Frederik van Eeden

Ellen (Uit den tweeden Zang)

Hóóg boven menschen en hun klein bestaan
Zweeft er een vlucht breed-vleugelige accoorden,
Dat zijn mijn boden, mijn getrouwe woorden,
Die mijn vèr Lief vertroosting brengen gaan.

Vrees niet! de menschen zullen 't niet verstaan,
Schoon zij het groot geruisch der vleug'len hoorden,
Menschen zijn klein, hóóg is der Lied'ren baan,
Zij kunnen hen niet vatten, noch vermoorden.

Zoo ga dan snel, mijn zang, mijn afgezant!
Breng zachten troost! - Mijn Lief is zeer verlaten,
De nacht is koud en duister 't eenzaam land, -

O! mijn verlaten, - o! mijn arm, droef Lam!
Het doet zoo bang om zijnen Herder blaten,
Of die niet keerde, - en het halen kwam! -


Bron: Dichters van dezen tijd / samenstelling J.N. van Hall . - achtste druk. - Amsterdam: P.N. van Kampen & Zn., 1913. Bundel: Ellen. - Amsterdam: W. Versluys
Ingezonden door Piet Bron
HTML: Marc van Oostendorp, voor het project Laurens Jz. Coster