reuzenbloei  
mij onbemerkt omschulpte, tot ik zat  
als in een rose kamer, vragend wat  
mij toch ontbrak. Was het een bloem? een bloem?  
Zoo snakte^ik naar mijn zacht kind en den roem 
van 't moeder zijn.  
         Dit doe ik nog, maar ach!  
nu bracht de sterren rijke nacht den dag,  
en 'k zag mijn heerlijk bloemenhuis, waaruit  
ik nooit meer vlieden kan, dat gansch omsluit  
al mijn begeerte' en lusten in den fulpen  
kerker van zijn gebogen blader schulpen.


. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 

Ik heb mijn liefde nu gezien. Wat schat  
kon ik begeeren dien zij niet omvat? 

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 

Ik wil mijn kind van ú. 

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .   

                O plotsling licht!  
wat schijnt het diep!—Heerlijk en wreed gezicht!  
Laving verzwindend voor mijn drogen mond  
't oogenblik zelf dat 't gretig oog haar vond. 

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 

Wat legt één flitsende seconde mijlen  
verborgen land voor ons erkennen klaar. 
Wat is der Liefde licht kracht wonderbaar! 
Wat zendt zij hoog haar stralend gouden pijlen! 

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Ik zie zoo groot mijn liefdë, en zoo ver  
mijn eenig heil, al is nog 't lief dichtbij.  
Die gouden stip op 't meertje^in de vallei  
lijkt ook dichtbij, maar is een hooge ster.  
Liet ik mij door nabijen schijn bekoren,  
'k ging voor 't Licht zelf in 't bevend beeld verloren.

Neen, kwaad is in mijn liefde niet, noch kon 't  
ooit daarin sluipen, ware^ik rein,  
maar ik ben 't niet meer, kan het nooit meer zijn  
in mijn aardsch leven. Wordt dan ooit 't verbond  
van lijf en ziel voor 't sterven opgeheven?  
Schoon zich mijn lijf eens gansch onschuldig gaf,  
waar zich de blinde ziel nog niet kon geven— 
zoo draag nu lijf en ziel dier blindheid straf— 
het recht is wreed, én hard 't rechtvaardig leven.  
En wie als wij doorschouwden één seconde 
de licht doorstraalde poort des Doods, bij 't vonken  
der zielen die voor eeuwig zich herbonden,  
dragen getroost, waar and'ren moedloos zonken,— 
ons is 't gewisheid, dat er nimmer traden  
tot dat gewin, dan langs Recht's harde paden. 

TANCOLF. 

O harde klank van zulk een zacht geluid— 
fijn klokje dat al aardsche lust luidt uit— 
Is 't dan voor goed?—hoe zal ik 't dragen,—ach! 

LIOBA.  

D' ochtend vind ons in tranen en beklag— 
in zwak berouw, in wrevel en in spijt,  
in vloek en schimp om onze^onschuldigheid— 
Bereid u, en wees hard. Dit uur is hel  
van kracht en wijsheid,—houd dit licht u vóór  
dat 't stil en stadig schijnen blijve door  
de zwaar bewogen nachten die 'k voorspel.  
Vaarwel, mijn lief, vaarwel!   

Tancolf stijgt te paard

TANCOLF.  

Vaarwel,—één kus?   

LIOBA   omhelst zijn paard en kust het

Gardrofa! zwarte ros, gezwinde drager  
van al mijn leven en mijn heil, ziehier!  
Dien als ik dienen zou, gelukkig dier!— 
Ik kus je zachten, gladden nek en klaag er  
ééns mijnen jammer en mijn afgunst groot,  
dat jij moogt bij hem zijn in smart en nood.  
Ziehier! mijn beul, mijn nijder, en mijn nijd— 
doe 't wreede werk met spoed—en schei ons wijd— 
Vaarwel! 

TANCOLF. 

Vaarwel! 

Hij rijdt weg, Lioba wenkt. Als hij weg is zinkt zij op het zand. Het wordt weer geheel stil

DUIN ELVEN.  

Komt nu,—komt te voor!  
zachtkens,—zusters,—uit het donker loover,  
stil is 't,—stil,—'t rust àl weer in den toover   
van des Glimmers gloor.

 't Ruwere gerucht  
is verstorven, woud en landen zwijgen,  
suizelend de helme halmen neigen,   
nachtwind éven zucht.

 Komt! ten dans!—ten dans!  
Wolke^en nevels zilvren franjen hebben,  
spinnen domm'len in gespreide webben,   
bleek van maneglans.

 Onder Mani's lach  
maanzieke^aarde droevig leit te droomen,  
maar wij dart'len, dart'len tot het doomen   
van den strengen dag.


[II][IV]